Woensdag 08/07/2020

AchtergrondRough and Rowdy Ways

De song van Leonard Cohen kent u al, de docu toont u de vrouw erachter

Beeld Getty / Ken Regan

De geliefde folkzanger Bob Dylan werd op 24 mei in alle stilte 79 jaar oud. Hij verraste rond die tijd vriend en vijand met de mededeling dat er een nieuwe langspeelplaat op komst was met daarop zijn eerste nieuwe werk sinds 2012! Een soort van comeback dus. De plaat bevat tien songs, heet Rough and Rowdy Ways en verscheen wereldwijd op vrijdag 19 juni. Drie songs werden al vooraf gelost en goed bevonden. De andere zeven zijn ook geen stinkers. Straks meer daarover, maar eerst nog een geschiedenisles over wat Bob uitstak sinds zijn voorlaatste plaat Tempest.

Bob Dylan is gek. Tot die vaststelling kwam ik toen ik tijdens de kerstvakantie van eind 2009 via de U-Buis aan het kijken was naar het als een caféruzie opgevatte promotiefilmpje voor ‘Must Be Santa’, de eerste single van zijn verbazingwekkende vierendertigste lp Christmas in the Heart.

Er was toen – vooral in de Amerikaanse pers – wel wat te doen over de vraag of de joodse bard hier geen loopje nam met die toch diep in de Christelijke Waarden gedrenkte verhalen van rond de stal van Bethlehem. Maar er was ook verbazing toen bleek dat Bob – overigens allang herdoopt tot Christenmens – dat traditioneel repertoire met veel respect behandelde en er in een zeldzaam interview ook over zei dat die songs even goed van hem waren als van iemand anders. Dat wie een Amerikaanse jeugd heeft gehad sowieso en vanzelf geconfronteerd was geweest met ‘Winter Wonderland’, ‘Adeste Fideles’ of ‘The First Noel’ en dat hij altijd al van die liedjes gehouden had.

Eens de glühwein verteerd was, brak zowaar het tweede decennium van de 21ste eeuw aan. Om de fans warm te houden tot Dylan klaar was met nieuw werk daalden de archivarissen van Columbia Records alvast tot diep in hun kelders af om daarna weer op te duiken met mooie toevoegingen aan de eerbiedwaardige Bootleg Series. Op The Witmark Demos: 1962-1964 (2010) kun je bijvoorbeeld een jonge Dylan zijn melktanden horen stukbijten op zijn eigen songs, die hij in ijltempo op tape moest vastleggen op vraag van zijn toenmalige muziekuitgever.

Ook al uit 2010 stamt de box The Original Mono Recordings, waarin Dylans acht eerste studio-lp’s eindelijk weer te horen waren zoals zijn allereerste fans dat ooit deden: niet in dat duivelse stereo maar gewoon in glorieus mono. Ook interessant, en door vrijwel iedereen over het hoofd gezien, is de live-lp In Concert – Brandeis University 1963 (2011), een sobere captatie van een vroeg optreden van Dylan, voor een publiek dat hoorbaar bestond uit welopgevoede studenten. Dylans repertoire was die avond erg politiek en strijdlustig geladen. Zie ‘Masters of War’, ‘Talkin’ World War III Blues’ en een verstillende versie van het boerendrama ‘Ballad of Hollis Brown’. Bonus: een pedante studieprefect spreekt de college boys belerend toe. Om te lachen maar ook heel erg. Terwijl ik die rustige plaat nu nog eens aan het beluisteren ben, denk ik vooral: Dylan is niet gek.

DE STORM

Of toch wel? Twijfel sloeg weer toe nadat ik voor het eerst had kennisgemaakt met de video voor ‘Duquesne Whistle’, de eerste single uit Tempest (2012), wat dan weer de eerste lp met nieuwe Dylan-songs uit het nieuwe decennium was. Het geweldige kortfilmpje van Nash Edgerton dat daarbij hoort, begint heel romantisch, zelfs lieflijk, maar eindigt werkelijk snoeihard. Waarmee wellicht het sleutelwoord gevallen is voor deze plaat. Ze is hard en donker en peilt op de vele lange nummers naar het duistere waas dat in de hoofden van veel mensenkinderen rondhangt.

‘Pay in Blood’, ‘Narrow Way’, ‘Long and Wasted Years’: het zijn geen titels voor carnavalskrakers, de vertellingen die plaatsvinden binnen de titeltrack ‘Tempest’ of in een epische song als ‘Roll on John’ zijn dat evenmin. Dylan heeft het hier duidelijk over het derde bedrijf van zijn leven en dat van veel van zijn fans. Speculanten beweerden met bijna zekerheid dat dit zijn laatste plaat zou zijn omdat hij duidelijk de indruk gaf dat hij gezegd had wat hij wilde zeggen. Tempest zou het eindpunt zijn voor deze Bob. Was Shakespeare, toch ook een bard, niet gestopt ná The Tempest? ‘Mijn plaat heet anders!’, lachte Dylan de betweters weg.

Hij bleef intussen van hotelkamer naar hotelkamer verhuizen voor zijn Never Ending Tour en liet de archivarissen de vrije loop. Dat opzoekwerk veroorzaakte de afgelopen jaren een bijna ononderbroken stroom van zelden of nooit gehoord materiaal dat via talrijke cd’s, lp’s en boxsets met grote regelmaat op dylanologen en ook op normale fans werd losgelaten. Een beetje heavy voor het huishoudbudget, dat wel, maar vaak werkelijk de moeite waard, ook al omdat sommige items uit de Dylan-catalogus er een serieuze opwaardering door krijgen.

Zo ook het toch altijd al wat stiefmoederlijk behandelde lappendeken van een dubbel-lp Self Portrait (1970). Die kreeg er als Another Self Portrait (1969-1971), uit 2013 alweer, een nieuw en stralend extra leven bij. Er werd in het wat chaotische origineel gemixt, geschrapt, geknipt en geplakt dat het een lieve lust was, maar het resultaat staat nu toch maar mooi in een doosje te blinken: een heus fotoboek, en niet minder dan vier cd’s waarop zowel het oude als het nieuwe verbeterde Self Portrait te horen zijn, plus het hele en legendarische concert dat Dylan & The Band gaven op het Isle of Wight, in 1970. Hetzelfde eminente gezelschap is ook te horen op The Basement Tapes Raw (2014), waarbij we de in 1967 schijnbaar achteloos opgenomen zangstonden van de meester en zijn groep, in de kelder van zijn grote roze huis in Woodstock, New York, voor het eerst kunnen horen zoals ze toen écht klonken.

Ook meer dan de moeite: de soortgelijke geschenkdoos met daarin de gereviseerde en geannoteerde versie van het door niemand betwiste meesterwerk Blood on the Tracks. Deze box heet More Blood, More Tracks. Een boek erbij (in de luxe-editie, toch) en niet minder dan zes cd’s waarop je zoveel versies van ‘Tangled up in Blue’ of ‘If You See Her, Say Hello’ kunt consumeren als je geest maar kan verdragen. Niet voor Dylan-leken dus, zelfs voor fans een harde zit. Maar natuurlijk wel een boeiend inzicht in de factuur van een meesterwerk. Hetzelfde geldt voor Bob Dylan 1965-1966: The Cutting Edge, een overvolle pot demo’s, outtakes en andere rariteiten. En dan zwijg ik nog over de verzamelde gospelconcerten, of over de dankzij Martin Scorseses documentaire vrijgegeven Rolling Thunder Revue-archieven. Men kan hier met reden spreken over een zekere overvloed.

Ook met redelijk stille trom ter wereld gekomen, vorig jaar: Travelin’ Thru. Vier cd’s en een booklet waarin Cowboy Bob terugkijkt op zijn Nashville-jaren, op het geweldige John Wesley Harding en zijn prettige samenwerkingen met Johnny Cash en Earl Scruggs.

Over naar donderdag 13 oktober 2016. Ik bevond mij rond het middaguur samen met een goede vriend in de Brusselse herberg Monk. We dronken er een bord soep en we aten er een stuk brood bij. Toen zette de verrukkelijke vrouw achter de bar – ze heette Minnie, die keer – de muziek plotseling van ‘gewoon luid’ naar ‘keihard’. ‘Like a Rolling Stone’ weerklonk door het café en de song had evenveel impact op me als die keer toen ik ’m voor het eerst hoorde, een halve eeuw eerder. Ik duimde dankbaar naar de bar. En toen werd mijn vriend zo goed als wild. Hij had net zo’n polshorloge gekocht waarop je het nieuws kunt lezen en hij brulde boven Bobs ‘How does it feel?’ uit: ‘Dylan heeft de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen!’

NOBEL

Ik was daar blij mee, de laureaat wellicht ook – al liet hij dat niet meteen blijken. Kleinzerige monumenten uit het kamp van de binnen- en buitenlandse letterkunde reageerden dom en furieus. Iemand van buiten de club was met de prijs gaan lopen waarvan al die monumenten droomden. Ze verklaarden de Zweedse Academie gek.

Ik vond de Academici eerder wijs, omdat ze met hun keuze eer brachten aan de orale vorm van vertellen waarmee troubadours, volkszangers en minnestrelen al sedert de donkerste tijden het woord verspreiden. De Nobelprijs werd zo ook een hoogste vorm van waardering voor het ambt van de songschrijver: de man of vrouw die met enkele strofen en een refrein verhalen kan vertellen die even hard en levenslang zullen beklijven als sommige romans van zevenhonderd bladzijden. In de motivering van het Nobelcomité staat ook dat Bob de prijs krijgt ‘for having created new poetic expressions within the great American song tradition’. Dat is geen loze zin. En nu ik hem zo zie staan, is die frase misschien ook wel een verklaring voor waarom Dylan zich in de tweede helft van het vorige decennium zo intensief is gaan bezighouden met de studie en de praktijk van het Great American Songbook.

Robert Zimmerman (echte naam) laat zich van zijn meest boekvriendelijke kant zien. Maar als er een rijm nodig is voor Indiana Jones wordt dat simpelweg geleverd door de Stones.

Aanwezigheid bij de uitreiking van de Nobelprijs is voor de laureaat in kwestie geen verplichting. Maar het aanleveren van een gepaste toespraak is dat wel. En dus schreef Dylan met min of meer plezier een korte tekst die uitlegt waarom hij volgens hem die literaire hoogste eer toch wel verdient. Hij slaat zichzelf daarbij niet op de borst, maar brengt vooral hulde aan het Gild van de Liedjesschrijvers. Zijn voorgangers, met andere woorden, en tijdgenoten en opvolgers. In het door Simon & Schuster uitgegeven flinterdunne maar fraai verzorgde boekje The Nobel Lecture kan wie dat wil eens haarfijn nalezen hoe de bekroonde Bob zijn bekroning ervoer.

Hij begint met voor de geachte leden van de Zweedse Academie zijn liefde voor Buddy Holly te beschrijven. Hoe hij echt van alles hield bij die man: van zijn stem, zijn songs, zijn gitaarspel, zijn strakke pakken. En hoe hij tijdens de winter van 1959 een optreden van Holly had meegemaakt, waarvoor hij meer dan honderd mijl door de sneeuw had moeten ploegen. Hij was niet ontgoocheld toen, schrijft hij, en er gebeurde ook iets heel speciaals. Op een bepaald moment keek Holly hem recht in de ogen en toen sprong er een vonk van Buddy naar Bob. ‘Een overdracht’, zegt die laatste daarover.

Drie dagen later stortte Buddy’s vliegtuig neer. Drie jaar daarna verscheen Dylans eerste lp. In zijn Nobelprijstoespraak gaat de gelauwerde ook nog in op hoe teksten van Homeros, Cervantes, Melville, Dickens en Shakespeare sinds lang diep in hem huizen, hoe zijn huiver voor de oorlog vorm gekregen heeft na het lezen van Erich Maria Remarques pacifistische meesterwerk ‘Im Westen nichts Neues’.

Tot slot maakt Bob via levenslange vriendin en nu briefdraagster Patti Smith de op het rooster getelde aanwezigen ook nog duidelijk dat hij geen dichter is. Dat hij woorden schrijft die niet dienen om gelezen maar wel om gezongen te worden. Dat hij dus ook liefst heeft dat mensen, als ze hem willen kennen, eens naar een concert komen of een plaatje opzetten.

ROUGH AND ROWDY

Wat hij werkelijk wilde zeggen in die aanvaardingsspeech wordt mij pas echt duidelijk terwijl ik Dylans versgebakken 39ste studio-lp Rough and Rowdy Ways probeer te ontrafelen. Ik piekerde er al even over wat de titel van één van de vooraf vrijgegeven songs, ‘I Contain Multitudes’, nu eigenlijk wilde zeggen en hoe je die zin het best zou kunnen vertalen. Met letterlijkheid kom je in zo’n geval nergens, natuurlijk: ‘Ik bevat veelheden’ klinkt écht niet en is ook betekenisloos. Iets breder interpreterend kwam ik dan uit bij ‘Ik ben een menigte’, en daar kon ik zeker vrede mee nemen. Want dat gevoel zal Dylan meer dan wie ook kennen: dat er in dat ene kleine mannetje talrijke andere schuilen. En dat die beslist niet allemaal gek zijn.

De cover van de nieuwe plaat is alvast veelbelovend. De ingekleurde hoesfoto van de bejaarde Britse Magnumfotograaf Ian Berry toont een beeld van een mens die tegen een jukebox aanleunt en een zwart koppel dat de zaterdagavondblues van zich af danst in een allang verdwenen keet in de Londense wijk Whitechapel.

De ingekleurde hoesfoto toont een zwart koppel dat de zaterdagavondblues van zich af danst. Ze verdoen hun vrije uren in rough and rowdy ways.Beeld RV

Ze hebben een goede tijd, dat zie je, en ze verdoen hun vrije uren in rough and rowdy ways. Dylan zelf klinkt minder zorgeloos. Op ‘Murder Most Foul’, ‘I Contain Multitudes’ en ‘False Prophet’, de songs die ons dus al tijdens de lockdown bereikten, spreekt hij zijn donkerste ik aan. De eerstgenoemde song is een parlando gebrachte vertelling waarin Dylan met de moord op JFK als raamwerk alweer terugkijkt op zijn leven. Luidop mijmerend dropt hij namen van illustere collega’s, citeert hij flarden van songs die hem levenslang begeleid hebben en samplet hij uitspraken van de populaire president Kennedy, de man wiens hersenen uit zijn hoofd geknald werden door de enigszins verwarde communist Lee Harvey Oswald, een gewone bediende in het schoolboekendepot van Dallas, Texas, maar ook de dader die zeer wellicht verantwoordelijk was voor een murder most foul.

In Dylans betreffende liedje (nou, ‘liedje’, het duurt een stevig kwartier!) zou je over een soort lamento kunnen spreken, een haperende, trage klaagzang die begint in schijnbare stilte en uiteindelijk ophoudt in een bad van piano, viool en zachte drum. De tweede – en objectief wellicht betere – vooraf geloste song heet dus ‘I Contain Multitudes’ en blijkt zelfs radiovriendelijk te zijn. Het is ook al een stuk belijdenislyriek waarop de artiste-compositeur Robert Zimmerman zich van zijn meest boekvriendelijke kant laat zien. Walt Whitman en Edgar Allan Poe, Anne Frank en William Blake krijgen er ieder hun plek, maar als er een rijm nodig is voor Indiana Jones wordt dat toch simpelweg geleverd door The Rolling Stones.

‘Ik ben een menigte’, welja. ‘Alles wat ik ooit gehoord, gezien en gezegd heb, woont in mij,’ zegt Bob. En Bob is niet gek.

Hij wil de wereld laten weten, nu hij straks 80 wordt, dat hij niets uitgevonden heeft. Dat zangers eigenlijk doorgeefluiken zijn die het moois wat geweest is moeten verbinden met wat nog gaat komen. Maar behoorlijk somber ook, deze ‘Multitudes’. Of vindt u ‘I sleep with life and death in the same bed’ een vrolijke zin?

Het derde proevertje dat Lockdown Bob ons nog in coronatijd serveerde, was ‘False Prophet’. Muzikaal is het hier no-nonsense blues geblazen, overigens gul geleend van ‘Loving Is Believing’ van de oude Sun-stalknecht Billy ‘The Kid’ Henderson. Het ritme is opgewekter hier, de stem heeft meer kleur, maar de woorden blijven gitzwart. De ik-persoon zwaait er dood en verderf en zegt dat hij misschien van alles is, maar zeker geen valse profeet. Dat hij niet per se geloofd moet worden, maar dat hij toch wel ‘said what he said’, alsook dat hij ‘can’t remember when I was born / and I forgot when I died’. Met andere woorden: ik ben gewoon ‘the song and dance man’ die ik altijd en alleen maar wilde zijn. Een sterk moment.

Tussen de zeven andere nieuwe nummers op deze Rough and Rowdy Ways zitten overigens helemaal geen stinkers, maar integendeel geheid een aantal hoogtepunten. Ik had meteen mijn oude jongenshart verpand aan ‘Goodbye, Jimmy Reed’. Dat is een stevige, uptempo gebrachte hommage aan de gelijknamige bluesgitarist en zanger die van de grootste invloed was op Britse bad boys als The Rolling Stones en The Animals, maar die Elvis zelve ook nog een flinke hit toeschoof in de gedaante van ‘Big Boss Man’. Ook het op bijna militaire draf gebrachte ‘Crossing The Rubicon’ blijft bij. Helemaal anders, maar zeker even prachtig is ‘My Own Version of You’. Een schaamteloos liefdeslied, vermomd als een trage wals met een vleug ‘Danse macabre’ erin en wat beroemde woorden van Hamlet.

Ook uit een donker bos ontsnapt is de ‘Black Rider’, van de gelijknamige nieuwe song. Is hij de door God gezonden Dood die van Elckerlyck te horen krijgt dat hij te vroeg is op het rendez-vous?

Een andere titel, ‘I’ve Made up My Mind to Give Myself to You’, bevat ooh-ooh’s en een zomersfeer, maar baadt ook wat in de gospel, zodat men zich kan afvragen of de ‘you’ in kwestie een mademoiselle dan wel de Allerhoogste is.

Dylan zal het wel weten.

Hij is ondertussen 79 en nog zeker niet gek.

‘Rough and Rowdy Ways’ is uit bij Columbia Records.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234