Zaterdag 07/12/2019
Beeld Redferns

Maud Vanhauwaert

De zomer duurt soms slechts fracties van seconden

Maud Vanhauwaert (Veurne, 1984) is een Vlaamse schrijfster, die ook furore maakt met haar performances. Met haar gedicht 'Er komt een vrouw naar mij toe' won ze onlangs de Publieksprijs Herman de Coninckprijs. Haar meest recente bundel heet Wij zijn evenwijdig (2015). Maud Vanhauwaert heeft sinds kort een wekelijkse rubriek in Zeno.

De astronomische zomer begint op 21 juni. We leerden het allemaal op de lagere school. Ik herinner mij nog hoe meester Frederik, leerkracht van het zesde, met papier-maché een aardbol en een zon had gemaakt en ons probeerde uit te leggen hoe die zich tegenover elkaar verhouden. Bij de overgang naar een nieuw seizoen mocht dan een van ons naar voren komen om de zon vast te houden.

Meester Frederik nam de aarde voor zijn rekening en bewoog als een danser rond de zon. Het was nogal een verwarrende vertoning. Een beetje experimenteel theater. Ik begreep het nooit helemaal. Zelfs nu heb ik het weer even moeten opzoeken. Juist ja, in het begin van de zomer staat de zon pal boven de kreeftskeerkring.

In mijn beleving start de zomer niet altijd op 21 juni, maar elk jaar op een ander moment. Tijdens mijn studentenperiode begon de zomer de seconde na mijn laatste examen, of nee, eigenlijk pas op het moment dat ik de eerste haring van mijn festivaltentje in de Werchterweide sloeg.

Vorig jaar begon de zomer in Gent. Ik deed een terrasje met een oude vriend, we hadden kriekbier besteld, en net toen we elkaar in de ogen wilden kijken, straalde de zon, piepend vanachter een wolkendek, recht in zijn ogen, die zich tot spleetjes vernauwden. Alsof het zonneoog met ons mee wilde toasten! We klonken nog maar eens, voor de zekerheid, met krampachtig opengesperde ogen nu, je wist toch maar nooit, dat er iets van waar was, van die zeven jaren slechte seks.

Maud Vanhauwaert. Beeld Filip Van Roe

Ik hoor het hem nog zeggen: "Op de zomer!" Het voelde als een begin. En ja, ik heb ook wel eens een jaar gehad waarin de zomer nooit begon.

Dit jaar begon ze al vroeg. Op een dag in mei. Op de snelweg. Ik had een afspraak in Halle. Ik was al wat te laat vertrokken en gaf stevig gas. Op de ring rond Antwerpen file. Fuck. Ik reed eerst nog stapvoets, en daarna helemaal niet meer. Angstwekkend hield ik het aankomsttijdstip op mijn gps in de gaten.

Rare logica: hoe trager je vooruit gaat, hoe sneller de tijd lijkt te gaan. Ik plantte mijn nagels in het rubber van mijn stuur en moest mij bedwingen om niet te claxonneren. Iemand heeft mij ooit verteld dat, als je geconfronteerd wordt met onbedwingbare emoties, het kan helpen om die emoties te benoemen.

"Ik ben overstuur", mompelde ik tegen mezelf. Ik moest lachen om de onnozele, onbedoelde woordspeling, maar het temperde mijn opgefokte humeur slechts gedeeltelijk.

Het was pas toen de chauffeur naast mij uit zijn auto stapte, en leunend tegen zijn motorkap een sigaretje begon te roken, dat ik begreep: het is een verloren zaak; we gaan nergens meer naartoe vandaag.

Op dat moment begon de zomer. Op het ogenblik waarop ik de haast liet varen, die seconde waarop ik mijn schouders ophaalde. De zon staat op 21 juni even helemaal stil, loodrecht boven de kreeftskeerkring. Ik beleefde mijn solstitium op de Antwerpse ring.

Ik belde mijn contactpersoon in Halle met de mededeling dat we onze afspraak wel konden vergeten. Ik betrapte mezelf erop dat er opluchting klonk in mijn stem. Ik heb het altijd al moeilijk gevonden om argumenten te bedenken voor mijn laattijdigheid, en ben altijd blij als ik mij kan beroepen op een geval van overmacht.

Ik schakelde mijn motor uit, trok mijn stoel naar achteren, schoof mijn raampje naar beneden, stak Ry Cooder in de cd-speler, en zette mijn huidige lievelingsnummer 'Paris, Texas' op repeat. Het was bijna middaguur, en broeierig heet.

Ik herinnerde mij hoe, tijdens een monsterfile vorig jaar, mensen op de E40 begonnen te badmintonnen, hoe er muzikanten spontaan begonnen te spelen en hoe een traiteur, die op weg was geweest naar klanten, haar voedingswaren dan maar verkocht aan wachtende chauffeurs, die de gerechten warm hielden op hun hete motorkap.

In mijn fantasie ging het nog verder. Voor mij zag ik hoe een jongen uit zijn bestelbusje klom. Hij opende zijn laadruimte en haalde er een trapladder en een emmer verf uit. Hij plaatste de trapladder tegen het busje, en begon een zijflank te schilderen.

Intussen zag ik, in mijn achteruitkijkspiegel, hoe twee vrouwen een picknickkleed op het asfalt drapeerden. Een kleuter rolde een enorme watermeloen aan. Een man kwam aanzetten met een barbecuestel. Uit elke auto klonk muziek.

Een meisje wandelde langs mijn raampje en ze vroeg of ze even mijn gevarendriehoek kon lenen. "Het is voor een moderne-kunstinstallatie." Ik begreep niet wat ze bedoelde, maar omdat ik waarlijk het gevoel had dat, nu we allemaal stilstonden, er geen gevaar meer bestond, gaf ik haar mijn driehoek mee.

Ik zag wat de jongen op de zijflank van zijn busje had geschilderd. Zowaar, een strandtafereel met ondergaande zon en een helderblauwe zee! Er poseerden gibberende meisjes voor, die naar hartelust selfies namen. Een paar scouts trokken houten palen van een oplegger en sjorden er strandstoelen mee. Ze schroefden ook autobanden los waarmee ze schommels maakten die ze aan staalkabels hingen, opgespannen tussen vrachtwagencabines.

Op de pechstrook maakte het kunstzinnige meisje een grote constructie met de gevarendriehoeken. Alsof ze speelde met een soort reuze K'Nex! Nieuwsgierige toeschouwers probeerden te raden welke vorm de constructie aannam. "Het wordt een reuzenrad!" "Nee, een dinosaurus!" "Een watertoren!" "Iets abstracts!" Op de middenberm stond meester Frederik, met bollen papier-maché. Hij legde het nog eens uit. Hoe het nu weer zat, met die hemellichamen.

Iets verderop zag ik een auto op en neer wippen. Kwam dat door de trilling van de autostrade, veroorzaakt door de tegenliggers die voorbijraasden? Of werd daar in die auto de liefde bedreven? Toen ik verder keek, zag ik nog meer auto's op en neer wippen. Meer nog: als ik maar lang genoeg keek, wipte elke auto op en neer!

Het was zo heet dat het asfalt smolt. Een vrachtwagenchauffeur schraapte met zijn ijskrabber wat asfalt van de weg. In kleermakerszit kneedde hij het tot kleine poppetjes. 's Avonds was er poppentheater en de vrachtwagenchauffeur deed alle stemmetjes, zelfs die van Dora.

Er was ook een kampvuur - olie genoeg - en een soort scrabble met nummerplaten. Er werd gedanst in de spotlights van koplampen en 's nachts zweefde het picknickkleed als een vliegend tapijt over de glinsterende daken. En ja, ik wist het wel.

Ik wist wel dat deze stilstand slechts tijdelijk was. Dat de karavaan zich uiteindelijk weer in gang zou trekken. Dat iedereen snel in zijn auto zou springen en we even later strak voor ons uitkijkend weer langs elkaar heen zouden rijden. Dat, na het solstitium, de aarde haar reis hervat, op haar aloude baan. Dat iedereen uiteindelijk een andere afslag neemt. Dat er - hoorde ik dat niet net op de radio - in de verte misschien wel iets ergs was gebeurd.

(Ik ga daar zelfs van uit, dat er in de verte altijd iets ergs is gebeurd.)

Dat de zomer zich even plots weer afkondigt. Ze duurt soms slechts fracties van seconden. Waarin het licht in onze ogen schittert. Waarin we ontdooien en denken: we gaan nergens meer naartoe vandaag. We zetten de motor af. En alles is mogelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234