Dinsdag 25/06/2019

Boeken

“De ziekte van mijn moeder heeft een hele donkere kleurstof in de verf gedaan”

Mark Coenen (l) en Marnix Peeters. Beeld Stefaan Temmerman

Op 20 februari verschijnt Zo donker buiten, Marnix Peeters’ reconstructie van zijn moeders leven, haar laatste jaren met alzheimer en haar overlijden. Mark Coenen, die vorig jaar zijn vader verloor, sprak met hem. “Ik had haar heengaan voor geen geld willen missen.”

Marnix Peeters is niet de eerste die een boek schrijft over het leven maar vooral over de dood van zijn moeder: velen zijn hem daarin voorgegaan.En niet de minsten. Tom Lanoye (Sprakeloos) en Erwin Mortier (Gestameld liedboek) schreven over leven en dood van hun moeders. Peter Verhelst won vorige week een Ultima voor zijn prachtige roman Voor het vergeten, rond de plotse dood van zijn moeder. En Nicci Gerrard, van het detectiveduo Nicci French, schreef recent Woorden schieten tekort, een boek over haar vader die stierf aan de gevolgen van alzheimer.

En nu Marnix, dus.

Bij de voorbereiding van het interview was ik van plan om in Zo donker buiten wat kernzinnen aan te duiden om het interview structuur te geven. Bleek achteraf dat ik het halve boek had onderstreept. En de hele tijd van ja had geknikt wegens de grote herkenbaarheid. Ik las het manuscript op de dag dat mijn vader krek een jaar dood was. Gelukkig had ik uit veiligheid een doos Kleenex klaargezet. Die kwam goed van pas.

Een citaat: ‘Laat het los, ma’, zei ik, ‘het komt allemaal echt helemaal goed. Gij zult altijd de beste moeder zijn die wij ooit hadden kunnen hebben.’

Dat waren exact dezelfde woorden die ik tegen mijn eigen onvergetelijke moeder zei toen die, 20 jaar geleden al, het tijdelijke voor het zeer eeuwige wisselde. ‘Wat een prachtig onvergetelijk boekje is dit’, schreef ik de schrijver – ‘ik zeg het u met bibberstem en door een mist van tranen. Ge zijt het pantheon van de Onvergetelijke Schrijvers binnengetreden. Met stip.’

Van het een komt het ander en zo gebeurt het dat ik de Onvergetelijke Schrijver interview op de dag dat zijn moeder krek een jaar geleden stierf. Toeval bestaat niet. Het werd een heftig gesprek; de zakdoekjes bleven op de valreep onaangeroerd. Bijwijlen werd er wel naar een punt in de verte gestaard.

Marnix Peeters: “Ik vond het moment dat mijn moeder doodging fascinerend. Ook omdat ik uit die vrouw geboren ben, 53 jaar geleden. Het is een soort van ‘terugbegeleiden’ naar de eeuwigheid: je komt uit het niets en je gaat naar het niets. Ik was op beide momenten aanwezig. Ceremoniemeester, bij wijze van spreken. Mensen die aan het sterven zijn, horen nog wel wat je zegt. ‘Je kunt haar helpen’, zei de verpleegster. Ik heb een paar uur voor ze stierf gezegd: ‘Moeder, laat het maar los.’ Dat was misschien het belangrijkste gesprek dat ik ooit heb gevoerd. Ja.” (stilte)

Ik heb dat ook meegemaakt bij de dood van mijn ouders. Het was vorig jaar bij mijn vader voor mij wel de tweede keer. En ook anders. Mijn moeder is gestorven aan de gevolgen van een hersenbloeding. Twee weken coma en dood. Ik was ongelooflijk gefascineerd door haar hartslag die naar beneden ging. Op een bepaald moment zei de verpleegster dat ze gestopt was met ademen. Ik nam haar hand en zag het leven uit haar verdwijnen.

“Ik was ook heel nieuwsgierig. Je kunt dat niet repeteren: je gaat maar één keer dood. Ik had geen enkele maatbeker. Op dat vlak ben ik een redelijk zondagskind. Het fascinerende was dat ik wist dat het die nacht ging gebeuren en dat ik geen enkel idee had wie ik ’s morgens zou zijn. Ging ik redelijk oké zijn of helemaal verwoest? Ik wilde wel het hele proces meemaken.”

Is het omdat je journalist bent geweest dat je zo nieuwsgierig blijft, ook voor dit soort dingen?

“Nee, ik ben journalist omdát ik nieuwsgierig ben. Ik had dat als kind al. Als je mij als kind twee mieren gaf, was ik content. Kon ik uren naar kijken. Ik ben als kind altijd heel allenig geweest. Ik had wel vriendjes, maar die kwamen op de tweede plaats, na de kartonnen doos waarin ik zat. Als dan in die kartonnen doos twee mieren kropen, dan was ik uren zoet.

Er is een dag waarop je leven halfweg is. Het is een dag als een andere, niemand beseft ooit dat hij Nu, Vandaag, op Dit Moment, exact evenveel tijd heeft geleefd als hij nog tijd te leven heeft . In haar geval moet het pal in de hete zomer van 1976 zijn geweest. Ik stel mij voor hoe zij haar zomerjurk droeg, hoe zij zich afvroeg wat zij met die hitte voor avondeten zou maken, hoe zij ons zag zwemmen en ons geregeld aanspoorde om water te komen drinken. 

(Uit Zo donker buiten)
  

“Mijn moeder sliep, verdoofd door morfine, met haar ogen open. Zij gaf geen enkel teken van herkenning meer. Ik had nog nooit iemand zien sterven. Ik vond het belangrijk bij haar te zijn. Ik zou dat achteraf bekeken ook niet aangekund hebben, dat men zou bellen met de boodschap ‘Uw moeder is vannacht gestorven’. Ik had het voor geen geld willen missen. Dat klinkt als een concert van een popgroep. Zonder bisnummers natuurlijk. (lachtIk heb dit boek al dikwijls vervloekt: het komt in je nek hijgen en niet altijd als je er klaar voor bent. Ik heb er wel mijn tijd voor genomen. Ik kan mij niet voorstellen hoe mensen met hun drie dagen officieel rouwverlof dat doen, trouwens. Daar stel ik mij toch vragen bij. Jana (zijn vrouw Jana Wuyts, red.) en ik zijn van begin december tot de eerste week van februari 2018 constant samen geweest. Dat kan als je zelfstandige bent, maar zij was voor mij een geweldige steun. Wat een vrouw heb ik toch.” (lacht)

De symbiose die ik bij jullie zie, heb ik inderdaad nog niet bij veel andere mensen gezien. Heeft dat geholpen? Kun je verdriet delen? Arnon Grunberg schrijft ergens dat rouwen een heel eenzame bezigheid is.

“Wij doen niets apart. Niks. Ik besef hoe dankbaar ik moet zijn dat dat zo is. Ik kan mij vroegere relaties herinneren toen ik dacht: een week vakantie is tof, maar dan was ik ook blij dat die voorbij was. Nu zijn we net 2 maanden in Spanje geweest, 6 dagen in de auto en ik had geen enkel moment het gevoel: dit is teveel.

Geen ruimte voor jezelf meer nodig?

“Nee, dat is één geworden. Zij is gaan werken vandaag en ik vind dat al lastig genoeg. Dat is geen brandend gemis, maar ik wil wel op tijd thuis zijn om eten te maken. Ik vraag mij af hoe mensen dat doen die geen zo’n klankbord hebben.”

Praat je graag met mensen over wat je hebt meegemaakt?

“Ja, dat was de enige manier om ermee weg te komen.”

Ik ben een binnenvetter, ik doe daar heel lang over. Ik heb dertig jaar gewacht om een boekje te maken over het leven en de dood van mijn zus. Dértig! Dat was natuurlijk een ander soort dood dan die van mijn ouders (mijn zus pleegde zelfmoord) maar ik was niet in staat om dat meteen te verwerken, denk ik. Ik sla alles op. Ik heb tijd nodig.

“Ik heb mij deze week bedacht dat zonder mijn wekelijkse columns in dit katern dat proces ook anders verlopen zou zijn. Ik kon het op dat moment over niets anders hebben.”

Dat is ons groot geluk: wij kunnen iets doen met die ervaring en dat verdriet. Wat ook Grunberg zegt: hij heeft van de dood van zijn moeder een journalistiek project gemaakt. Het is de bruikbaarheid van verdriet: je kunt er iets positiefs mee doen. Een mooi boek schrijven, bijvoorbeeld.

“Ik heb dat nooit bewust gedaan, het is gewoon zo gebeurd. Ik heb in de zeven jaar dat mijn moeder ziek was ook niets genoteerd, omdat ik dat ook niet wilde ontmenselijken. Ik heb dikwijls gedacht, ik maak er een kroniek van, ik beschrijf de fases. Dan kan ik daar later iets mee doen. Dat vloekte zo met mijn gevoel dat ik van mijn moeder een onderzoeksproject aan het maken was.”

Al vind ik wel dat je je nog heel veel woorden en uitdrukkingen van je moeder herinnert.

“Van die ongelooflijke kleinigheden die dan snoeihard blijven plakken.”

Zoals ‘Zijt maar in uw recht als ge dood zijt.’

“Mijn moeder was een vrouw van gemeenplaatsen, van de eenvoudige observatie. Ze las geen boeken; ik denk zelfs niet dat ze ooit een boek van mij gelezen heeft. Hoewel mijn ouders ieder jaar wel als een soort ritueel naar de boekenbeurs gingen. Daar dronken ze dan een Tuborg, wat ze thuis nooit deden.

“Mijn moeder was gewoon bezig met leven. Ze was een heel eenvoudige, extreem eenvoudige vrouw. Als je haar niet hebt gekend, dan klinkt dat misschien neerbuigend, maar ik hoop en ik denk van niet. Mijn ouders hebben – beiden van eenvoudige Kempense komaf, uit een landbouwers- en mijnwerkersmilieu – van meet af heel hard hun best gedaan om ons op te tillen in de geest van de jaren 1960. Ze hadden bijvoorbeeld een abonnement op Openbaar Kunstbezit, wat in het geval van een arbeidersgezin uit Limburg wel uitzonderlijk was. Wij maakten kennis met kunst, mijn vader las Solzjenitsyn, om maar iets te zeggen. Mijn vader is van 1931, komt uit een gezin van zeven kinderen waarvan de vader heel jong gestorven is. En die werd mijnwerker en luisterde naar klassieke muziek. Leg dat eens uit.”

Frank Vander linden zegt altijd: op een ochtend sta je op, kijk je in de spiegel en ben je je vader aan het scheren. Ik denk dat dat waar is. Trek jij veel op je vader? Of meer op je moeder?

“Mensen zeggen altijd dat ik een grote mix van die twee ben en tegelijk ook een gigantische tegenpool. Mijn ouders zijn op communicatief vlak altijd de kinderen gebleven van de jaren 1930: moeilijk doordringbaar. Zij werden gestraft als ze emotie toelieten of lieten zien. Ik heb een foto van de moeder van mijn vader en de andere kinderen uit 1939. Een boerengezin zonder sociaal vangnet. Vader jong gestorven. Iedereen moest gaan werken of naar de mijnschool. Die kinderen staan er alle zeven kwaad op. Mijn tante Maria zei: ‘Jongen, wij wáren niet gelukkig, wij hadden geen leuk leven. Wij moesten ’s morgens naar de kerk, dan het veld op, dan een halve dag naar school. Doodmoe in je bed.’ “Die mensen hebben qua ontwikkeling en ontplooiing géén mogelijkheden gehad. En dan moest de Tweede Wereldoorlog nog beginnen. Er is nooit plaats geweest voor verdriet over hun vroeggestorven vader.

“Mijn ouders waren geen babbelaars. Ik ben daar periodes in mijn leven ook kwaad over geweest. Ik wilde met mijn moeder práten. Ik heb dat geprobeerd, ik zei dan: ‘We gaan eens klappen.’ En ik schreef brieven, op mijn verjaardag bijvoorbeeld. Poëtisch gebrabbel. Ik dacht: ik moet mijn ouders emanciperen. Ik schaamde me toen ik die brieven recent terugzag. Daar werd natuurlijk nooit of te nimmer op teruggekomen. Hoe zou je zelf zijn! (
lacht) Mijn pogingen om gaatjes in hun pantser te boren zijn verschrikkelijk mislukt, die mensen werden daar zenuwachtig en doodongelukkig van. En kwaad. Ik denk dat ze mij heel snel een zonderling zijn gaan vinden.”

Marnix Peeters: “Ik wilde met mijn moeder práten. Ik heb dat geprobeerd.” Beeld Stefaan Temmerman

Met reden.

(lacht) “Ik was zoals ik al zei een heel eenzaam kind. Wij hadden op een bepaald moment een grote tv gekocht. Godganser dagen speelde ik op mijn kamer in de lege doos ervan. Mijn beste vriend was zo’n dashboardhondje, met zo’n hoofdje dat schudde op de vering van de auto. Joe. Daar babbelde ik mee.

“Ik was niet ongelukkig hoor, al denk ik dat zoiets nu als problematisch gedrag gecatalogiseerd zou worden. Naar de kinderpsychiater ermee! (lacht) Ik probeer dat, nu mijn moeder dood is, ook allemaal te reconstrueren, Heel ons leven samen. Op een briefkaartje. Tijdlijnen tekenen. Geboren, getrouwd, hoeveel auto’s hebben ze gehad?”

‘Eerst ben je opgelucht. Verbaasd. Fier een beetje. Omdat je de dood overleefd hebt. Je hebt het gehaald, het valt allemaal wel mee, zo groot was die draak nu ook weer niet. Daarna wordt het leven weer gewoon, en wordt een dag weer een dag, en dan pas sijpelt het echte verdriet binnen. Ga je stapvoets alles herbeleven, maar nu in het echt. Niet in die rare nachtmerrie die het was. Vreemd, hoe een herinnering échter kan zijn dan een belevenis. Tastbaarder. Pijnlijker.

(Uit Zo donker buiten)
  

Maar drie zo blijkt. Qua verantwoord klimaatgedrag een voorbeeld wel.

“Gaandeweg begin je te beseffen dat het niet te reconstrueren valt. Zeker niet hoe zij mij gezien hebben.

“Het strafste van alles is dat ze er in geslaagd zijn om mij gerust te laten. Ik noem het ‘onderbezorgdheid’ in het boek. Vrienden met kinderen zeggen allemaal: het is krankzinnig moeilijk om ze los te laten. De reden waarom ik geen kinderen heb is vooral dat: ik ken mijzelf goed genoeg om te beseffen dat ik zelfs niet in staat ben om een hond te hebben. (lacht) Overbezorgd. Ge legt uw opperste geluk in handen van iemand die je niet kunt controleren.”

Maar je kunt toch ook vertrouwen geven?

“Ja, dat weet ik ook wel, maar dat werkt niet bij mij. Het is door te zien dat iedereen het daar zo moeilijk mee heeft dat ik besef wat voor een krankzinnig goede moeder mijn moeder was. Mijn Humo-periode hebben mijn ouders wel volledig gerateerd. En ik was nog zo trots. ‘Hebt ge daar een vast contract?’ ‘Nee ma, ik ben freelance.’ ‘Ze betalen u toch?’ (lacht) Mijn moeder vond het wonderlijk dat ik voor mijn werk naar New York mocht. Voor een concert van Metallica? Zijdezot? Je kunt dat interpreteren als desinteresse, ik interpreteer het langs de meest zonnige kant. Mijn zussen denken daar anders over, weet ik.”

Ik ben lang producer geweest bij Studio Brussel. Dat verstond mijn moeder ook niet. Wat doet gij daar de hele dag? Ik: ‘Plaatjes draaien en roken en telefoneren.’ ‘Zij: ‘En ge wordt daar nog voor betaald ook?’

(hilariteit) “Mijn moeder heeft heel haar leven Libelle gelezen. Veertig jaar. Binnenkort komen die mij ook interviewen. De eerste keer. Voor mij is dat iets ongelooflijks emotioneel: dat ze zelf in het blad komt dat ze veertig jaar gelezen heeft.”

Heb je het gevoel dat je moeder trots op je was?

“Mwah, op typisch oud-Vlaamse wijze werden de dingen goedgekeurd die moesten. Een huis kopen bijvoorbeeld. Terwijl ik daar achteraf ook het mijne van denk. Ik studeerde niet graag. Ze wilden dat ik Latijn-Griekse deed, ongeveer zoals mijn zussen, die in de Latijn-Wiskunde zaten. Mijn zussen zijn veel slimmer dan ik, dat moogt ge wel in uw interview zetten. (lacht) Bij mij was dat altijd met de hakken over de sloot. En dan gingen mijn zussen Germaanse studeren in Leuven: nog erger. Dat ging ik niet doen. Echt niet. Op een bepaald moment heb ik een deal kunnen maken met mijn ouders. Ik stelde voor: als ik nu eens al het geld dat ge aan mijn studies gaat geven ineens zou krijgen? Uiteindelijk was dat oké. Ik heb al die zinloze studiejaren overgeslagen.” (lacht)

Ik vind het heel straf dat je dat, uit zo’n ouderwets veilig nest komend, allemaal mocht. Ze hebben je echt wel vrijgelaten in de keuze.

“Ze hebben zich nooit tegen iets verzet, nooit mijn beslissingen in vraag gesteld. Me nooit onder druk gezet om het rechte pad te bewandelen. Ook niet als ik af en toe met een andere vriendin naar huis kwam.

“Mijn ouders ontweken veel, durfden zware thema’s niet aan te snijden. Ook de ziekte van mijn moeder niet. Ik kan mij dat niet voorstellen, met Jana zou dat vanaf dag één een gigantisch gespreksonderwerp zijn. Na verloop van tijd praatte mijn vader er wel over. Zelfs als mijn moeder er bij was. Mijn moeder heeft altijd gezegd: als ik zoiets krijg, dan doet ge mij maar weg. Tot ze ziek werd en er daarna nooit meer over gesproken heeft. En ook nooit aanvaard heeft dat ze ziek was. We keken toen samen eens naar een tv-reportage over dementie. Toen die afgelopen was, zei mijn moeder: dat is toch erg hè, die arme menskens. Toen was ze zelf al twee jaar ver! Toen ben ik er ook niet op ingegaan. Je wilt de mensen ook niet bruuskeren. Weten geeft verdriet.”

Mijn vader heeft de zelfdoding van mijn zus ook altijd weggestopt voor anderen. Zelfs sommige mensen die hij dagelijks zag, wisten dat niet. Ik heb het hun moeten zeggen na zijn dood. Over schroom en schaamte gesproken.

“Hoe hard verergert ge uw verdriet door het in een doos te steken? Onbegrijpelijk.”

Ik heb hem op het einde van zijn leven gezegd dat ik een boekje aan het schrijven was over leven en dood van zijn dochter. Daar had hij helemaal geen oren naar. Terwijl ik het móést schrijven. Iemand moest zich haar toch blijven herinneren?

“Het schrijven van mijn boek heeft mij ongelooflijk veel deugd gedaan; ik hoor ook veel positieve reacties over de columns die ik over haar schreef. Dit is mijn manier.”

Was jij de lieveling van uw moeder?

“Nee, dat bestond bij ons niet. Maar ik was de jongste, dus wij hadden wel iets knus, mijn moeder en ik. Mijn vader ging op maandagavond naar het koor en dan zond de toenmalige BRT Ontsnappingsroute uit (de BBC-reeks ‘Secret Army’, red.). De maandagavond was van ons, van ons ma en ik. Ik herinner mij dat als enorm intiem en knus, hand in hand zelfs, denk ik, in de zetel tegen elkaar. Om halfelf kwam onze pa terug van het koor en gingen we slapen.”

Er is volgens mij een onzichtbaar netwerk van mensen die al iemand verloren zijn. Die begrijpen elkaar.

“Je begrijpt het beter, alleszins. Het is ook een soort van bevrijding van een grote angst, vind ik. De schrik dat je op een dag een telefoon krijgt met de melding: je moeder is dood. Dat is gebeurd nu. Daar ben ik vanaf. Rouwen is iets griezeligs. Ik heb gelukkig een leven waarin ik dat vrij spel kan geven. Ik ga er ook niet aan ten onder. Mijn grondtoon blijft: ’s morgens fluitend de trap af. Ik ben meestal vroeger op dan Jana en zij zegt dat ze mij bij het naar beneden gaan al hoort zingen. Ik besef dat zelf niet, maar ik ben onverwoestbaar gelukkig op de een of andere manier. Maar ik kan ook mijn verdriet toelaten en dat kan intens zijn. En ik heb een partner die dat snapt. Verdriet bespringt u. Totaal los van alles, zonder enige aanleiding. Ik kan naar Dany Verstraeten zitten kijken en zoiets voor hebben. Maar dat heeft echt niets met Dany te maken hoor. (lacht) Ik krijg graag van die kleine aaitjes, in dat proces.

“Jan Hertoghs, vroegere collega bij Humo, stuurde een prachtige handgeschreven brief. ‘Zo zijn moeders. Al omarmen ze je niet, ze hebben je toch levenslang goed vast’, schreef hij.”

Is de zorg voor de achtergebleven ouder er niet voor in de plaats gekomen? Mijn vader kon geen ei bakken. Maar is wel na twee jaar opnieuw getrouwd. Op zijn zeventigste.

“Ik zou dat heel plezierig vinden, maar mijn vader is bijna 90, dat zie ik niet meer gebeuren. Hij woont op nauwelijks een kilometer van zijn zus, mijn meter, maar die denken er ook niet over na om samen te gaan wonen. Samenwonen zou qua zorg al heel wat oplossen. Ik zou daar als maatschappij ook veel creatiever mee omgaan. Mensen samenbrengen, in een huis. Man of drie, vier. Elk hun eigen ruimte, maar de zorg is samen. Een overzichtelijk systeem van zorg voor ouderen: dat kan ik als ervaringsdeskundige van zeven jaar alleen maar aanbevelen. Maar dan wel geen rusthuizen: die zijn te erg voor woorden. Zeker de afdelingen met de ergere gevallen.”

Eigenlijk heeft het probleem alzheimer hardop nooit bestaan in dit huisgezin – toch niet als het van mijn moeder af hing. Zeven jaar lang heeft er niemand alzheimer gehad. Tenzij bij hoge uitzondering, als het haar allemaal wat te veel werd. Of als het in een medisch verslag stond. Heel even een heel klein beetje alzheimer per vergissing. 

(Uit Zo donker buiten)
  

Je schrijft: ‘een rusthuis is een sterfhuis.’ Mijn vader verbleef er zes maanden. Wel geen klagen, die mensen deden vreselijk hun best. Op het allerlaatste van je leven is dat een oplossing, echt. Maar mijn vader zei wel, ik vergeet het nooit: ‘Ik ben helemaal verweesd.’ Voor die man was de ontworteling vreselijk.

“Onze onverwoestbare drang om oud te worden, terwijl ge dat niet moet zijn! Mijn vader wil doodgraag 100 jaar worden. Hij heeft maar één doel, en heeft volgens mij in zijn leven veel beslissingen genomen om dat te bereiken. Als jongen in de jaren 1930 lag hij al aan het jaar 2000 te denken. Nu zijn we bijna 20 jaar verder en hij is er nog altijd.”

Wat mij ook trof in het boek, en wat ik herken: herinneringen dreigen heel hard en heel negatief gekleurd te worden door de gebeurtenissen op het einde van een leven.

“De ziekte van mijn moeder heeft een hele donkere kleurstof in de verf gedaan. Je moest moeite doen om over haar 30 kilo wegende lichaampje te kruipen – zo weinig was er van haar over, op het einde – en op zoek te gaan naar goede herinneringen. Je herinnert je te veel verschrikkelijke dingen uit de laatste jaren.

“Ik heb gelukkig uiteindelijk wel mooie herinneringen aan haar. Ik denk dat ik heel mijn jeugd met haar goed overeenkwam. Er was een grote verbondenheid, groter dan die ik met mijn vader ervoer. Ik herinner mij veel warmte. Ik ging haar op woensdagmiddag altijd afhalen aan de kliniek waar ze halftijds werkte, dat was een warm verpleegstersnest. Dan fietste ik met mijn moeder naar huis, in haar verpleegsterhesje en haar Birkenstocks. Ik zie dat nog altijd voor mij. En thuis aten wij boterhammen. Het gemak en de vlotheid waarmee ze mij heeft losgelaten, is ook heel positief. Ze was helemaal niet bezitterig.

Beeld Stefaan Temmerman

“Op mijn vijfentwintgste kreeg ik op mijn verjaardag een wasmachine. Een abnormaal duur cadeau. Maar ik besefte pas later: nu moet ik nog minder naar huis, want ik kan zelf mijn was doen. Alsof ze niet wilde dat ik naar huis kwam. Dat was natuurlijk niet zo, maar ze vond wel dat ik dat allemaal zelf moest doen. Dat is bijna raadselachtig. Het is altijd zo geweest.

“Ik ging op mijn vijftiende al platen draaien op de vrije radio. Daar werd niet over gediscussieerd. Ik deed dat, kwam heel laat thuis of moest vroeg weg. Zij dáchten er niet aan om mij met de auto weg te brengen. Ik ging in Beringen naar school en passeerde elke dag per fiets de mijn. Daar kwamen de ochtendputters, veel van hen nog helemaal zwart, naar boven. Klompen van mannen, die naar de houten barak trokken om bier te gaan drinken. Hijsen, eigenlijk. De walm van worsten, ook. Daar moest ik toeren voor uithalen om veilig voorbij te geraken. Daar werd thuis niet over gezeverd. Ik zag daar ook wel de romantiek van in, van dat drinken. Daarom doe ik dat ook zo graag.” (hilariteit)

Nicci Gerrard heeft een boek geschreven over haar vader en zijn alzheimer. Zij heeft er spijt van dat ze te weinig gedaan heeft voor hem. Ik herken dat wel. Hoe is dat bij jou?

“Ik heb hoogstens spijt van wat ruzies, maar dat is logisch, als je 53 jaar lang hetzelfde pad bewandelt. Ik herinner mij wel dat ons ma introvert en verdrietig was in de eerste fase van haar ziekte en dat ze dan vroeg: ‘Jongen, wat gaat er nu gebeuren?’ Elke verdere confrontatie leed tot verder verdriet, omdat ze onvermogend was om met de situatie om te gaan. Spijt is ook zo verschrikkelijk zinloos. Voor je het weet, hang je daar aan vast. Ik wist wat kon en niet kon. (stilte)

Ben je angstig geworden door wat je hebt meegemaakt?

“In de eerste fase wel. Maar nu heb ik veel meer: doe voort. Doe vóórt! Laat u nooit verleiden om dingen te doen die je niet wilt doen. Ik ben daar ook veel duidelijker over geworden. Ik hou niet van Kerstmis, dus ik ga ook niet mee naar een kerstfeest. Is dat duidelijk ? (lacht) Nú moet het gebeuren.”

Ik ken weinig mensen die dat zo doen zoals jullie.

“Ik heb ook geen kinderen. Dat is een enorm ingrijpende en bepalende keuze. Ik heb een ongelooflijke levenslust. Ik heb nog nooit een leeftijds­crisis gehad. Maar door de dood van mijn moeder vraag ik mij wel af: hoeveel jonger ben ik eigenlijk dan haar? Ik ben over 17 jaar 70! Wát? 70? 17 jaar is een peulschil. En dan ben je dus wel een oude mens, hè. Dus zeg ik: doe voort. We zijn bijna dood. Geniet ervan, doe wat ge moet doen, bevecht uw angst. Ik heb niet het grote verlangen om 90 te worden.”

Is dat niet omdat wij bij onze ouders gezien hebben dat dat ook heel krakkemikkig kan zijn? Als je in goede gezondheid 90 kunt worden, is dat toch een verschil? Oud-CVP-politicus Jan Verroken is 102 en zat tot vorig jaar nog op Twitter.

“Nog een veel groter probleem dan uw eigen gezondheid is dat ge te lang achter de coulissen van de dingen kijkt. Dat ge te veel ontstemd geraakt door de repetitiviteit van het kwade en de hopeloosheid van alles. Dat dringt nu nog niet door mijn pantser van postiviteit, maar ik kan mij voorstellen dat er een moment komt dat je het één keer te vaak lente hebt zien worden.

“Ik heb deze zomer, die prachtig was, heel dikwijls het gevoel had, en ik zei dat dan ook tegen Jana: dat is dankzij ons ma. Ik geloof niet, maar ik vind het wel heel plezierig om dát te geloven. Om te spelen dat je gelooft dat er een hemel is, waar ons moeder dan de hendel overhaalt. Waardoor de zon begint te schijnen. Zoals vorig jaar, op deze dag, om halfacht ’s morgens. De somberste winter in jaren. Moeder pas dood. Opeens, na al die weken, schijnt de zon boven de horizon. Verblindend. Bloedrood. Natúúrlijk heeft zij dat geregeld. (
lacht) Ik ben atheïst, tot mijn moeder de zon laat schijnen.

Marnix Peeters, ‘Zo donker buiten’, verschijnt op 20/2 bij Borgerhoff & Lamberigts, 104 p., 22,99 euro. Het boek is wel al in voorverkoop op de website van de uitgeverij: met de code ‘donker’ krijgt u bovendien 10 procent korting. Beeld RV

“Hoe saai is het leven als ge altijd dezelfde zijt? Vreselijk. Mensen kunnen dus ook niet uit aan de tweespalt tussen dit boek en mijn ander werk. Ze weten niet welke Marnix ze moeten geloven.”

Consequente mensen zijn de ergste mensen.

“Hoe saai moet het zijn als je maar één ding bent? Ik stem op de politicus die als eerste zegt: ik heb mij vergist. Gisteren op de Meir wilde een cameraploeg mij interviewen over kernenergie. Dat was snel gedaan. Daar weet ik niets van. Ik ben geen ingenieur. Ik weet ook niet of een tunnel of een brug beter was voor de Oosterweelverbinding. (lacht) Hoe meer ge weet, hoe meer ge beseft dat ge niets weet. Dat zeiden de oude Grieken al. Toch?” (lacht)

De boekvoorstelling vindt plaats op 25/2 in de Opera van Antwerpen. Tickets via billetto.nl/e/marnix-peeters-boekvoorstelling-Tickets-334225

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden