Dinsdag 15/06/2021

Interview

De moeder van Delphine Lecompte: ‘Ik denk dat Delphine zich lang onderschat heeft gevoeld door mij’

null Beeld Johan Jacobs
Beeld Johan Jacobs

Op een zonnige middag bellen we aan bij het herenhuis van Sarah Desplenter – u beter bekend als ‘de glanzende en spitsvondige jakhals’ of ‘de theatrale, manipulatieve narcist’ uit de gedichten van haar dochter, de onvolprezen dichteres Delphine Lecompte.

De aanloop naar het dubbelgesprek was al stormachtig geweest en in de gang worden we wéér met stomheid geslagen. ‘Niet nog eens mijn wc-rollen stelen, hè!’ roept Desplenter, waarna Lecompte het toilet uit stuift, een opengeritste, lege rugzak onder haar moeders neus duwt en naar ons gromt: ‘Je inleiding heb je al.’

Na het wc-rollenincident volgt een gesprek/veldslag met nét geen dodelijke afloop tussen twee onwaarschijnlijk indrukwekkende vrouwen. Delphine Lecompte (43) kent u, en niet alleen van haar deelname aan De slimste mens, mogen we hopen. Sarah Desplenter (62) studeerde romanistiek aan de Universiteit Gent en was lector Frans. Ze publiceert sinds 2019 verhalen in Hollands Maandblad en De Gids, en werkt aan haar debuutroman De verloren hoek.

Sarah Desplenter: “Ik werk er al aan sinds 2005 en hij is nog niet af.”

Delphine Lecompte: “Ik heb al een versie van de roman gelezen en was zo onder de indruk dat ik drie volle dagen niet meer kon schrijven, verlamd was en dacht: schrijven is het enige waar ik goed in ben, kan ze dat nu óók al beter? Ik heb meteen naar mijn beste vriend Tom America gebeld: ‘Mijn moeder heeft een roman geschreven en hij is verdorie ijzersterk.’ Waarop hij in een mail antwoordde: ‘Jij bent Picasso en zij is slechts Juan Gris.’ In al mijn venijnigheid heb ik die mail doorgestuurd naar mijn moeder. Zij heeft toen meteen woedend naar Tom America gebeld, terwijl ze hem helemaal niet kent. Hij zat in een toneelzaal.”

'Toen ik de debuutroman van mijn moeder las, dacht ik: schrijven is het enige waar ik goed in ben, kan ze dat nu óók al beter?' Beeld Johan Jacobs
'Toen ik de debuutroman van mijn moeder las, dacht ik: schrijven is het enige waar ik goed in ben, kan ze dat nu óók al beter?'Beeld Johan Jacobs

Desplenter: “Ik heb hem niet opgebeld!”

Lecompte: “Jawel! Hij is moeten weggaan uit de theaterzaal omdat je bleef bellen.”

Desplenter: “Ik vond het ook belachelijk: jij Picasso, oké, maar... Nu ja, het is niet mijn ambitie om Delphine naar de kroon te steken. Ik heb het me ook meteen beklaagd dat ik haar het manuscript had gegegeven. Dag één was ze lovend, ze overlaadde me met superlatieven.”

Lecompte: “Ik ben altijd lovend gebleven.”

Desplenter: “Oké, maar de volgende dag was je opeens ook kwaad. Het werd in ieder geval moeilijk. ‘Ik ben niets!’ zei je. ‘Ik stop met alles.’ Dat was niet mijn bedoeling, jou dat gevoel te geven.”

Delphines geloof in eigen kunnen slingert toch wel vaker heen en weer.

Desplenter: “Dat is waar. Je kent haar goed. Nu, in haar plaats zou ik ook denken: godverdomme, moet mijn moeder nu ook gaan schrijven? Maar het is iets wat ik altijd heb gewild. Het heeft dus niets met Delphine te maken. Ik denk ook dat ik een eigen stem heb en geen epigoon ben van haar.”

Werkt u echt al vijftien jaar aan uw boek?

Desplenter: “Ja, van na mijn tweede scheiding. Soms vraag ik me af of het ooit af zal zijn. Delphine verwijt me terecht dat ik lui ben en mijn energie te veel verbrokkel. Ach, ik wil ook helemaal niet de schrijver uithangen. (Wijst naar Delphine) Daar zit de schrijver.”

Aan de telefoon zei u: ‘Ik bezit Delphines bezetenheid niet.’

Desplenter: “Ik ben minder manisch dan Delphine, ja. Gelukkig (lacht). Mijn leven is ook chaotisch geweest. Niet dat het leven van Delphine een voorbeeld van regelmaat is, maar ik heb nu pas de zin en de ruimte om verhalen in elkaar te knutselen. Ik brand niet van ambitie. Ik ben ook niet gaan schrijven om mijn wagonnetje aan de sneltrein van Delphine te koppelen. Dat wil ik expliciet vermelden. Dat zou een absurde situatie zijn, een moeder die profiteert van het succes van de dochter. Normaal gaat de ouder het kind voor, niet omgekeerd.”

Het is omdat u en uw ouders literaire aspiraties hadden, dat Delphine haar eerste werk naar een uitgever in Amerika heeft gestuurd. Uw vader, André Desplenter, bij wie Delphine opgroeide en die ze in haar gedichten met veel liefde bezingt, schreef ook.

Desplenter: “Hij heeft vijf romans gepubliceerd. Ik vond ze echt niet goed. Dat was pijnlijk en gênant, want ik hield veel van hem. Heb jij zijn boeken ooit gelezen, Delphine?”

Lecompte: “Ze zijn erg gedateerd.”

Desplenter: “Ja. Hij is van de generatie van Raymond Brulez en in zijn werk imiteert hij Johan Daisne. Mijn vader heeft het Hugo Claus nooit vergeven dat hij is opgestaan en de literatuur in een nieuwe richting heeft gestuurd. Zijn boek De witte weg is wel nog verfilmd, en heeft ongelooflijk slechte kritieken gekregen.”

Lecompte (lacht)

Delphine vertelde me vorige keer dat ze, sinds ze niet meer drinkt, de roes van de heel vroege ochtend nodig heeft om de megalomanie en de hoogmoed te ervaren die ze nodig heeft om te kunnen schrijven. Kent u dat megalomane gevoel?

Desplenter: “Neen, maar je moet natuurlijk wel geloven in je verhaal om het te durven opsturen, je moet het aandurven om afgewezen te worden.”

Lecompte: “Aan de mogelijkheid van een afwijzing denk ik nu niet hoor, als ik aan een tekst begin.”

‘De bezetenheid heeft Delphine van haar grootvader’, zei u aan de telefoon.

Desplenter: “De ‘megalomanie’, het egomanische, heeft ze van haar grootvader. Ik zal niet zeggen dat Delphine geen empathie voelt voor mensen – dat is niet waar. In haar teksten lees ik ook veel verdriet en inleving. Maar toch, in de omgang met mensen kun je groot verdriet van anderen snel parkeren.”

Lecompte: “Tuurlijk! Mijn eigen groot verdriet parkeer ik ook.”

Desplenter: “Ik kan dat niet. Ik was geshockeerd hoe je je verdriet parkeerde toen mijn broer op sterven lag.”

Delphine Lecompte en Sarah Desplenter: 'Weet je nog, die prachtige dag met de slee in de duinen?' - 'Toen heb je me in de prikkeldraad geduwd.' Beeld Johan Jacobs / Humo
Delphine Lecompte en Sarah Desplenter: 'Weet je nog, die prachtige dag met de slee in de duinen?' - 'Toen heb je me in de prikkeldraad geduwd.'Beeld Johan Jacobs / Humo

Lecompte: “Dat was wel dezelfde broer die mij scheldend opbelde om me zo snel mogelijk dood te wensen.”

Desplenter: “Hij was woedend omdat Delphine in een interview met De Morgen een gedicht had laten opnemen waarin ze zijn naam in een lelijke context gebruikte. Hij heeft haar toen opgebeld om een naamsverandering te eisen. Dat hij je in dat gesprek dood wenste, was inderdaad lelijk.

“Pijn van anderen maakt veel indruk op mij. Ik zag gisteren een reportage over een wijnboer die vaststelde dat zijn wijnranken bevroren waren, en die wanhopig met vuurpotten heen en weer rende om te redden wat er te redden viel. Daarna dacht ik in mijn bed nog steeds: ocharme. Jij hebt dat niet hè, Delphine? Jij denkt veel makkelijker: laat me allemaal met rust!”

Lecompte: “Ik zou gewoon meteen aan de slag gaan met het beeld van die ellende.”

Desplenter: “Dat doe ik ook wel, maar ik ben weker. Een ‘sentimentele trut’ of ‘pathetisch wijf’, dat ben ik.”

Lecompte: “Ik kan slecht tegen sentimentaliteit. Overspoel me dus alsjeblieft niet met je emotionaliteit. Ik krop het zelf ook op en verwacht min of meer hetzelfde van mijn medemens.”

Desplenter: “Dát kan mij storen, dat je jezelf als objectieve maatstaf neemt.”

Lecompte: “Dat is geen maatstaf, maar een standpunt.”

Desplenter: “Jij hebt een enorme kracht ontwikkeld. Als jij een trauma of een wonde oploopt, dan heb je daarrond iets verhards. Dat maakt je sterk, maar je beseft daardoor niet meer dat anderen de dingen die je over hen schrijft misschien niet aankunnen.”

Lecompte: “Ja zég, ik ben nu eenmaal niet iemand van de grote nuancering.”

Desplenter: “Ik hoop echt dat Katrien niet leest wat je over haar schrijft.”

Lecompte: “Daar was mijn moeder zo kwaad over: dat ik het adjectief ‘zotte’ had gebruikt wanneer ik het over haar zus had, tante Katrien.”

Desplenter: “Ja, omdat de kans groot is dat zij de tweede laag daarvan niet aanvoelt. Dan denk ik: je kunt haar naam toch veranderen en van Veurne Ieper maken, als je je verhaal in een klein, benepen provinciestadje wilt situeren.”

Lecompte: “Wat ik vertel over tante Katrien, is met grote affectie opgeschreven. Ik zal nooit iemand verpulveren of vernietigen.”

Maar uw verhaal De vierde man, dat verscheen in Hollands Maandblad, gaat toch ook over de nacht voordat Delphine zich liet opnemen? Ze draaide toen door in het huis van haar geliefde Frank, beter bekend als de voormalige vrachtwagenchauffeur.

Lecompte: “Ja? Dat verhaal heb ik nog niet gelezen.”

Daarin belt de vrachtwagenchauffeur naar u en zegt: ‘Kom je hoer halen.’

Lecompte: “Dat zou Frank nooit zeggen.”

Desplenter: “Dat is nochtans gebeurd. Maar ik noem Frank daarin wel Patrick Cornille. En de vrouw in het verhaal is geen schrijfster.”

Maar op straat probeert ze wel met een verkeersbord het raam in te slaan van ‘Patrick’, met zijn ‘vettig haar, slechte tanden en AC/DC- poster aan de muur’. Dat is ook heel herkenbaar.

Desplenter: “Maar ik zet er niet ook nog de straatnaam en het huisnummer bij, zoals Delphine doet. De traumatiserende ervaring van die nacht heb ik inderdaad gebruikt. Die was vreselijk. Dat je schrijft over wat je raakt, is natuurlijk onvermijdelijk.”

Sarah: ‘Ik denk dat Delphine zich lang onderschat heeft gevoeld door mij.’ Delphine: ‘Natuurlijk. Ik was ook een sukkelaar. Ik vulde rekken in de Carrefour en dronk te veel.’ Beeld Johan Jacobs
Sarah: ‘Ik denk dat Delphine zich lang onderschat heeft gevoeld door mij.’ Delphine: ‘Natuurlijk. Ik was ook een sukkelaar. Ik vulde rekken in de Carrefour en dronk te veel.’Beeld Johan Jacobs

BLIKKEN BRUILOFT

Laten we het even over iets anders hebben, mevrouw Desplenter. Uw vader is de rechter die uw latere schoonvader, dokter Herman Le Compte, vijf dagen in de bak heeft gedraaid.

Lecompte: “Shakespeareaans! (lacht)

Desplenter: “Ik had daar pittige discussies over met mijn vader, want de gevangenis is uiteraard vreselijk. Maar Herman Le Compte vond het alleen maar geweldige reclame. Mijn vader stond versteld van zijn publiciteitsdrang.”

Lecompte: “Typisch de Le Comptes: als ze maar op tv kunnen komen.”

Desplenter: “Ik heb maar één grief tegen dokter Le Compte: met zijn haatbrieven en zijn afkeuring heeft hij zijn oudste zoon Jeroen, de vader van Delphine, zeer veel kwaad gedaan. Die jongen is daar echt aan kapotgegaan.”

In een interview vertelde dokter Le Compte dat uw vader niet wilde dat u zich inliet met een Le Compte, en dat u vervolgens met opzet op jonge leeftijd zwanger werd.

Desplenter: “Schandalig! Dat die onzin nog steeds op het internet te lezen is. Mijn vader heeft juist alles gedaan om Jeroen op te vangen.”

En kwam Delphine er met opzet, of per ongeluk?

Lecompte: “Per ongeluk! (barst in lachen uit)

Desplenter: “Het was een vergetelheid, zullen we zeggen.”

Lecompte: “En dan vlugvlug trouwen. ‘Blikken bruiloft’!”

Desplenter (lacht, en zet opeens een lied in): “We hadden gezondigd, het was onze straaaaf / Het leven kwam recht op ons aaaaaf / Didididi’…”

Lecompte (valt van haar stoel van het lachen): “Die tekst!”

Desplenter: “‘Blikken bruiloft’ is één van de liedjes van Jeroen. Ik zing zijn nummers nog dikwijls wanneer ik stofzuig. (Zet weer in)Van ’s morgens tot ’s avonds hard werken / In de fabriek of op het land / De gloed van hoogovens of van de zon zet onze hersens in braaaand!’ Die teksten moeten toch goed zijn, want ze zitten nog allemaal in mijn hoofd. Echt, hij had talent voor taal en was een goeie liedjesschrijver. ‘De zee’, dat Will Tura heeft gezongen, is heel mooi.”

Dat liefdeslied schreef hij voor u. Hij is razend, vertelde Delphine, omdat u niet voor hem bent blijven zorgen, zoals u op uw 18de had beloofd.

Desplenter: “Ik begrijp dat. Het was een brutale scheiding.”

Lecompte: “Ja, je was verliefd geworden op je professor!”

Desplenter: “Dat is zo. We hadden niets toen ik studeerde, maar na mijn studies ben ik in zee gegaan met mijn prof. Ik zei het zonet al: mijn leven is eigenlijk niet echt te boek te stellen.”

Delphine heeft eerst negen jaar bij uw ouders gewoond. Daarover zei ze: ‘Ze wist wel waar ze me afzette. Ze wist dat haar ouders me zouden koesteren.’

Desplenter: “Dat ik haar daar gewoon heb afgezet, is een mythe. Ik was er zelf ook heel vaak.”

Lecompte: “Vroeger kreeg ik na elk interview het verwijt: ‘Je vertelt nooit dat ik je ook culturele bagage heb meegegeven.’ Ondertussen heb ik het overal gezegd: ‘Mijn moeder nam me mee naar het Musée d’Orsay!’”

Desplenter: “Wat je nu over me vertelt, komt wel kinderachtig over, maar goed.”

Lecompte: “Maar je hóéft toch niet perfect over te komen! Je mág ook kinderachtig overkomen. Jij wilt te veel behagen.”

Desplenter: “Op een bepaald moment voelde het aan als geschiedenisvervalsing. Je vertelde systematisch dat het mijn vader was die je Roland Topor en Edward Hopper leerde kennen, films van Polanski en Fellini liet zien en je literatuur gaf. Ik deed dat ook. Ik weet wel dat geschiedvervalsing bij je schrijven hoort, maar op die manier vervorm je ook de geschiedenis van anderen. En dat kan steken. Ik heb soms het gevoel dat veel innige momenten weg zijn, momenten van betekenis, voor mij dan toch. We hebben toch ook prachtige namiddagen beleefd samen? Weet je nog die keer in de duinen, met de slee?”

Lecompte: “Toen heb je me in de prikkeldraad geduwd.”

Desplenter: “Neen, dat was een andere keer. En herinner je je ons bezoek nog aan de Inuit-tentoonstelling?”

Lecompte: “Die keer toen je die arme mensen keihard uitlachte vanwege een domme woordspeling in het gastenboek, bedoel je? Mijn moeder kan genadeloos zijn voor mensen die niet intellectueel zijn en haar geestigheden niet meteen doorhebben.”

Desplenter: “Er stond ‘Inuit c’est inouï!’ (Frans voor ‘buitengewoon’, red.) Ik vond dat flauw.”

Lecompte: “Je zegt wel steeds dat je zo bezorgd bent om iedereen, maar ik ben soms empathischer dan jij. Tegen kassiersters, bijvoorbeeld. Jij hebt ook altijd intellectuele geliefden.”

Desplenter: “Misschien heb ik wel een snobistisch kantje gehad, maar de laatste jaren heb ik dat toch sterk bijgestuurd, vind ik. Ik kijk naar Thuis dat is toch een bewijs!”

Lecompte: “Je vond ook: mijn kind móét naar Atheneum Voskenslaan in Gent. Terwijl er op tien meter van de deur ook een atheneum was, maar die school was niet goed genoeg.”

Desplenter: “Je hebt gelijk, dat was dom. Ik denk vaak: verdomme, we hadden voor dat andere schooltje moeten kiezen. Delphine was een buitenbeentje op die school in Gent.”

Lecompte: “Een freak!”

Desplenter: “Herinner je je die rat nog die je per se wilde strelen, en de commotie die je daarmee veroorzaakte?”

Lecompte: “Maar ik had ook vrienden, juist omdat ik af en toe de boel op stelten zette.”

Desplenter: “Af en toe?! Nu moet ik denken aan hoe je met je twee gehandicapte neven geld ging ophalen op de dijk, zogezegd voor het goede doel. Ze liet die neven zingen en kwam thuis met zakken vol geld.”

Delphine had het naar haar zin, aan zee bij haar grootouders.

Desplenter: “Ja, maar eigenlijk had ik alleen met haar in Gent moeten gaan wonen.”

Lecompte: “Nee. Je had me beter langer in De Panne gelaten, in plaats van me daar na negen jaar plots weg te halen en me bij die oude, sombere, mompelende, nougat etende stiefvader te zetten. Jij zei voortdurend: ‘Hij is een briljante professor’, maar tegen mij sprak hij niet. Dat is een grotere wond dan te moeten opgroeien bij mijn grootouders in de Panne.”

In het vijfde leerjaar nam je wraak. Toen je een moederdaggedicht moest schrijven dat op school zou worden voorgelezen, opende dat met: ‘Weet je wat? Ik ben mijn moeder zat!’ De basis voor je latere werk was gelegd.

Desplenter: “Alle moeders hadden medelijden met mij, maar...”

Lecompte: “Mijn moeder vond het gedicht fantastisch!”

Desplenter: “Het eindigde met: ‘Al is ze wel een grote zaag / Toch zie ik haar graag’. Schoon, toch?”

Delphine: ‘Ik vond mijn grootmoeder ook heel complex en intrigerend. Én onorthodox. Ze wilde altijd maar wiet roken met mij toen ik 16 was.’ Beeld Johan Jacobs
Delphine: ‘Ik vond mijn grootmoeder ook heel complex en intrigerend. Én onorthodox. Ze wilde altijd maar wiet roken met mij toen ik 16 was.’Beeld Johan Jacobs

YOGHURT MET BLOED

Jullie gedeelde gevoel voor humor zal jullie altijd onherroepelijk verbinden.

Desplenter: “Dat is waar. Ik denk dat het onze band onverbrekelijk maakt. Soms vind ik dat jammer. Het is best lastig gewrongen te zitten tussen enerzijds die verbondenheid en anderzijds de meedogenloosheid waarmee Delphine me in haar teksten analyseert.”

Én bewondert. ‘Ze is een imponerende vrouw’, zei ze me vorige keer. ‘Ik wil haar nog steeds verbluffen en proberen bij te benen, maar daarvoor schiet ik nog altijd tekort op het gebied van geestigheid en kennis.’ Toen ik u aan de telefoon sprak, zei u: ‘Ik neem veel plaats in.’

Desplenter: “Dat merk je nu toch, ook al doe ik echt mijn best. Ik denk dat het nu wel te harden is (lacht). Dat is een leerproces geweest. Vroeger was ik iemand… (Lecompte schiet in de lach) Waarom lach je?”

Lecompte: “Omdat ik moet denken aan de boekvoorstelling van Vrolijke verwoesting. Ik weet dat het kwam doordat ze gespannen was, maar mijn moeder zwaaide het café binnen waar het evenement plaatsvond en galmde: ‘Hier is ze! De theatrale, manipulatieve, narcistische moeder van Delphine!’ De gezichten van al die serieuze dichters daar, geweldig!”

Desplenter: “Ja, maar achteraf zegt Delphine dan wel met duivels plezier dat ze me aanstellerig vonden.”

Lecompte: “De bedeesde zeepzieder, ja (in haar gedichten het alter ego van de Nederlandse presentator-dichter Jeroen van Kan, red.).”

Desplenter: “Delphine vindt het heerlijk als mensen mij niet graag hebben. Echt waar. Ze doet er dan vaak nog een schep bovenop: ‘O, mama, hij kan u echt niet af.’”

Lecompte: “Omdat ik je wil genezen van je behaagzucht. Ik heb dat niet graag. Je wilt altijd dat iedereen je graag heeft.”

Desplenter: “Ik vervloek mezelf ook als ik me bezig zie zoals op die boekvoorstelling: ‘Was dat nu weer nodig, stom wijf, al die aandacht vragen?’ Mijn broer zei ook altijd dat ik een pleaser was.”

Lecompte: “Ik vind het ook erg dat je op Facebook zit. Natuurlijk kun je iedereen daar makkelijk epateren met een paar slim geschreven zinnen, maar ik vind dat een verspilling van je talent. Sluit dat Facebookprofiel af en gebruik je geestigheden voor je verhalen.”

Desplenter: “Dat behagen deed ik als kind al. We moesten thuis vechten om aandacht. Je moest verbaal en slim zijn. Het was altijd een soort wedren aan tafel, en ik won altijd met veel lengtes voorsprong.”

In ons telefoongesprek zei u dat u Delphines talent al snel herkende, maar dat u zich tegelijkertijd ergerde aan haar angst en onzekerheid, die u ongerust maakten.

Desplenter: “Ja, ik denk dat ik vooral veel van mijn eigen angst heb geprojecteerd op Delphine. Ik ben bang van aard, en de spanning die in mij huisde, moet een vreselijke indruk op haar hebben gemaakt. Ik voelde het meteen als er bij Delphine iets niet klopte en maakte me dan overdreven bezorgd.”

Lecompte: “Je werd dan soms woedend.”

Desplenter: “Ja, als ik toestanden niet begreep, vloog ik uit. Uit een soort radeloosheid en wanhoop. Dat neem ik mezelf erg kwalijk. Dat is de zottigheid van de Desplenters. Die is verschrikkelijk. Ik ben daar nu van genezen, maar daar heb ik therapeutisch erg veel voor moeten doen. Mijn vader was ook heel koleriek, en zíjn vader nóg kolerieker – er is dus wel een generationele afzwakking. Dat is hoopvol.”

Delphines zottigheid komt dus van twee kanten.

Desplenter: “Absoluut. Het is een vrij slechte mix, een vreselijke cocktail, echt een genetisch drama (Lecompte hapt weer naar adem van het lachen, ik ook).”

Ik snap steeds beter waarom je je moeder bewondert om haar onnavolgbare geestigheid.

Lecompte: “De bewondering is wel tanende, hoor (lacht). Nee, dat is niet waar, maar ik weet intussen wel dat ik haar niet moet imiteren.”

Desplenter: “Ik denk dat Delphine zich lang onderschat heeft gevoeld door mij.”

Lecompte: “Ja, tuurlijk. Ik was ook een sukkelaar. Er was niets om trots op te zijn. Ik vulde rekken in de Carrefour. En ik dronk te veel.”

Desplenter: “Ik heb toch vaak gezegd hoe sterk ik dat vond, en ik heb je aangemoedigd.”

Lecompte: “Neen. Als ik huilde, zei je: ‘Zwelg niet in zelfmedelijden.’ Ik was lang echt compleet zielig.”

Desplenter: “Maar ik herinner me nog goed hoe lovend ik heb gesproken toen je op zo’n dieptepunt eens naar de arbeidsgeneesheer bent gelopen, in de gietende regen.”

Lecompte: “Het was een stralende dag!”

Desplenter: “Maar je bent toen alleen helemaal naar...”

Lecompte: “Ik ben toen naar Wommelgem gestapt, ja. Dat was een lange trot.”

Desplenter: “Je was uitgeput en ik was heel trots op je. Dat kun je niet ontkennen.”

Lecompte: “Weet je nog, die keer toen je me rekken wilde helpen vullen op de zuivelafdeling? Dat verhaal moet je vertellen.”

Desplenter: “In het begin jaagde ze me altijd weg en siste ‘Ksst! Ga weg! Ga weg!’ omdat ze haar werk ernstig wilde doen. Maar op een dag kom ik binnen en hoor ik door de intercom: ‘Delphine Lecompte wordt gevraagd aan kassa 5!’ Die omroepen werden – je kent dat wel – bij elke poging dreigender: ‘Delphine Lecompte wordt gevrááágd aan kassááá 5!!!’ En plots zie ik Delphine rondlopen, helemaal wit – van de yoghurt, bleek later – en haar handen rood van het bloed. (Lecompte hikt weer van het lachen) Ik ben meteen beginnen te roepen: ‘Ik ben de moeder van Delphine! Kan ik iets doen? Moet ik de zuivel aanvullen?’ Ik was al op weg naar kassa 5, terwijl Delphine dus wit en bebloed rondliep omdat ze een pallet yoghurtbokalen had omgegooid en die met haar handen had willen samenrapen. En die stem maar roepen: ‘Delphine Lecompte wordt gevráááááágd…’

“Je kunt niet zeggen dat ik toen niet bekommerd was.”

'Delphine noemt me in haar gedichten weleens een nymfomane, maar dat is projectie.' Beeld Johan Jacobs
'Delphine noemt me in haar gedichten weleens een nymfomane, maar dat is projectie.'Beeld Johan Jacobs

Lecompte: “Da’s waar. Heel bezorgd.”

Desplenter: “Mja. Ik denk dat ik dat vroeger beter wat minder was geweest, dat Delphine meer zelfvertrouwen had gehad zonder die overbezorgdheid van mij.”

Lecompte: “Maar áls ik dan trots ben op mijn schrijfsels en me sterk voel als ik hier binnenkom, dan wil jij het net op dat moment altijd hebben over mijn wonden en kwetsuren. Ik ben soms kwetsbaar, maar dat gaat ook weer voorbij, en dan mag daar niet meer over gesproken worden.”

Dat snap ik wel. Je kracht is dan natuurlijk nog wat wankel.

Desplenter: “Dat is helemaal juist. Maar soms denk ik: ik wou dat ze naast succesvol ook gelukkig was.”

Lecompte: “Ik denk dat jij niet wilt inzien dat het schrijverschap me zeer gelukkig maakt. En, trouwens, geluk, geluk... Ik geloof niet dat er veel geluk te rapen valt. Voor niemand. Misverstanden, ja, en obstakels, en ziekte, maar geluk? Neen.”

BLOWEN MET OMA

Ik zou het ook nog even over uw libido willen hebben. Speelt daar ook een genetische aanleg? Delphine noemt u in haar gedichten weleens een nymfomane.

Desplenter: “Dat is projectie.”

Lecompte: “Dat is waar.”

Je beschrijft ook hoe je grootvader een ‘wulpse garnalenpelster’ om zijn vinger wond.

Desplenter: “Mijn vader was een speciale mens. Ik denk vaak: ik zou nu graag nog eens een uurtje met hem kunnen spreken. (Tegen Delphine) Hij zag jou doodgraag, maar mij liet hij ook veel toe. Hij was een stugge man, maar ik denk dat ik een sleutel tot hem had. Ik heb spijt dat ik die nooit echt heb gebruikt. Ik was bij momenten bang van hem. Hij was een gekwelde man.”

Lecompte: “Vond je? Ik vond hem luid en kleurrijk.”

Desplenter: “Dat was hij ook. Hij schonk graag champagne en wijn. Hoeveel mensen er in De Panne niet gedronken, gegeten en gefeest hebben. Iedereen was altijd welkom.”

Lecompte: “Dat vind ik ook typisch aan mijn moeder: de vader, de mán, werd vereerd, en de moeder, de vrouw, werd weggezet als neurotisch en bang. Zij was degene die ’s avond angstig alle deuren drie keer op slot deed. Klopt dat wel, denk ik dan. Wás het zo, dat die grootvader goddelijk was en grootmoeder een kneusje? Ik vond mijn grootmoeder ook heel complex en intrigerend. Én onorthodox. Ze wilde altijd maar wiet roken met mij toen ik 16 was. Ik heb er spijt van dat ik dat nooit heb gedaan.”

Desplenter: “Ik had een zeer goede band met mijn moeder, maar ze had iets afwezigs en dat irriteerde me, net zoals het mijn kinderen irriteert dat ik er niet altijd ben. Een kind wil dat zijn ouders voor honderd procent aanwezig zijn.”

Jullie hebben eens beiden met een verhaal in Hollands Maandblad gestaan, allebei aangekondigd op de cover.

Desplenter: “Jij hebt toen meteen naar David Garvelink (de hoofdredacteur, red.) geschreven dat ik je moeder was.”

Lecompte: “En daar was jij dan weer kwaad om.”

Desplenter: “Voor mij hoefde dat niet. Ik zei al: ik wil op geen enkele manier de indruk wekken dat ik mijn wagonnetje aan jouw sneltrein wil haken.”

Lecompte (zucht): “Het dubbelinterview met Frank was toch gemoedelijker, hoor.”

Desplenter: “Natuurlijk! (Doet een geweldige Frank-imitatie) ‘Bwah, molletje, we goan met Stefanie een pintje pakken en een muziekje opleggen.’ (Delphine moet weer onbedaarlijk lachen) Je neemt mij toch ook vlug iets kwalijk.”

Lecompte: “Dat is waar. Je werkt rap op mijn zenuwen. Dat theatrale, dat luide... Ik kan het niet goed uitleggen. Dat je van dit interview weer zo’n toestand maakte, meteen Stefanies contactgegevens wilde. Ik wilde daar tot het zover was allemaal niet mee bezig zijn. Ik wilde gewoon schrijven.”

Jullie hanteren heel tegenovergestelde overlevingsmechanismen. Delphine sluit haar deuren als het haar te veel wordt. U, mevrouw Desplenter, probeert juist zoveel mogelijk rekening te houden met de wensen van anderen.

Desplenter: “Er moet toch ook een tussenweg zijn?”

Maar jullie zijn vrouwen van extremen! Dat maakt jullie zo onweerstaanbaar.

Desplenter: “Ik heb geleerd van mijn dochter. Dat ik niet meer moet antwoorden als een redactie een stuk van mij weigert, bijvoorbeeld. Vroeger zou ik teruggemaild hebben: ‘Ik vond mijn verhaal wél mooi. Jullie kunnen niet lezen!’ ‘Niet antwoorden, hè’, zegt Delphine nu steeds als ze een verhaal niet willen publiceren. En dan beheers ik me.

(Tegen Delphine) “Ik was ook bang voor dit interview. Dat weet jij niet.”

Lecompte: “O, echt?”

Desplenter: “Ja. Ik heb slecht geslapen vannacht. Ik heb ook speciaal een mooie blouse aangetrokken.”

Lecompte: “Het is waar. Je zei ook: ‘Gelukkig ben ik al wat vermagerd.’ Huh, dacht ik toen, zit ze daarmee in?”

Desplenter: “Jij overschat mij.”

Lecompte: “Nee, je bent verbluffend.”

Desplenter: “Jij ook.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234