Dinsdag 12/11/2019

Portret

De man die weet waar de goden wonen

Erich von Daniken in zijn attractiepark in Interlaken. Beeld Ivo van der Bent

Je hoort al jaren niets meer van hem, maar hij leeft nog: Erich von Däniken (82), auteur van jaren-60-bestseller Waren de goden kosmonauten? Volkskrant-journalist Martijn van Calmthout, ooit fan, zocht de omstreden Zwitser op. Zou hij nog steeds in zijn eigen onzin geloven?

De gasten op het terras van het statige Grand Hotel Victoria in Interlaken, Zwitserland, kijken er nauwelijks van op. Maar opeens zijn ze er. Uit de hoogte dalen drie geel-oranje driehoeken neer. Eerst niet meer dan een stip, dan snel groeiend tot een volwassen parachute waaraan, zo blijkt bij landing op de groene stadsweide, een begeleider en een betalende avontuurtoerist hangen. In de verte glinstert de helwitte ­gletsjer van het Jungfrau-massief. Ongenaakbaar. De terrasgasten roeren kalm in hun koffie.

Interlaken, waarom zijn we in Interlaken? Om Erich von Däniken, de man die meent dat de godsdiensten op aarde eigenlijk erediensten zijn voor buitenaardse bezoekers. De wereld wemelt van de aanwijzingen, schreef hij een halve eeuw geleden. Lijnen in het landschap, vreemde stenen, beelden en reliëfs. Hij verkocht er 60 miljoen boeken over. Het leek allemaal lang geleden. Maar Von Däniken leeft nog en gelooft nog steeds dat de goden kosmonauten waren.

Het begon allemaal eind maart, met een tweet van deeltjeslab Cern in Genève, over de ontdekking van een deeltjesversneller op Mars. Wat lang was aangezien voor de grootste vulkaan in ons zonnestelsel, de Olympus Mons, waren volgens het bericht in werkelijkheid de overblijfselen van een reusachtige machine, miljoenen jaren oud vermoedelijk. Dat verklaarde trouwens ook opmerkelijke parallellen tussen Egyptische hiërogliefen en bouwtekeningen van apparatuur op Cern. Langgerekte objecten, dubbele golflijntjes. De piramides waren antennes.

Yeah right, twitterde ik, happy Fools’ Day. En jammer dat Erich von Däniken dit niet meer mag meemaken. Bedoeld als kwinkslag. Von Däniken was in mijn eigen jonge jaren een boekenschrijver die jongens zoals ik uit de slaap hield. Waren de goden kosmonauten, zoals zijn onverbiddelijke bestseller beweerde? Zijn wij allemaal nazaten van vroege buitenaardse civilisaties, technisch onvoorstelbaar geavanceerd? Hebben ze ons in de prehistorie bezocht en komen daar onze intuïtieve afgodsbeelden vandaan? Hoe anders konden op grottekeningen astronauten in ruimtepakken voorkomen, in antieke sculpturen raketten?

Dat was ooit. Ik was Von Däniken een sceptisch en rationeel mensenleven verder wel kwijt. En bovendien was ik ervan overtuigd dat de man – wat was hij, een Duitser, Zwitser, Oostenrijker? – inmiddels hoog en breed dood moest zijn. Was hij immers veertig jaar geleden al niet oud?

Pas maar op, twitterde een collega-wetenschapsjournalist. Pas maar op, want Erich von Däniken leeft. Ik was perplex.

Maar dat blijkt dus te kloppen. Von Däniken heeft een website, runt een educatief pretpark in Interlaken, is veelvuldig op lezingentournee en verschijnt graag in talkshows. Een bolle gebruinde tachtiger, zie ik op de filmpjes van zijn optredens.

In slaap gevallen

En ik weet meteen zeker: als Von Däniken nog leeft, moet ik hem spreken. Om te zien wie de man is die destijds de wereld intrigeerde. En vooral hoe hij in zijn verhalen is blijven geloven, terwijl ieder zinnig mens weet dat ze onzin zijn; de lijnen in de woestijn zijn gewoon kanalen en wegen, de cockpit van de Azteekse koning is een drakenbek, Stonehenge een zonnewijzer. Romantische verzinsels, geïllustreerd met verzonnen archeologie en fantasietechnieken. Hoe, was mijn vraag, heeft Erich von Däniken het in godesnaam volgehouden om Erich von Däniken te blijven?

Hij wil er best over praten, vertelt na enig aandringen zijn persoonlijke medewerker Ramon Zürcher van de firma Sagenhafte Zeiten in Beatenberg, nabij Interlaken. Komt u maar. En vergeet vooral niet ook even ons educatieve centrum te bezoeken.

Van dit boek werden miljoenen exemplaren verkocht. Beeld RV

Ik schaf de 38ste druk van Waren de goden kosmonauten? aan. Het boek wordt nog steeds uitgegeven, door AnkhHermes, specialisten in esoterie en andere tussen-hemel-en-aarde. Ik lees het weer. Verbaas en erger me.

Een paar dagen voor de ontmoeting twittert Von Däniken zelf ook. Waarom er overal zomerfestivals voor homoseksuelen zijn, en of een normaal mens misschien ook nog ergens terechtkan. Hij krijgt er woedende reacties op. ‘En dan bent u dat normale mens, meneer Von Däniken?’

Op weg naar Zwitserland bereid ik me voor op een ontmoeting met een malloot die je als serieus wetenschapsjournalist eigenlijk zou moeten negeren. Maar bloed kruipt waar het niet gaan kan. De nieuwsgierige jongen in me heeft het allang gewonnen.

Op het afgesproken middaguur is het doodstil in de voormalige volkshogeschool, een stenen gebouw met rammelende liften. Op de derde verdieping is er geen bel, bij de dichte deur van het Forschungsgesellschaft für Archäologie, Astronautik und Seti. Kloppen blijft onbeantwoord. We bellen de assistent, die, een dagje vrij vanaf een zeilboot, toch even zijn baas gaat bellen. Achter de deur klinkt vaag een telefoon. Dan een stem, toch. De deur gaat voorzichtig open en daar staat hij, kleiner dan gedacht, kaler ook, in hemdsmouwen: Erich von Däniken. Hij was, zucht hij verontschuldigend, in slaap gevallen achter zijn bureau. Die verdomde hitte ook.

In de riante kantooretage vecht een airco op wieltjes een ongelijke strijd tegen de verpletterende warmte. Von Dänikens bureau gaat schuil onder stapels opengeslagen boeken. Langs de muren hangmappenkasten, posters van evenementen, rijen dvd’s, boeken, nog meer boeken. Een kartonnen versie van de meester zelf, ten voeten uit, aankondiging voor een eerdere lezingenreeks. Aan de vergadertafel schuift hij een hoekje leeg, biedt icetea aan, wist geregeld het zweet van voorhoofd en nek. Zijn personeel, zegt hij, heeft wijselijk vrijgenomen. Langs de wanden van de zolderzaal staan zijn eigen boeken in vertalingen, gerangschikt naar land. Chinees. Engels. Portugees. Honderden banden. Hij heeft de nieuwste Nederlandse editie er net tussen gezet.

Held in de new age

Hij haat het, zegt Von Däniken, zo oud te moeten zijn. Herseninfarct gehad, hartklachten. Hij slikt er braaf vreselijke troep voor. Maar hij moet nu eenmaal door. Of eigenlijk: als hij zou stoppen, was het snel helemaal met hem gedaan. “Iedere zondag eet ik thuis in de bergen met mijn lieve vrouw Elisabeth, met wie ik al 53 jaar samen ben. Kaars aan. Ik neem dan altijd even haar hand en zeg: schat, gun me nog wat tijd. Ooit wordt het echt nog wel wat met me.” Hij spreidt de armen, open handen, hoofd schuin. Kleine glimlach.

Het verhaal van Erich von Däniken (1935) begint in 1968 met het verschijnen van een klein boek met een wonderlijke titel: Erinnerungen an die Zukunft, Ungelöste Rätsel der Vergangenheit. De auteur blijkt een jonge hotelmanager in Interlaken, zonder archeologische opleiding en überhaupt niet zeer gestudeerd. Maar het gebrek aan opleiding maakt de jonge schrijver helemaal goed met gedreven enthousiasme en stellig pr-talent. Zijn stelling is een eenvoudige: de wereld is bezaaid met onbegrepen archeologische objecten, lijnen in de grond, grottekeningen, megabouwwerken die allemaal wijzen op een bezoek van een buitenaardse beschaving aan onze verre voorouders. Talloze oude mythen wijzen in die richting, alle religies hebben het over verlossers uit de hemel.

Op de foto met een fan. Beeld Ivo van der Bent

Ooit begonnen onze goden als buitenaardse ruimtevaarders die op aarde arriveerden. Zoals in de titel van de Nederlandse vertaling uit 1969.

De combinatie van archeologie en futuristische ruimtevaart blijkt – het zijn de hoogtijdagen van het Amerikaanse Apollo-programma – enorm tot de verbeelding te spreken. Hele generaties schooljongens vreten het boek en zijn opvolgers. Zoals ze Thor Heyerdahl lezen, de man die de Stille Oceaan op een papyrusvlot overstak en beweerde dat de oude Egyptenaren zo in Latijns-Amerika waren beland. Grote raadsels, opwindende antwoorden. Von Däniken wordt een held in de new age, verguisd door professionele archeologen die zijn interpretaties en verklaringen veel te ver vinden gaan en ongefundeerd. Dat hij voor valsheid in geschrifte wordt veroordeeld en twee jaar de cel in gaat, helpt ook niet echt mee.

Geen toeval

Het persoonlijke verhaal van Erich von Däniken begint begin jaren 50 op een internaat in Freiburg, Zwitserland. De jonge Erich komt uit een streng katholiek gezin van hotelhouders in Sankt Gallen, dat hem naar een jezuïetenschool stuurt. Daar leert hij de Bijbel lezen in het Latijn en raakt hij naar eigen zeggen in de war van wat hij leest. “Ik was en ben een diepgelovig mens. Ik bid iedere avond. In mijn idee is God omnipotent, los van tijd en ruimte. Maar wat ik daar in de Bijbel las, hoe God aan Mozes opdracht geeft een hek om de berg te bouwen om de Israëlieten op veilige afstand te houden en hoe Hij daar dan met rook en vuur, lawaai en getril neerdaalt, dat is vooral allemaal heel praktisch. Ik begon vragen te stellen aan mijn leraren, bibliotheken te bezoeken. En ontdekte daar dat alle culturen van India en Peru tot Egypte soortgelijke verhalen hebben. Machines die met veel vuur uit de hemel komen, goden die rondvliegen. Daar is het verhaal begonnen.”

En nog steeds, vijftig jaar en veertig boeken verder, is dat het verhaal dat hij op lezingentournees vertelt. In tien Braziliaanse steden, voor vijfduizend man op Joshua Tree, in het auditorium van de Harvard-universiteit. Millimeter voor millimeter de tijdgeest bijstellen, dat is waar het om gaat.

Het boek, erkent hij nu, was naïef en hier en daar ronduit fout. Wist hij veel wat waar was en wat niet; als je jong bent doen de feiten er niet zo toe. Maar het ging om het idee: het kan geen toeval zijn dat als je goed kijkt alle oude volken het hebben over machines die uit de hemel neerdalen. Reliëfs in Mexico, Egypte, India, lijnen in woestijnen in Peru, reuzenstenen in Europa, het Midden-Oosten. Grottekeningen van mannetjes met iets wat een helm lijkt, een cabine, een stuurknuppel, een raketvlam. Hij heeft zijn leven be­steed aan erheen reizen, ze fotograferen, beschrijven. Mythes uitpluizen in oude manuscripten.

“Dezelfde feiten als de archeologen kennen. Maar mijn interpretatie is een volledig andere. Waar zij religieuze visioenen zien, zie ik cargocult: primitieve volkeren die de ontmoeting met een technisch geavanceerde cultuur proberen vast te leggen. Zoals na WO II eilanders in Polynesië vliegtuigen en commandotorens van hout en riet bouwden, omdat er ooit een westers vliegtuig was geland.”

Oeroud hightech staal

Jungfraupark, een educatief pretpark iets ten zuidoosten van Interlaken aan de rand van een voormalig militair vliegveld. Bij de hoge glazen entree van het verder ringvormige bouwwerk met centraal een glimmende stalen bol op een toren, komt ons een groepje ouderen in rolstoelen tegemoet, mompelend op weg naar de uitgang. Lege blikken.

Von Däniken in een stuk piramide van piepschuim. Beeld Ivo van der Bent

Erich von Däniken beent langs de kassa, groet de juffrouw. We gaan rechtsaf de stalen en glazen ring in, naar het eerste van een handvol paviljoens. India. Buiten een pagode van cement. Binnen sculpturen van geschilderd piepschuim. Projecties van planeten en sterren. Spiegels. Stapels fruit op een markt. Bij de Inca’s, een paviljoen verder, zijn alle attributen voor een magische zonsopkomst opzijgezet voor een bedrijfsfeestje vanavond. Von Däniken monkelt. Rothitte, rotfeestjes.

Hij kijkt om zich heen. Er is niemand. “Maar als het regent, heb je zo vijfhonderd mensen binnen.” Bij de purschuimen menhirs wijst Von Däniken op de landkaart van Europa. Hoe is het mogelijk dat de vindplaatsen honderden kilometers uit elkaar liggen, maar wel in een perfecte rechte lijn? Omdat, uiteraard, die lijnen vanuit de ruimte uitgezet zijn. In het Egyptische paviljoen stappen we een kamertje binnen dat al schuddend doet alsof het een lift is die ons naar de top van de piramide van Gizeh voert. Vanaf de balustrade zien we Caïro aan onze voeten liggen. Of we de bouwblokken van de Inca’s wel eens bekeken hebben? Ingewikkelde pen-en-gatconstructies in tonnen steen. En wel mooi prehistorisch dus. Of de zuil van gietijzer in India. Vierduizend jaar oud, geen spoortje roest. Hightech staal en oeroud.

Hij tuurt om zich heen. Waar is iedereen? In de centrale speeltuin zet een vader een peuter met een ijsje op een plastic glijbaan. Het kind blijft halverwege steken.

Eerder, op zijn kantoor, heeft Von Däniken naar zijn bureau verderop gewezen. Als we willen, mogen we best zijn belastingaanslag zien, die daar ergens moet liggen. Niks te verbergen namelijk. En kern van de zaak: hij heeft voorlopig geen cent. Hij heeft weliswaar wereldwijd tientallen miljoenen boeken verkocht, en schreef alle teksten voor het themapark in Interlaken dat om zijn fascinerende theorieën draait. Maar dat park is niet van hem en de huidige uitbaters snappen, even tussen ons gezegd en gezwegen, totaal niet hoe je publiek trekt. En aan die boeken heeft hij bewust geen cent overgehouden. “Al mijn geld is in nieuwe projecten gestoken. Ik reis, ik film, ik schrijf, ik verzamel. Nog steeds. Als ik 100.000 euro verdien, gaan die op aan vliegtickets en de huur van cameraploegen en helikopters.”

Een kolonie mieren

Weer buiten is Von Däniken op de lege parkeerplaats bereid voor de fotograaf nog veelbetekenend tegen diverse achtergronden naar de blauwe hemel te turen. Ooit, heeft hij eerder op de middag in zijn kantoor gezegd, komen ze weer, die buitenaardse goden. Niet voor niets reppen alle religies op hun manier van de terugkeer van een verlosser. En trouwens, misschien zijn ze er al gewoon, en bestuderen ze ons nu, als entomologen een kolonie mieren. Nu en dan proberen ze misschien al contact te maken. Via (‘te ingewikkeld om bedrog te zijn’) graancirkels. Of ufo’s, al heeft hij er zelf nooit een gezien.

Niks griezeligs aan, vindt hij. Als ze ons hadden willen vernietigen, hadden ze dat immers al lang gedaan. En over God maakt hij zich al helemaal geen zorgen. Als onze goden kosmonauten blijken, hebben die kosmonauten God vast wel gekend. Of anders hun eigen aliens wel. “Ik bid iedere avond. Tot de God met wie het allemaal begonnen moet zijn. Bidt u?”

Op de terugweg naar Genève zien we in de achteruitkijkspiegel hoe zich boven het dal van het stadje tussen de meren in hoog tempo donkere wolken samenpakken. Die overdreven warmte, dat kon natuurlijk ook niet goed gaan.

VON DÄNIKEN VERSUS DE ARCHEOLOGEN

Nazca-lijnen. Volgens Von Däniken zijn de kilometers grote geometrische figuren in de Peruviaanse woestijnen boodschappen aan vroegere buitenaardse bezoekers. Volgens archeologen zijn het kanalen, wegen en godenverering.

De Nazca-lijnen. Beeld www.bridgemanimages.com

Reiskaart. De Turkse admiraal Piri Reis tekende rond 1500 een wereldkaart die volgens Von Däniken door de kosmonauten is ingefluisterd. Toeval en hedendaags hineininterpretieren, denken cartografen.

Reiskaart. Beeld BELGAIMAGE

Grottekeningen Italië en Siberië. Prehistorische poppetjes in Val Camonica (Italië) hebben een astronautenhelm op, net als op tekeningen in de Oezbeekse stad Fergana, zegt Von Däniken. Machtssymbolen, denken archeo­logen.

Pakal. Dekselreliëf van een sarcofaag toont Maya-heerser Pakal in een nagebouwd ruimteschip, net een Mercurius­capsule van NASA, aldus Von Däniken. Hij wordt opgeslokt door een slanggod, denken archeo­logen.

Pakal. Beeld RV

Menhirlijnen. Paleolithische stenen staan op honderden kilometers van elkaar in rechte lijnen die alleen vanuit de ruimte uit te zetten zijn, aldus Von Däniken. Toeval en gerelateerd aan de zon, zeggen archeologen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234