Donderdag 21/11/2019

Beeldende kunst

De privémecenas: steeds meer rijken beginnen eigen museum

Eva Hesse (1936 1970). Zonder titel, (1969 1970). Aangekocht voor het Whitney Museum of American Art, New York met fondsen van Eli and Edythe L. Broad. Beeld Estate of Eva Hesse; courtesy Hauser & Wirth.

In de kunstwereld is een stille revolutie aan de gang: kapitaalkrachtige particulieren richten hun eigen museum op. Wie zijn zij? En wat zijn hun motieven?

Ze hebben het geld, de spraakmakende kunst en het door een toparchitect ontworpen museum. Wereldwijd openden in de afgelopen tien jaar meer dan 150 particuliere musea voor moderne en hedendaagse kunst, zonder financiële steun van een overheid. Ze hebben geen winstoogmerk, een belangwekkende collectie en wisselende tentoonstellingen voor het algemene publiek. Hun budgetten lopen uiteen van enkele miljoenen tot meer dan een miljard euro voor gebouw, inhoud en medewerkers. Dat blijkt uit een onderzoek van de Volkskrant, waarvoor werd gesproken met onder anderen stichters van private musea, kenners van de museumwereld en kunsthandelaren.

In het verleden schonken vermogende kunstliefhebbers hun kunstwerken of geld vaak aan een publiek museum. Nu richt een aantal van hen een eigen museum op. De ontwikkeling valt samen met de groei van het aantal megavermogenden in de wereld, van multimiljonairs tot miljardairs. Ook een aantal internationale ondernemingen opent een museum.

Private kunsthuizen

De opmars van de private kunsthuizen beleeft komende week een voorlopig hoogtepunt op kunstbeurs Art15 in Londen, met de oprichting van een eigen museumnetwerk. De World Private Museum Association, met leden van Sjanghai tot Miami, wil de kunstwerken en tentoonstellingen van haar leden laten rouleren over alle continenten.

"De 20ste eeuw was de eeuw van het publieke museum voor de kunst, de 21ste eeuw is de eeuw van het particuliere museum", zegt Philip Dodd, initiatiefnemer van de Association en cultureel adviseur. "In het Westen blijven we maar denken dat het model van het publieke museum zich over de wereld zal verspreiden, als vanzelfsprekende vorm van beschaving. Maar zelfs in Europa verandert de scene nu snel. De private sector veroorzaakt de dynamiek."

Het particuliere museum is geen nieuw fenomeen. Veel publieke musea zijn ooit gesticht door particulieren. In de loop van de 20ste eeuw trok de overheid de rol van hoeder van de kunst steeds meer naar zich toe. Bezuinigingen op museumsubsidies in veel landen vallen nu samen met de nieuwe golf van particulier initiatief.

Samenwerkingsverbanden

De publieke musea lijken nog te moeten wennen aan de nieuwe verhoudingen in de kunstwereld. Toch komen hier en daar al publiek-private samenwerkingsverbanden van de grond. Bij de 'publieken' werd doorgaans met enig wantrouwen of minachting gesproken over de private initiatieven, zeggen betrokkenen bij de particuliere musea. De 'privaten' zouden geen lang leven zijn beschoren of 'museumpje' willen spelen. Die houding is aan het kenteren.

Ook lijken particuliere musea zich vooralsnog goed staande te houden. Vaak hebben ze een flink kapitaal meegekregen om ook na het overlijden van de oprichter te blijven bestaan, zoals de Amerikaanse Menil Collection (geopend in 1987) en het Zwitserse Fondation Beyeler (1997).

Ze zijn dan ook niet van de minsten, die privémuseumeigenaars. Wat ze gemeen hebben, is uiteraard hun financiële rijkdom. Maar in wat hen drijft, verschillen ze van elkaar. Wij identificeren hier de vier voornaamste types.

1. De ondernemer op leeftijd

Maak je fortuin en begin een museum. De Amerikaanse self-made ondernemer Eli Broad (81) verdiende miljarden met bedrijven in de huizenbouw, levensverzekeringen en pensioenbeleggingen. Hij gaf al meer dan een miljard euro aan kunst- en muziekinstellingen in de VS. De immigrantenzoon wil zo 'iets teruggeven aan de maatschappij'.

Eind september opent zijn museum The Broad in Los Angeles: een gebouw van 125 miljoen euro, 11.000 vierkante meter en met zo'n 2000 werken van kunstenaars als Jeff Koons en Cindy Sherman. The Broad zal gratis toegankelijk zijn en wordt op die manier een geduchte concurrent voor de publieke musea in Los Angeles.

Andere voorbeelden van ondernemers met een museum zijn de Braziliaanse mijnbouwmagnaat Bernardo Paz (64) en zijn museum Inhotim, en de Indonesische tabaktycoon Oei Hong Djien met zijn OHD Museum in Magelang op Java.

Eli Broad (81) in het Museum of Contemporary Art (MOCA). Beeld BELGA

2. De imagobouwer

Ieder museum is imago, maar voor sommige oprichters meer dan voor anderen. Staalmagnaat Victor Pinchuck (54) begon zijn Art Centre in Kiev in Oekraïne in 2006 op advies van een Franse pr-firma, zo meldden anonieme bronnen aan een aantal kranten. Zijn schoonvader Leonid Kuchma, oud-president, wordt achtervolgd door geruchten over betrokkenheid bij moord, intimidatie en fraude. Een rol als kunstmecenas zou de wind doen keren.

Het kunstmecenaat houdt niet iedereen uit de problemen. De Zwitser Stephan Schmidheiny (67) nam van zijn vader Eternit over. In 2013 opende de familie museum Casa Daro in een voormalig weeshuis in Rio de Janeiro (een project van 30 miljoen euro). Schmidheiny was toen al verwikkeld in een proces wegens nalatig bestuur bij de asbestfabriek van Eternit. Hij werd veroordeeld tot een celstraf van 18 jaar, maar hoeft de straf niet uit te zitten. Vorige week werd bekend dat Casa Daros de deuren sluit en 'een nieuwe koers gaat varen'.

Voetgangers wandelen langs het Broad Museum in Los Angeles. Beeld AP

3. De erfgenaam

Erfgenamen van grote vermogens zijn ruim vertegenwoordigd onder de stichters van een particulier museum. Julia Stoschek (39), gewezen paardrijkampioene én achterkleindochter van de oprichter van auto-onderdelenfabrikant Brose, heeft haar museum Julia Stoschek Collection voor hedendaagse kunst gevestigd in oud-fabrieksgebouw in Düsseldorf. Ze zit ook in besturen van onder meer de musea Tate Londen en MoMA New York.

Even internationaal is de Zwitserse Maja Hoffmann, een van de erfgenamen van het farmaceuticaconcern Hoffmann-La Roche. Zij bouwt het LUMA Arts Centre in het Franse Arles, een soort cultureel dorp met een hoofdgebouw van architect Frank Gehry.

In Mexico City ging twee jaar geleden Museo Jumex open, van Eugenio Lopéz Alsonso, erfgenaam van Jumex, de grootste sapfabrikant van Mexico. Het opvallende gebouw, ontworpen door David Chipperfield, zou ruim 40 miljoen euro hebben gekost.

4. Het luxeconcern

Een aparte afdeling van de bedrijfsmusea zijn de fabrikanten van luxe artikelen als mode, parfums en horloges. Prada opende in Milaan net een museum in een oude fabriek, deels bekleed met 24-karaats bladgoud. Bernard Arnault (65), eigenaar van de groep LVMH, opende in Parijs het Museum Louis Vuitton, in een gebouw van architect Frank Gehry. Zijn grote concurrent, François Pinault (78) van Kering, opende dan weer twéé musea in Venetië.

Terwijl andere bedrijven hun musea betitelen als vorm van maatschappelijke verantwoordelijkheid, relatiemarketing of als hobby van de grootaandeelhouder, lijkt dat bij de luxemerken anders. Zij verbinden hun producten graag met de hogere kunsten, als kostbare, maar kennelijk lonende reclamecampagne. De bouw van zijn museum kostte Arnault circa 100 miljoen euro, de kunst enkele honderden miljoenen (omzet LVMH in 2013: 29 miljard euro). Die investering kan ook de herinnering doen vervagen aan de negatieve publiciteit over zijn zakelijke tactieken.

De voorzitter van het Franse luxeconcern LVMH Bernard Arnault met zijn dochter Delphine. Beeld AFP
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234