Zondag 18/08/2019

Connu/onbekend

De Waalse dichter die niemand in Vlaanderen kent: ‘Het maakt me triest dat beide landsdelen uit elkaar groeien’

Volgend jaar mag Carl Norac zich Dichter des Vaderlands noemen. ‘We moeten de beweging van de schrijvershand in ere herstellen.’ Beeld Wouter Van Vooren

Toonaangevend over de taalgrens. Maar in Vlaanderen kennen we hen nauwelijks. In deze nieuwe reeks kijken we over het muurtje en tillen we Waalse opinie- en spraakmakers op het voorplan. Vandaag: Carl Norac. 

Dichter des Vaderlands, zo heet het Belgisch kroontje dat Carl Norac vanaf januari 2020 mag opzetten. Maar de Waalse dichter en kinderboekenauteur houdt niet van poeha en protserigheid. ‘Poëzie ligt doodgewoon op straat. Ik breng ze naar de mensen.’

“Het was een tikje surrealistisch”, zegt Carl Norac met een lichte frons in het voorhoofd. “Na twintig jaar Frankrijk verhuisde ik onlangs naar Oostende. Precies op de dag van de verkiezingen. Eh oui, ik was in shock toen de resultaten binnenstroomden. Ik stond daar tussen al mijn verhuisdozen. Ontmoedigd en vol woede over de winst van extreemrechts. Maar een paar dagen later voelde ik de adrenaline alweer stromen. De energie en inspiratie waren terug.”

Norac wist wat hem te doen stond. “Ik ga de confrontatie aan”, klinkt het gedecideerd. “Vooral met de jongeren, die blijkbaar erg vatbaar zijn voor de lokroep van het Vlaams Belang. Ik deed het in Frankrijk, toen het Front National in sommige Zuid-Franse steden de plak zwaaide. Ik ging de boer op in scholen, vertelde over mijn multiculturele parabels en kinderboeken. En dat raakte een gevoelige snaar. Maar wees gerust, ik ben niet de Franstalige die de Vlamingen hier de les zal komen spellen. Het maakt me diep triest dat beide landsdelen zo uit elkaar groeien. Terwijl we met alle ecologische uitdagingen net méér zouden moeten samenwerken.”

De 58-jarige Norac slaat in zijn literaire werk voortdurend bruggen. Vooral tussen adolescenten en volwassenen. Als productief kinderboekenauteur en poëtische duivel-doet-al, met meer dan tachtig bundels op zijn naam, werd Norac driemaal bekroond door de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique. In Frankrijk mocht hij voor zijn oeuvre in 2009 de Grote Prijs van de Société des Gens de Lettres ophalen. Maar om het verzamelen van lauwerkransen gaat het hem niet in de letteren. “Ik hou van de poëzie van de straat. Daar gebeurt het, daar ligt ze voor het oprapen. Tussen de mensen. Het is geen schande dat poëzie toegankelijk is, integendeel.” Norac koestert ook de Belgitude: “Ik zie meer gelijkenissen dan verschillen tussen Walen en Vlamingen. Op buitenlandse literaire festivals kun je ons Belgen er zo uitpikken”, zegt hij. “We klitten en lachen samen. Onze vorm van humor is particulier Belgisch. De Fransen vinden ons vaak exotisch, ik spreek van ondervinding.”

“Ik zat al langer te broeden op een terugkeer naar België”, vertelt Norac op een Gents terras, terwijl hij de schuimkraag van een Omer-bier weghapt. “Nu mijn dochter van 20 in Frankrijk op eigen benen staat, wilde ik een nieuwe start maken. Terugkeren naar mijn geboortestad Mons, waar ik ooit cultureel ambassadeur was, voelde als ter plaatse trappelen. Vandaar dat de keuze op Oostende viel.” Hij vindt het “een mooi symbool” dat hij net op dat moment werd aangezocht als Dichter des Vaderlands. Ook omdat Norac zich meer dan ooit wil onderdompelen in de Vlaamse literatuur. “Ik had altijd een zwak voor Hugo Claus, maar ook voor Leonard Nolens. Ik wil ze nu eindelijk in hun eigen taal lezen. Mijn eerste aankoop bij boekhandel Corman in Oostende was een grammatica Frans-Nederlands.” 

Beeld Wouter Van Vooren

Vanaf Gedichtendag 2020 zal Norac, als opvolger van Els Moors, regelmatig actuele gedichten op de Belgen afvuren. “Niet de eretitel interesseert me. Wel de poorten die deze functie opent, om te reizen, mensen te ontmoeten. Een van mijn plannen is een Tour de Belgique met een boot, waarop we onderweg wekelijks dichters uit beide taalgebieden uitnodigen. Op een trage manier, typisch voor waterlopen. Ik wil ook choreografen aan het werk zetten met poëzie. Gedichten worden vaak op muziek gezet, maar waarom ook niet in een dansvoorstelling? Schrijven is iets fysieks. We moeten de beweging van de schrijvershand in ere herstellen. En waarom niet alle Belgische scholen een gedicht laten schrijven in de drie landstalen?”

Norac praat bevlogen én een beetje slepend, met een warme, gelooide stem. Hij houdt van het aardse, goede leven, dat merk je. “Ik cultiveer vooral mijn paradoxen. Neem nu Hugo Claus. Soms was hij zwart en humoristisch tegelijkertijd, dan weer erg literair, zeer brutaal en heel aards. Een grote meneer, vol politesse, ik bewaar bijzondere herinneringen aan onze optredens op Saint-Amour.” Nog een les van Norac: nooit je roots verraden. “Ik ben opgegroeid in Mons, in de cités. Vrijwel al mijn voorouders waren arbeiders, mijnwerkers of stratenleggers. Mijn vader, Pierre Coran, ook dichter, was de eerste die met het woord aan de slag ging. Hij schrijft nog altijd. (trots) Hij heeft net een nieuw boek uit en in Wallonië zijn er twee bibliotheken en scholen naar hem genoemd. Mijn moeder was rondreizende comédienne.” 

Vanaf zijn zevende ging Norac met zijn ouders in een woud wonen. “Ik was mijn vriendjes uit de cité kwijt. Maar toch bleek ik niet eenzaam of ongelukkig. Ik praatte met de bomen, ik verving mijn kameraden door woorden, geschiedenissen, fabeltjes... Daar is mijn verbeelding losgebrand. Het heeft me geleerd dat je kinderen los moet laten, hen niet mag formatteren.” Norac boekte trouwens massievere successen met zijn kinderboeken dan met zijn poëzie, die eerste nogal hermetisch was. Met Les mots doux (Lieve woordjes) had hij zelfs een Amerikaanse bestseller te pakken, en ook in het Nederlands versierde het boek twintig heruitgaven. “Iemand provoceerde me. ‘Kun jij wel een boek voor kinderen schrijven? Veel geluk met die poging.’ En zie! (lacht) Toch is de inspiratiebron voor poëzie of jeugdliteratuur dezelfde. Het is niet alsof je twee verschillende laden van je geest opentrekt.” 

Beeld Wouter Van Vooren

Norac toont zijn nieuwste boek, waarvoor hij veertig illustratoren om een prent verzocht: Je t’emmène au voyage. Reizen is die andere hoofdader van zijn auteurschap. “Ik schrijf nooit thuis, het liefst onderweg of op café. Als jonge dichter geloofde ik in de mythe van de hippie-schrijver en de Beat Generation. Ik trok naar Nepal en Tibet. Maar ter plekke had ik geen greintje inspiratie. Het landschap was te groot voor mijn woorden, de bergen té hoog (lacht). Tot ik tijdens de afdaling in een dorp een oude man ontmoette die me water gaf. De rimpels van zijn gezicht, dat bood prachtige stof voor een gedicht. Wat later kwam ik een vrouw tegen die boter in haar haar had gesmeerd. Mijn enige twee teksten waren gezichten én geen landschappen. Ik zei toch dat ik een dichter van de straat ben?” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden