Woensdag 24/07/2019

Alexander Schimmelbusch

“De groenen kunnen aandoenlijk lachwekkend zijn in hun zelfvoldaanheid en hun moralisme”

Beeld Marcus Reichmann

Wat als Peter Mertens en Theo Francken samen een politiek programma zouden opstellen en Bret Easton Ellis zouden inhuren als ghostwriter? Dan krijg je waarschijnlijk iets wat in de buurt komt van Opperduitsland van Alexander Schimmelbusch. Zelden zaten waarheid, fictie en sciencefiction elkaar zo op de hielen. Een gesprek met de schrijver die wordt gezien als een politieke weerman. ‘Straks komen de mensen aan de macht die ik met de ideeën uit mijn boek heb vergiftigd.’

Willens nillens werd Alexander Schimmelbusch (43) bij de verschijning van Opperduitsland uitgeroepen tot de Duitse verpersoonlijking van Michel Houellebecq, terwijl zijn boek werd ingedeeld bij de post-Piketty-literatuur. In zijn roman voert hij Victor op, investeringsbankier bij de Birken Bank. Hij is zo rijk dat geld voor hem geen enkele waarde meer heeft, en zo machtig dat hij zich begint af te vragen waarom niemand zijn macht betwist. En waarom komen de minder fortuinlijken niet massaal in opstand tegen de stuitende ongelijkheid waarvan hij een decadente verschijningsvorm is? 

Om de verveling te verdrijven en de revolutie voor te zijn, schrijft hij zelf een politiek manifest. Het is krachtvoer met linkse en rechtse ingrediënten, en een pittige populistische kruiding. Er komt een vermogensplafond van 25 miljoen euro per burger. De rest vloeit naar de staat, die ’s wereld grootste staatsinvesteringsfonds opzet. Illegale immigratie wordt tegengegaan door een hermetische dichting van de Europese buitengrenzen. En intra muros wordt elke vorm van extremisme met harde hand onderdrukt, of het nu gaat om blank tuig dat ‘debiele nazispelletjes’ speelt in de bossen, imams die geweld tegen homo’s goedpraten of lieden die ‘het goede humeur’ van Duitse vrouwen bederven. De Duitse heilstaat zal spoedig een feit zijn.

Hebt u dit boek uit woede of voor uw plezier geschreven?

“Beide, maar toch vooral voor het plezier. Alles begon met de schepping van Victor, mijn hoofdpersonage. Ik heb zelf vijf jaar als investeringsbankier gewerkt. Een hele tijd geleden, want ik kapte ermee toen ik 27 was. Maar toen ik drie jaar geleden 40 werd, vroeg ik me af: wat zou er van mij zijn geworden als ik er níét mee was gestopt? Wie zou ik vandaag zijn? Hoe zou ik in het leven staan? Hoe zou ik de wereldwijde bankencrisis van 2008 zijn doorgekomen? Om een antwoord op die vragen te vinden, bedacht ik Victor. Ik geef toe dat ik enige zelfspot aan de dag heb gelegd en dat ik me kostelijk heb geamuseerd.

“Sinds 2008 beleven we interessante, zij het zeer verwarrende politieke tijden. Ik volg alles op de voet, ik lees elke ochtend twee uur in de kranten. Op den duur zat mijn hoofd vol met politiek. Dat moest er eens uit, zodat ik weer aan vrolijker dingen kon denken. Uiteraard wilde ik over populisme schrijven, dé nieuwe dominante trend in de politiek. Maar ik had niet de ambitie om politiek commentator te worden, en evenmin om een non-fictieboek te schrijven. Op een dag dacht ik: stel dat Victor zijn bankiersbestaan beu is, net zoals ik destijds, en iets ‘groots’ wil doen, iets met een immense impact waaraan hij zijn naam kan verbinden. Dan zou hij een links-populistische beweging kunnen beginnen. Ik geloof namelijk echt dat er een linkse correctie op het overwegend rechtse en extreemrechtse populisme in de lucht hangt.”

Beeld Marcus Reichmann

En uw woede, waar zat die?

“Ik ben geen activist. Ik sta niet elke ochtend bol van verontwaardiging nadat ik door de kranten ben gegaan. Maar ik voel me wel vaak beledigd door de platheid en de domheid van de gemiddelde politieke argumentatie – vooral van rechtse politici, maar ook van linkse. En er zitten ook zoveel irritante tegenstrijdigheden in het mainstream politieke discours. We zouden het einde van de geschiedenis beleven, de liberale economie en de bijbehorende democratie zouden overal zegevieren. Privatiseren was de toverformule, de overheid moest op het anorectische af worden afgeslankt. Dat neoliberale standaarddenken is nu oud en versleten, tam en krachteloos. Dat is het gat waar ik Victor in laat duiken.”

Opperduitsland is door de ene criticus weggezet als een luchthartige komedie over de financiële wereld, en werd door de andere gelezen als een serieuze, niet mis te verstane waarschuwing. Wat is het nu?

“Het was in ieder geval niet mijn bedoeling om een zedenkomedie over bankiers of rijke Duitsers te schrijven. Het grappigste aan die reacties vind ik dat uitgerekend de passages die níét satirisch bedoeld waren, wel zo opgevat worden. Bijvoorbeeld die twintig pagina’s waarin ik beschrijf hoe een investeringsbank werkt: wat de interne dynamiek is, wie de mensen zijn die er werken, de opgefokte, genadeloze bedrijfscultuur. Dat is geen groteske overdrijving, maar een redelijk droge, accurate weergave van de werkelijkheid.”

U komt zelf uit een vooraanstaande zakenfamilie. Hebt u die analytische, cynische manier van denken van Victor meegekregen van thuis?

“Nee. Mijn familie heeft ook een zeer artistieke tak. Het komt uit mijn tijd als investeringsbankier, vrees ik. De reflexen die ik toen heb gekweekt, zijn nog vrij intact. Ik hoef maar een knopje aan te zetten bij mezelf en ik ga weer zo denken.”

 Woonde u in uw jeugd in Königstein, in de lommerrijke heuvels rond Frankfurt, net als Victor?

“Ook niet, wij woonden in de stad. Maar veel van mijn vrienden zijn daar opgegroeid, en mijn vrouw ook – we komen er nog geregeld. Königstein is een oer-Duits decor: het is het donkere woud waar de sprookjes zich afspeelden en waar de Romeinen romantische ruïnes hebben achtergelaten…”

…en waar uw hoofdpersonage geruisloos doorheen glijdt in zijn gepersonaliseerde elektrische Porsche Shere Khan. In werkelijkheid heet dat type Porsche de Taycan.

“Ja, vreselijk. Wat voor een foute naam is dat! De mijne is veel mooier, vind je niet? Voor je geestesoog zie je een tijger, een dier dat je niet kunt haten: snel en stijlvol, ontzagwekkend, gevaarlijk als het moet… Toen ik begon te schrijven, bestond de Taycan nog niet, de elektrische Porsche was nog maar een vaag plan.”

Als er ook artistiek bloed door de aderen van uw familie stroomt, waarom bent u dan bankier geworden?

“Ik ben deels in New York opgegroeid en heb aan de Georgetown University in Washington economie en talen gestudeerd. Van mijn generatie ging nagenoeg iederéén in de financiële wereld werken. In 2000 is er een studie verschenen waaruit bleek dat in die periode 70 procent van alle alumni van de Amerikaanse top 20-universiteiten in Wall Street of de Londense City terechtkwam. Dus niet 70 procent van de economiestudenten, maar van álle afgestudeerden in álle richtingen.

“Als je 22 bent, heb je doorgaans geen idee van wat je wilt gaan doen. Ik toen ook niet. De grote investeringsbanken speelden daar slim op in door een opleidingsprogramma van twee jaar aan te bieden. Dat was behoorlijk heftig: keihard werken, weinig slapen, van hot naar her reizen. Maar je werd er riant voor vergoed en je leerde ondertussen hoe de business in elkaar steekt. En op z’n tijd werd er flink stoom afgelaten: party’s met veel cocktails, diners met veel kreeft (lacht). Ik herinner me die tijd als een voortzetting van mijn studententijd. Ik zat bij Credit Suisse, eerst in Londen, daarna in Frankfurt. Maar 90 procent van de ‘analisten’, zoals de beginnelingen in het jargon heten, wordt na twee jaar weggestuurd of stapt zelf uitgeput op. In mijn boek noem ik ze niet voor niets ‘galeislaven’. Maar ik had geluk, bij mij liep het goed, ik kreeg zelfs promotie. Daarom ben ik er vijf jaar blijven hangen in plaats van twee.”

Woonde en werkte u in de City, het financiële district van Londen?

“Ik werkte op Canary Wharf, maar ik weigerde in die desolate buurt te gaan wonen. Ik vestigde me in het mooie, rustige Notting Hill. Maar eigenlijk maakte het weinig uit waar ik woonde, ik was er toch nooit. Ik zat vijftien, zestien uur per dag in de Credit Suisse Tower, soms langer. Rond elf uur ’s avonds werd ik thuis afgezet door een auto met chauffeur – de bank had een eigen fleet service. Ik dronk twee flesjes bier leeg op mijn terras en ging slapen. ’s Ochtends werd ik ten laatste om acht uur weer opgepikt. Ik had géén sociaal leven. Sterker nog, ik had geen persoonlijk leven whatsoever. Maar in de Credit Suisse Tower werkten we met drie- à vierduizend overwegend jonge mensen die daarbuiten geen leven hadden. Het was in alle opzichten een zeer hitsige werkomgeving. Alles draaide er 24 uur per dag, ook het wellnesscentrum met de stoombaden. Als je een nachtje doortrok, kon je een power nap doen in de lounge area langs het zwembad.”

Beeld Marcus Reichmann

Hoeveel verdiende u toen?

“Inclusief bonussen? Een pak meer dan de Duitse bondskanselier. Hoe ongerijmd en aanmatigend dat ook moge klinken.”

Was het moeilijk om ermee te stoppen?

“Hm, het was toch een ingrijpende beslissing. Als ik die job vijf of tien jaar langer had gedaan, zou ik financieel safe hebben gezeten voor de rest van m’n leven. Maar toen ik er een paar weken weg was, was ik heel opgelucht. Ik was opnieuw een normaal mens met een normaal leven. Het hielp natuurlijk dat ik in die vijf jaar geen cent had uitgegeven van wat ik had verdiend – daar had ik namelijk geen tijd voor gehad. Ik ben toen naar Berlijn verhuisd, heb er een mooi, groot appartement gehuurd en ben op m’n dooie gemak aan mijn eerste roman begonnen.”

Naziwonden

Geef eens een concreet voorbeeld van hoe u uw ervaringen als investeringsbankier hebt gebruikt in Opperduitsland.

“Ik werkte destijds bij de afdeling mergers & acquisitions (fusies en overnames, red.). Ik moest CEO’s van grote bedrijven ervan overtuigen dat het moment gekomen was om samen te smelten met bedrijf X, of om bedrijf Y over te nemen, en dat wij ideaal geplaatst waren om dat voor hen te regelen. Ik maakte aan de lopende band presentaties voor bedrijfsleiders, onder extreem hoge tijdsdruk. Die moest ik vervolgens bij hen gaan pitchen. De absolute top in het genre was een presentatie onder de titel ‘Strategic options’. Dan somde ik op welke concurrenten mijn gastheer of -vrouw zou kunnen opkopen of anderszins uitschakelen, hoeveel hun dat zou kosten, en hoe ze het konden klaarspelen zonder dat hun concurrenten het in de gaten kregen. Een geheim aanvalsplan, met andere woorden, in twintig pagina’s kille argumentatie en analyse. Toen ik Victors politieke manifest schreef, heb ik vrijwel identiek hetzelfde gedaan. Eigenlijk is dat een strategic options-pitch voor populisten, de omzetting van een economische analyse in een politieke.”

De basisoverweging van dat politieke manifest is dat er dringend iets moet worden gedaan aan de ongelijkheid. Is dat werkelijk een issue in uw kringen?

“Toen ik jong was, was het zeker geen issue. Maar toen was de ongelijkheid ook niet zo flagrant als nu. Ze was zelfs nauwelijks zichtbaar. In Duitsland was er een heel brede hogere middenklasse. Of je vader nu bankier of journalist was, maakte vrij weinig uit, dat voelde niet als een andere klasse aan. Hooguit was het appartement waar je woonde wat groter als hij bankier was. De naoorlogse sociale vrede legde een vredige, geruststellende sluier over de samenleving. En de mensen die geen middenklassers waren, geloofden dat ze het ooit wel zouden worden.

“In Duitsland kun je veranderingen in de samenleving goed waarnemen door naar de auto’s te kijken. Toen ik een tiener was, zag je ook grote Mercedessen van de S-klasse rondrijden. Maar de typebeschrijving achterop liet nagenoeg iedereen weghalen, ook al was dat een optie waarvoor je moest betalen. Ongelijkheid werd afgevlakt, geminimaliseerd, zelfs gemaskeerd als het kon. Uitpakken met opgefokte Mercedessen met vleugeldeuren, dat deden in Frankfurt alleen de pooiers. Nu rijdt elke tandarts rond in zo’n pimpmobiel. En het motortype staat uitvergroot op de beide zijflanken: biturbo!

“Nu is de toenemende ongelijkheid één van de belangrijkste issues. Ook al omdat er een consensus is over het feit dat ze dé voedingsbodem is voor populisme.”

Misschien is de welgestelde elite wel banger van dat onvoorspelbare, onberekenbare populisme, dan dat ze oprecht verontwaardigd is over de ongelijkheid.

“Victor is geen van beide. Hij is geen idealist, geen nationalist en geen socialist, maar een opportunist. Wat hij doet, is analyseren. Hij is artificieel intelligent, zou ik bijna zeggen. Hij neemt alles wat hij in de samenleving ziet gebeuren in zich op, hij voedt zich met data en probeert daaruit ons gedrag van morgen af te leiden. Hij functioneert als een algoritme dat op de term ‘populisme’ wordt losgelaten. Wat er uit de bus komt, is een politiek programma waarvan hij verwacht dat minstens 30 procent van de mensen op wie hij focust het ‘leuk’ zal vinden. Als politiek iets was dat je kon shoppen bij Amazon, zou je dát krijgen. En 30 procent is genoeg, daarmee wint hij de verkiezingen en komt zijn partij Deutschland AG aan de macht. (Met pretoogjes) Een algoritme is heel krachtig, hè. Precies omdat het in wezen populistisch is: het geeft je exact wat je wilt zien. Victor wordt helemaal niet gedreven door emotie of verontwaardiging. Zijn enige persoonlijke drijfveer is: uit die saaie financiële business breken en zijn naam verbinden aan iets groots, iets spectaculairs.”

Wil hij ook niet bewijzen dat hij de slimste is, en al die middelmatige sukkels van politici het nakijken geven?

“Dat stadium is hij al voorbij. Nee, hij wil een artiest zijn. En artiesten in de politiek, daar hebben we in Duitsland enige ervaring mee. Hadden ze Hitler toegelaten tot de kunstacademie van Wenen, dan zou de geschiedenis helemaal anders zijn uitgedraaid. Jammer genoeg was hij een heel slechte schilder.”

Er zitten opvallend veel verwijzingen naar de nazitijd in Opperduitsland. U wrijft het er nog eens goed in dat een groot deel van de Duitse industrie destijds bijzonder enthousiast heeft samengewerkt met het naziregime. En de leiders van de rechts-populistische partij Alternative für Deutschland (AfD) noemt u Playmobil-nazi’s. Waarom die nadruk?

“Er zijn twee redenen. De belangrijkste is dat er op dit moment een rechtse renaissance bezig is, die ook een wansmakelijke culturele component heeft: men koketteert weer openlijk met de ‘grote’ cultuur van het ‘grote’ Duitsland. Maar Victor heeft ook een zeer strategische reden om zijn vinger in die wonde te duwen. Hij komt met een programma tégen de zakenwereld en tégen de rijken. Hij wil dat de staat gaat ondernemen en alle belangrijke economische sectoren zelf in handen neemt. De Duitse industrie aan haar naziverleden herinneren is een doordacht manoeuvre om de tegenstand uit die hoek al bij voorbaat verdacht te maken.”

Is de geheime aantrekkingskracht van uw boek niet dat het in zijn politieke kern harde linkse oplossingen vlotjes combineert met gespierde rechtse? Veel politieke twijfelaars zullen spontaan ja zeggen als ze Victors manifest lezen.

“Natuurlijk, dat is net het hele punt. Populistische oplossingen zijn er in al hun eenvoud op berekend dat je er makkelijk ja tegen zegt.”


Groen aan de macht

Victor wordt de sterke man achter de schermen: hij gaat de German Investment Authority leiden, het grootste staatsinvesteringsfonds ter wereld. En het loopt bijzonder slecht af.

“Een positieve afloop zou heel vreemd geweest zijn. Dan zou de roman aangevoeld hebben als een politieke stellingname – wat hij, dat wil ik toch nog eens benadrukken, níét is. Bovendien lijkt het mij aannemelijker dat er uit zo’n ongeziene concentratie van macht een regime met totalitaire trekken voortkomt.

“Het is een regime dat extreme staatscontrole combineert met een hyperkapitalistische look and feel. Zo is de investeringsmaatschappij van Victor uitgesproken meritocratisch en zeer elitair, en betaalt ze haar werknemers vorstelijk – zoals de grote banken en de consultancybedrijven vandaag. (Glimlacht) Dat is trouwens een aspect van mijn boek dat de hardliners onder economen en politici behoorlijk irriteert.”

Heeft het u verrast dat Opperduitsland ook, en misschien vooral, in de niet-populistische politieke kringen zo serieus wordt genomen?

Schimmelbusch (lacht) «Er zijn inderdaad politici die ik ervan verdenk dat ze mijn boek goed hebben gelezen. De Duitse minister van Economische Zaken, Peter Altmaier, heeft onlangs zijn ‘industriële strategie voor 2030’ gepresenteerd. Die komt erop neer dat de overheid zich meer met strategische sectoren als energie en technologie moet gaan moeien. Weliswaar op een beperktere schaal dan in China, maar toch. We hebben het hier niet over een socialist of een nationalist, maar over een conservatieve christendemocraat: die vonden tot voor kort dat de staat zich nergens mee mag bemoeien.

“Ook aan de andere kant van het politieke spectrum is Opperduitsland over de tongen gegaan. Ik heb me namelijk ook vrolijk gemaakt over de groenen – op een liefdevolle manier, weliswaar. Ik woon in de Berlijnse wijk Kreuzberg, hun biotoop, en ik zie ze elke dag bezig. Ze kunnen zo aandoenlijk lachwekkend zijn in hun zelfvoldaanheid en hun moralisme.

“Het politieke klimaat is in Duitsland zo onstabiel dat de groenen misschien de grote winnaars van de volgende verkiezingen worden. Dan komen de mensen die ik met de ideeën van Victor heb vergiftigd, straks aan de macht (lacht). Een journalist wil nu een krantenpagina maken met quotes uit Opperduitsland, afgewisseld met recente politieke uitspraken en plannen die er volgens hem door geïnspireerd zijn. Dat zou ik wel amusant vinden. Visionair ben ik niet, dus als je mij vraagt waarom dit boek een politieke zenuw heeft geraakt, zie ik maar twee mogelijkheden: ofwel heb ik juist gegokt, ofwel hing het fruit zo laag dat ik het maar te plukken had.”

Alexander Schimmelbusch, Opperduitsland, Prometheus

©Humo

Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden