Zondag 27/11/2022

InterviewJan Delvaux

De onverwachte link tussen Will Tura en Daft Punk en andere bijzondere belpopverhalen uit nieuw boek ‘De dikke Delvaux’

Will Tura Beeld BELGA
Will TuraBeeld BELGA

Belpopkenner Jan Delvaux graaft al dertien jaar in de vaderlandse popmuziek, op zoek naar straffe verhalen. Maar ook na zijn nieuwe boek ‘De Dikke Delvaux’, goed voor ruim vijfhonderd bladzijden, is hij nog niet uitverteld. ‘Ik heb kennis door te geven: de helft van de mensen in mijn boek is immers al dood.’

Jasper Van Loy

“Tegenover mij zit een Belgische muziekencyclopedie”, zegt Radio 1-presentator Wouter Mattelin in oktober 2009, wanneer hij voor de eerste keer Jan Delvaux ontvangt in zijn programma Allez Allez om een verhaal te vertellen over Mambo Chillum, de legendarische rootsgroep met onder meer ex-dEUS-gitarist Bruno De Groote in de rangen die erin slaagde om te splitten voor haar eerste plaat uitkwam. De bedoeling is dat Delvaux, dan al gepokt en gemazeld als redacteur bij onder meer Studio Brussel, elke week een verhaal uit de Belgische muziekwereld komt vertellen.

Dertien jaar later is Allez Allez omgedoopt tot Belpop en wordt het programma geleid door Floris Daelemans, maar Delvaux vertelt zijn wekelijkse kroniekjes nog steeds. De eerste vijfhonderd zijn nu gebundeld in een joekel van een boek dat dezelfde titel draagt als de radiorubriek, De dikke Delvaux. Voor de auteur is het zijn twaalfde papieren titel naast de theatershows, quizzen, wandelingen, fietstochten, verzamel-cd’s en bordspel dat hij rond de belpop creëerde, bijna altijd samen met dj Jimmy Dewit. Die vergelijkt zijn compagnon in het nawoord van De dikke Delvaux met een computer: “Doorklikken van het ene onderwerp naar het andere, snelle verwerking van gegevens, metadata met elkaar matchen […]: het bestond allemaal al jarenlang in de hersenpan van Jan.” Zelf ziet Delvaux zijn brein als een tiramisu: “Allemaal lagen die in elkaar overvloeien.” Zijn fans weten intussen wat er op de bodem van de schaal ligt: een dikke laag Will Tura.

Belpopkenner Jan Delvaux. Beeld KREW
Belpopkenner Jan Delvaux.Beeld KREW

Het grootste verhaal

Het zesde stukje in het boek is met voorsprong Delvauxs bekendste vondst: de link tussen Will Tura en Daft Punk. Tura’s manager Jean Kluger schreef namelijk nummers met Daniel Bangalter, de vader van Daft Punks Thomas Bangalter. De kleine Thomas ging in 1994 naar Tura kijken in Vorst Nationaal, drie jaar later stond Tura in de AB om het repeterende Daft Punk te bewonderen. Bangalter spreekt Tura nog steeds aan als ‘oncle Arthur’.

Delvaux noemt de keizer van het Vlaamse lied wel vaker, in totaal zo’n honderd keer op dik vijfhonderd bladzijden: als de enige artiest voor wie Urbanus ooit een nummer schreef (‘Het meisje met de bloemen’), de eerste Belg die Vorst Nationaal uitverkocht, de man die Raymond van het Groenewoud als pianist aanprees bij Johan Verminnen en de componist van ‘Tender Passion’, een wereldhit voor de Italiaanse ster Caterina Valente.

“Jimmy en ik zijn niet de allergrootste kenners van zijn oeuvre, maar je kan wel met eender welke Vlaming een uur praten over Will Tura. Zijn belang is niet te onderschatten, in zijn nummers kun je de hele sociale geschiedenis van Vlaanderen horen. Het straffe is dat hij het heeft volgehouden. Niemand geloofde in de jaren 60 dat je na je dertigste nog popmuziek kon maken. Toen een boel Vlaamse rockers hem coverden voor de Turalura-plaat, was hij vijftig en een oud monument dat vanonder het stof moest worden gehaald. Nu zijn Tom Barman, Mauro Pawlowski en Stephen Dewaele vijftig, toch geen mannen die je uit de vergetelheid moet halen.

“Nog een kleine anekdote: Tura en zijn vrouw Jenny zijn ooit komen kijken naar de show die we over hem hebben gemaakt. De voorstelling begon met een filmpje, maar we kregen het niet gestart. Jimmy blijft kalm en loopt het podium op om zijn USB-stick er opnieuw in te steken. Beetje gênant, maar niemand had het gezien, omdat net op dat moment Tura de zaal binnenkwam: alle hoofden in één keer naar achter.”

Het heiligegraalverhaal

De link met Daft Punk was voor Delvaux de opstap naar eindeloos veel verhalen over Jean Kluger, zijn broer Roland en zijn vader Jacques, samen een geslacht van invloedrijke muziekuitgevers. Naast Tura hadden ze ook Louis Neefs, Marva, Johan Verminnen en orgelman André Brasseur in huis. Internationaal zijn ze de mannen achter Ottawan, La Compagnie créole en Que sera mi vida van de Gibson Brothers. De tekst van dat nummer is trouwens geschreven door Nelly Byl, vaste woordsmid van Will Tura. Het is, raar maar waar, een afscheidsbrief aan haar overleden dochter: “Que sera mi vida / How I’m gonna live without your love / If ever you should go”.

“Telkens als ik Jean zie, geeft hij mij een kleine hint om weer een nieuw verhaal uit te pluizen”, vertelt Delvaux. “Want er zijn nog veel losse eindjes.” Eén daarvan is Studio Madeleine in Brussel, de plek waar de Klugers het meest werkten. Ze is al jaren afgebroken, wat het voor Delvaux zowat de heilige graal van de belpop maakt. “Er zijn nauwelijks foto’s van bewaard, terwijl daar zoveel gebeurde. Dan Lacksman van Telex kwam ernaartoe met zijn eerste synthesizers, Raymond en Tura namen er op, je had de Portugese broers Jess & James met hun grote hit ‘Move’... Die werden allemaal begeleid door getalenteerde sessiemuzikanten die de hele tijd in elkaars groepen opdoken. Een beetje zoals The Wrecking Crew, die in de jaren 60 en 70 alle Amerikaanse hits inspeelde. Ik meen het: mocht de Madeleine in Amerika hebben gestaan, dan was er al lang een film over gemaakt.”

Heel wat verhalen zijn om andere redenen niet meer te checken. Omdat de betrokkenen in kennelijke toestand waren op het moment van de feiten of intussen al overleden zijn. “Ik was onthutst toen ik vaststelde dat de helft van de mensen in De dikke Delvaux dood zijn. Van The Cousins, de groep achter ‘Kili-Watch’, leeft niemand meer. Ik kan hen dus niet meer vragen of het waar is dat de bassist de andere bandleden heeft opgelicht bij Sabam. Als het al zo moeilijk is om iets van zestig jaar geleden uit te pluizen, kun je je afvragen hoe correct ons idee is over het Romeinse Rijk of de Franse Revolutie.”

Het triestigste verhaal

De geschiedenis wordt geschreven door de winnaars, maar in zijn zoektocht naar mooie verhalen rehabiliteert Delvaux ook af en toe een verliezer. Figuren als Bob Rocky, die zonder het te weten de eerste Vlaamse rocker was en ‘’t Is over’ zong met een Engelse r. Of Monja, een huisvrouw uit Ninove wier singeltjes in eigen beheer zowat de definitie van goed fout zijn. Of Kor Van der Goten, de chansonnier die als eerste op televisie kwam maar ten onder ging aan de drank. “Jef Elbers, de Vlaamse activist die onlangs nog in een Lidl het koffierek omschopte, was ooit een gerespecteerd zanger”, vertelt Delvaux. “Er zit genoeg materiaal in de Belgische pop dat de rand van de marginaliteit opzoekt, maar ik probeer daar altijd voorzichtig mee te zijn. Alles heeft zijn waarde, vind ik, en als je die benoemt, krijg je mooie reacties. Telkens als ik iets met Louis Neefs doe, komt zijn familie me bedanken omdat ik zijn erfenis in leven houd.”

“Het klinkt cru, maar de verhalen die er de laatste jaren bij komen, zijn minder spectaculair omdat er minder miserie is in de belpop. Tot een jaar of dertig geleden kon bijna niemand in België leven van zijn muziek en dus deed iedereen maar wat in de veronderstelling dat er toch niemand luisterde.”

Het vrolijkste verhaal

“The Bowling Balls zijn in mijn ogen de meest Belgische groep ooit, alleen al omdat het verhaal begint met een strip”, grijnst Delvaux. “Tekenaar Fred Jannin bedenkt in 1977 een vervolgverhaal voor het Franstalige stripblad Spirou over de rockband The Bowling Balls. Om de verkoop aan te zwengelen, wil de hoofdredactie er een singeltje bij steken. Daarvoor worden The Bowling Balls een echte band met Fred Jannin als frontman en scenarist Thierry Culliford als drummer. Ze kunnen geen muziek spelen, maar scoren wel een hit en moeten die overal gaan playbacken. Van daaruit komt Jannin overal terecht: hij produceert het eerste Belgische punkplaatje voor de band Chainsaw en maakt muziek met Dan Lacksman van elektropopgroep Telex. Thierry duikt op in een videoclip van The Bowling Balls met een wit jasje en een blauwe broek. Een verwijzing naar zijn vader Pierre Culliford alias Peyo, de geestelijke vader van De Smurfen. Goed gesmurft, denk ik dan.”

De beste onbekende plaat

Delvaux spit niet alleen kleine verhalen over grote meneren en mevrouwen naar boven, maar zingt ook de lof over groepen en platen die tussen de bladzijden van de geschiedenis zijn gevallen. Insekt bijvoorbeeld, een industrialgroep die in het inspiratielijstje van Brian Eno stond toen hij Achtung Baby van U2 produceerde, of Make Love van De Grabbeltons, een nummer dat één keer werd gedraaid in het programma van Jos Ghysen en nu wereldwijd wordt gezocht door verzamelaars.

“Zelfs ik krijg bij leven niet alle Belgische muziek beluisterd die ooit is uitgebracht, zoveel is er gemaakt”, zegt Delvaux. “Veel daarvan is niet gemaakt voor de radio of de roem, maar omdat de maker ervan een ei te leggen had. Zo ben ik zelf een grote fan van I’m Seeking Something That Has Already Found Me, de debuutplaat van Ozark Henry. Die zit klanktechnisch zo goed in elkaar dat je schrik krijgt van die muziek als je er met een hoofdtelefoon naar luistert. Nul succes in het commerciële circuit, maar Piet Goddaer kreeg er wel complimenten voor van David Bowie.”

Het onverwachte verhaal

“Hij weet meer over de Belgische popmuziek dan Wikipedia”, liet Bart Peeters zich ooit ontvallen over Jan Delvaux, maar zelfs dan nog wordt de tiramisu nog af en toe grondig door elkaar geschud. “De meeste mensen kennen K.I.A. nog, de Aarschotse rapgroep van ‘Zaterdag’. Dat frontman Cliff Vrancken al jaren voor de VRT werkt als muziekredacteur, is ook geen groot geheim, daar ken ik hem ook van. Maar dan nog was ik verbaasd toen ik ontdekte dat hij veel nummers voor De Romeo’s schrijft. De verklaring is simpel: Davy Gilles is zijn neef. Straffer nog, hun vaders zaten samen in een van dé balorkesten in het Leuvense en hebben het supporterslied geschreven van Stade Leuven, dat vandaag is opgegaan in OH Leuven. Jimmy is afkomstig van Leuven, heeft dat lied duizenden keren gezongen en wist van niks. Voor mij is dat heimatliteratuur, pure Felix Timmermans.”

Het laatste verhaal

Delvaux krijgt vaak de vraag of hij nog niet bijna uitverteld is over zestig jaar popmuziek op de surrealistische legpuzzel tussen Nederland, Frankrijk en Duitsland. “Nog niet bijna”, is zijn antwoord. “Ik ben nu aan iets aan het werken over onze impact op de Turkse muziekscene. Over wat onze jazzmuzikanten hebben betekend in het koloniale Congo heb ik ook nog wat te vertellen. En eigenlijk droom ik nog van een volwaardig naslagwerk over de Belgische muziek. Geen losse verhalen, maar alle feiten chronologisch op een rij.”

“Hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat ik kennis heb door te geven. We zijn dingen aan het kwijtraken. Niet alleen mensen, maar ook foto’s, opnames en artefacten. De affiches van de tweede en derde Rock Werchter heb ik pas na lang zoeken teruggevonden in een witloofkot. Het knipselarchief van Ferre Grignard ligt bij mij thuis, omdat Humo er geen plaats meer voor had in zijn eigen gebouw. Zo ligt alles steeds meer verspreid, er is niet zoiets als een nationaal poparchief. Ik hou alvast alle boeken bij die over de Belgische muziek verschenen zijn om ze ooit aan een bibliotheek te schenken.”

Maar zolang de mot er niet in kruipt, blijft het hoofd van Jan Delvaux het beste belpoparchief. Eén anekdote nog ter illustratie. “Ik ben al een tijdje bezig met een boek over de popmuziek in Hasselt. Amper was ik begonnen met mijn research of ik ontdekte dat Robert Bylois een Hasselaar is. De eerste impresario van ons land! De man die Adamo, Ann Christy en Marva heeft ontdekt! De man die Nicole van Hugo op het podium heeft gezet! Die Robert dus, die had een hotel tegenover het stadhuis en daarna is dat jeugdcafé de Teeny geworden. Niemand in Hasselt kent die naam nog, maar in de jaren 60 en 70 was dat een plek waar je Status Quo kon zien spelen. In diezelfde Teeny maakte Jan Cabooter een tijdschrift en dat is dan weer de man die een van de meest gezochte Belgische punkplaten heeft geproducet, namelijk die van P.I.G.Z., een afkorting voor Punk Is Grote Zever. Die hadden het voorprogramma van de Sex Pistols moeten spelen, maar helaas zijn de Pistols vlak voor het concert gesplit. En dan vragen ze aan mij of ik rond ben met de belpop.”

Jan Delvaux, De dikke Delvaux, uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, 512 p., 49,99 euro.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234