Zondag 25/08/2019

interview

De comeback van Paul Jambers: "Ik heb nooit mensen belachelijk gemaakt"

Paul Jambers gaat voor VTM een nieuwe reportagereeks maken van 'Jambers in de politiek'. Beeld Karel Duerinckx

Paul Jambers (72) heeft echt iedereen geïnterviewd, van de junkie tot de sadomasochist. In 2014 waagde hij zich op VTM voor het eerst aan politici. En dat gaat hij straks in Antwerpen opnieuw doen. "Ik heb minder mededogen met politici dan met boer Charel."

"Ik zou een goede mediatrainer voor politici zijn”, lacht Paul Jambers. “Ik zou hen onder meer ­kunnen uitleggen dat ze niet moeten proberen de mensen te behagen. Dat werkt toch niet en het kan zich tegen hen keren. Het beste advies is nog altijd: wees jezelf, zeg wat je denkt en speel geen rolletje dat vloekt met je natuur. Mensen zien dat meteen.”

Binnenkort rukt de nu 72-jarige Jambers nog eens uit voor een reportagereeks op VTM. Wat hij in 2014 deed bij de federale en Vlaamse ­verkiezingen, doet hij straks in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen opnieuw: wekenlang alle kopstukken met een camera dicht op de huid zitten. “Het wordt een titanenstrijd”, zegt hij. “In een interessante arena, met interessante figuren, van Filip Dewinter op uiterst rechts tot Peter Mertens op uiterst links. Ik kijk ernaar uit.”

Jambers in de politiek, versie 2018, dus. “Ik zal doen wat ik altijd heb gedaan”, vertelt hij. “Observeren en registreren. Ik ben niet de man van het kritische interview; ik begin niet aan zo’n reeks met de bedoeling om politici te ontmaskeren. Maar ik denk dat ik wel iets kan toevoegen aan de andere politieke programma’s die men zal maken. Bij mij kunnen politici zich niet verbergen achter de klassieke Wetstraat-taal. De kijker zal snel voelen of iemand meent wat hij zegt, of hij een consistent verhaal heeft.”

Is dat het geheim van Bart De Wever?

Paul Jambers: “Absoluut. Dat heb ik in 2014 gemerkt. Ik had de man nog nooit ontmoet, ik trad hem onbevangen tegemoet, zoals ik dat altijd doe. En ik merkte meteen een soort consistentie. Hij leek zich niets aan te trekken van de camera. Dat verwonderde mij zelfs. Ik vergelijk het graag met Donald Trump en Hillary Clinton. Bij Trump heb je het gevoel dat hij zegt wat hij denkt, bij Clinton voelde je dat ze een rolletje speelt, met altijd die brede, geforceerde glimlach.”

En De Wever speelt geen rolletje?

“Nee. Dat was voor mij vier jaar geleden de grote les. Hij is misschien veranderd ondertussen, want er is veel gebeurd, maar toen viel dat op. Als je introvert bent als persoon, zoals Bart De Wever, dan mag je dat gerust laten zien. Mensen hebben geen probleem met introverte politici, ze hebben een probleem met introverte politici die doen alsof ze geweldig veel empathie hebben met de gewone man.”

Zag u dat bij de andere politici?

“Ik zag bij velen toch de behoefte om sympathiek te doen, om goed over te komen. Maar dat werkt dus niet als de camera je van zo dichtbij volgt. In die zin kan mijn programma wel ontmaskerend zijn.”

Is het wel relevant hoe politici overkomen? Is een degelijke politicus die slecht overkomt niet te verkiezen boven een oplichter die goed overkomt?

“Dat is zeker zo, ik wil dat niet ontkennen. Een politicus mag niet alleen façade zijn. Maar dat je vandaag als politicus goed moet overkomen op televisie, daar kun je niet omheen. In die zin moet een politicus vandaag een ander soort ­persoonlijkheid hebben dan vijftig jaar geleden. Je moet niet alléén goed overkomen, maar het hoort erbij.”

Was het in 2014 de eerste keer dat u politici volgde?

“Ja. Maar voor mij is er geen verschil met wat ik vroeger deed. Ik behandel politici zoals ik mijn andere getuigen vroeger behandelde. Ik observeer, registreer en laat de mensen over zichzelf vertellen. In de jaren 70, toen ik als journalist begon bij de openbare omroep, heb ik natuurlijk nog politici geïnterviewd. Maar daar ben ik snel mee gestopt. Toen ik reporter werd voor Panorama, stelde ik snel vast dat het veel ­interessanter was om de gewone man, zoals men dat noemde, aan het woord te laten.”

Wanneer bent u daarmee begonnen?

“Ik deed aanvankelijk sociaal-economische verslaggeving: met veel bedrijfsbezettingen en stakingen. En in plaats van vakbondsleiders of politici aan het woord te laten, ging ik praten met de stakers en bezetters zelf, of met hun vrouwen. Dat leverde goede televisie op. Daar heb ik dan de rest van mijn carrière op gebaseerd: mensen die over zichzelf getuigen. Vandaag is dat in de journalistiek de normaalste zaak ter wereld, maar toen werd dat mij niet door iedereen in dank afgenomen. Ik herinner mij nog dat Maurice De Wilde, die in zekere zin mijn mentor was, kwaad was toen ik voor human interest koos.”

Hij was bij uitstek de man van het harde ­interview.

“Hij was de man die met donderende stem aan oud-collaborateurs vroeg: ‘Waar waart gij op de ochtend van 3 januari 1944?’ En wat ik voor Panorama deed, vond hij zonde. ‘Ge hebt zo veel talent en wat doet ge daarmee? Zatlappen gaan interviewen!’ (lacht) Een prachtige man, Maurice.”

Die reputatie blijft wel aan u kleven: de man die zatlappen en seksmaniakken interviewde.

“Die opmerking ben ik gewoon. Maar dat klopt niet. Ik heb in totaal ongeveer 200 grote reportages gemaakt, en 15 daarvan waren seksgerelateerd. Daar is niets mis mee. Seks speelt een grote rol in een mensenleven. Vergeet ook niet dat ik veel thema’s als eerste heb op de kaart heb gezet. In 1992 heb ik een reportage gemaakt over een transgender. Ook met plastische chirurgie was ik de eerste. Dat vond men toen nog een schande.”

Kijkt u veel televisie?

“Nooit.”

Pardon?

“Ik kijk nooit televisie. Ik ben wel een fervent krantenlezer, dus ik weet wel wat er op televisie te zien is. Ik kijk er niet op neer; ik zou elke dag wel een programma kunnen vinden dat mij ­interesseert, maar ik wil daar niet te veel tijd aan besteden. Ik lees graag, ik ga graag naar de cinema, ik hang liever geen hele avond voor televisie.”

Dan weet u dat de thema’s die u vroeger behandelde, vandaag alomtegenwoordig zijn – van transgenders tot mensen met het syndroom van Down.

“Men heeft gezien dat zulke thema’s succes ­hebben, zo eenvoudig is dat. Daarom smeert men alles liefst uit in lange reeksen. Dat heb ik zelf nooit willen doen. Ik heb ooit een reportage gemaakt over landbouwers die alleen leefden. Dat gaf een prachtig beeld van de tragiek van zulke mensen. In die reportage kwam één man voor die een beetje een gekke figuur was.”

Wijlen Boer Charel, die beroemd werd.

“Precies. Omdat hij zo opviel in mijn reportage, heeft men een reeks gemaakt over die man. Men heeft mij nog gevraagd om die reeks te produceren. Maar dat wilde ik niet. In die reeks maakte men een clown van die man. En dat deed ik nooit.”

Men maakte hem belachelijk.

“Zover zou ik niet gaan. Men ging met hem naar New York en zo, dus die man heeft zeker de tijd van zijn leven gehad. Maar ik wilde dat programma niet maken. Ik heb nooit gewild dat mensen uit mijn programma’s beroemd werden, of in de problemen zouden komen. Mijn invalshoek was ook altijd journalistiek, nooit entertainment. Dat is vandaag anders. Jonge regisseurs willen meer entertainen. Dat zie je onder meer aan de mooie beeldvoering. Dat heb ik nooit gedaan.”

Wat is er mis met mooie beelden?

“Als je de werkelijkheid wilt registreren, kun je geen mooie beelden maken. Ik weet nog dat ik als jonge regisseur een reportage ging maken over het gebruik van hormonen in de veeteelt. Om te laten zien hoe bronstig de beesten van die ­hormonen werden, wilde ik filmen hoe koeien elkaar besprongen als waren het stieren. De cameraman zette de camera klaar op een ­driepoot en begon te wachten. En ja, die beesten besprongen elkaar wel, maar de cameraman had alles gemist, omdat het niet voor zijn lens gebeurde. Toen heb ik gezegd: vergeet die mooie beelden, pak de camera op je schouder en ­registreer wat er gebeurt.”

Kat Steppe, regisseur van Taboe met Philippe Geubels, staat bekend om haar geduld. Zij wacht naar verluidt soms urenlang tot er iets gebeurt voor de camera.

“Maar zo werkt het niet. Als je de camera ergens zet en zit te wachten tot er iets gebeurt, dan film je alleen wat voor de camera gebeurt. Ik ga ervan uit dat esthetiek en echtheid niet samengaan. Hoe mooier het beeld, hoe groter de manipulatie. Ik hou trouwens ook niet van al die participerende reporters. Als je in een reportage over kloosters ziet dat de reporter samen met de nonnetjes aardappelen aan het schillen is, dan weet je: dat doet ze alleen omdat de camera draait. Zodra de camera stopt, stopt ze met schillen.”

Paul Jambers: "Esthetiek en echtheid gaan niet samen. Hoe mooier het beeld, hoe groter de manipulatie." Beeld Karel Duerinckx

Nu hebt u het over Annemie Struyf.

“Ik noem geen namen. Maar ik hou niet van zulke reportages. Bij mij zou je dat vroeger nooit gezien hebben. Mensen zeggen vaak dat ik zelf voortdurend in beeld kwam, maar dat klopt niet. We kunnen hier samen al mijn reportages bekijken, en geen enkele keer zult u zien dat er bij een vraag naar mij wordt gecut. Dat deed ik niet.”

Voor iemand die nooit televisie kijkt, weet u bijzonder goed wat er te zien is.

(lacht) “Soms vang ik een glimp op. Dan verplicht ik mijzelf om drie minuten te kijken. Langer hou ik het zelden vol.”

Uw bijnaam bij Panorama in de jaren 80 was ‘Pieken Paultje’, omdat u hoge kijkcijfers haalde. Herinnert u zich nog wanneer u voelde dat uw stijl aansloeg?

“De eerste keer dat ik dat voelde, was bij een reportage over schoolmoeheid bij jongeren. Ik had mogen filmen in een beroepsklas in Duffel, waar leraren gepest werden en leerlingen echt ‘foert’ zeiden. Na de reportage was er nog een debat met een directeur en toenmalig minister van Onderwijs Daniël Coens. De minister beschuldigde mij van manipulatie, maar de ­directeur zei: ‘Dat is helemaal geen manipulatie, dat is de werkelijkheid. Het is zelfs nog erger dan dat.’ En die man kon het weten.”

Uw beroemdste reportage, over de Millet-rage, speelde zich ook af in scholen.

“Dat was in 1986. En het was mijn absolute doorbraak, dat is juist. Die reportage ging eigenlijk niet over jongeren die Millet-jassen droegen, maar over het klassenonderscheid op de ­speelplaats. De symboliek daarvan was niet te onderschatten: in die reportage zag je het elitaire groepsdenken van de kinderen van ouders van de generatie van mei ’68. Die kinderen waren echte materialisten geworden. Wie geen Millet-jas droeg, hoorde er niet bij.”

U was 23 in mei ‘68. Hoe hebt u die periode beleefd?

“Ik studeerde aan de filmschool in Brussel. En ik vond het een fantastische tijd. Er hing ook bij ons een prerevolutionaire sfeer. Docenten werden afgezet, gebouwen werden bezet. Al mijn ­vrienden waren revolutionairen. Iedereen deed mee. Je kon niet anders.”

Had u als arbeiderszoon geen reserves bij die studentenopstand?

“Toch wel. Mijn vader was inderdaad arbeider, en aan de filmschool zag ik dat de meeste revolutionairen uit de hogere milieus kwamen. De studenten riepen wel ‘Alle macht aan de arbeiders!’, maar dat was geforceerd. Ik relativeerde dat toen al. Ik geloofde niet in de revolutie. Ik heb toen nog een film gemaakt over de onmogelijkheid van communicatie tussen arbeider en student.”

Waarover ging die film?

“De film was mislukt, hoor. En een beetje overdreven. Het was een kortfilm over een arbeider en een student die samen op stap gingen. Maar de volgende ochtend stond de arbeider weer op de steigers, terwijl de student nog lag te slapen. De student wilde de wereld veranderen, de arbeider wilde behouden wat hij had. Ik vond het van al die revolutionaire studenten nogal gemakkelijk om fel tegen de consumptiemaatschappij te zijn, ­terwijl ze er volop deel van uitmaakten.”

U voelde zich meer verwant met de arbeider dan met de student?

“Ik was nog aan het zoeken. Ik was vooral bezig met mijzelf te ontplooien. Ik had dus niet zozeer de behoefte om de maatschappij omver te werpen. Ik was dankbaar dat ik film kon studeren. Mijn vader was daar niet erg voor. Hij geloofde daar niet in. Ik had voordien al drie jaar landbouwingenieur gestudeerd in Gent, maar daar geloofde ik dan weer niet in. Ik was wel geslaagd na het eerste jaar, maar zag daar de finaliteit niet van. In de filmschool daarentegen kon ik volledig opgaan.”

Hoe kijkt u vandaag naar het debat over mei ‘68? Volgens Bart De Wever ligt daar de bron van veel onheil, volgens anderen was het de bevrijding.

“Ik volg de discussie met interesse, maar wat mij betreft is het voorbij. Het enige wat ervan is ­overgebleven, is het feit dat autoriteit niet zomaar meer wordt aanvaard. Kerk en Staat hebben het niet meer voor het zeggen. Het was een emancipatiebeweging, en dat is positief. Alleen waren de aanstokers verwende jongeren die niets tekortkwamen, die nooit hadden moeten vechten om te overleven. In die zin was de maatschappijkritiek van mei ’68 een beetje vrijblijvend.”

Het waren de gouden jaren 60.

“Mensen kunnen zich dat vandaag niet meer voorstellen, maar er was toen volledige tewerkstelling. Werkloosheid bestond niet. De wereld lag aan onze voeten. De welvaart nam toe. Ik had als student al een auto. Wij geloofden echt dat het niet op kon. Daarom trokken de ­arbeiders zich van die revolutie ook niet veel aan. Soms werden studenten weggejaagd, als ze op hun gitaar kwamen spelen om de arbeiders te steunen. Ik begreep dat. In die zin heb ik altijd aan de kant van de arbeider gestaan.”

Wat vond uw vader van de revolutie?

“Hij had daar ook geen boodschap aan, uiteraard. Hij werkte dag en nacht, en verdiende goed zijn boterham. Toen ik mijn eerste job had, als copywriter bij een reclamebureau, lachte mijn vader mij uit. Hij verdiende drie keer zoveel als ik. Ik heb altijd veel respect gehad voor arbeiders. Dat klinkt misschien ouderwets, maar zij creëren de meerwaarde. Ik heb genoeg sociale conflicten gevolgd als journalist om dat te weten. De werkman heeft niet altijd een boodschap aan wat ­vakbondsleiders of politici zeggen.”

Mede daardoor is het Vlaams Blok in de jaren 80 en 90 zo sterk doorgebroken. Begreep u dat?

“Die partij wist heel goed in te spelen op het Vlaams gevoel, dat toen in Antwerpen nog sterk aanwezig was. En er was natuurlijk de migratie, waar veel mensen misnoegd over waren. Herinner u de fameuze reportage over die man in een café in de Seefhoek. De man die altijd zei: ‘Zwanst na ni, hè!’.”

De man die vond dat Hitler wel eens mocht terugkomen. Tot vandaag denkt iedereen dat het een reportage van u was. Maar Paul Muys had ze gedraaid.

“Inderdaad. Ik was tegen die reportage.”

Waarom?

“Ik vond dat je zulke racistische uitspraken niet mocht uitzenden.”

Hoe? Paul Muys liet toch de betrokkenen zelf aan het woord? De gewone man?

“Juist. Maar ik liet mensen over zichzélf praten, niet over de anderen. Ik heb toen voor dezelfde uitzending een reportage gemaakt over migranten: een portret van vier Marokkaanse verpleegsters die witte bejaarden moesten verzorgen. Fantastische beelden. Maar ik kreeg het verwijt dat ik vier modelmigranten had gezocht, en dat was waar. Ik wilde de kijker als het ware overtuigen van de positieve kant van de migratie. En zo werkt het niet. Je moet als journalist de realiteit laten zien zoals ze is.”

U selecteerde toch altijd uw getuigen?

“Ja, maar als ik een thema belichtte, wilde ik dat mijn vijf of zes getuigen een correcte weergave vormden van de werkelijkheid. Ik had trouwens al lang voor de doorbraak van het Vlaams Blok een reportage gemaakt over migranten. In 1979 zei Paul Steels, die toen voorzitter was van de Foyer in Molenbeek, mij: ‘We zitten op een tijdbom’. Dat ben ik nooit vergeten.”

Hoe hebt u dat zien evolueren?

“Halfweg de jaren 80 heb ik een Turkse familie met twee mooie huwbare meisjes gevolgd naar hun geboortedorp in de buurt van het stadje Emirdag. Wat mij opviel, was dat die meisjes zo snel mogelijk zoals wij wilden worden. Ze wilden korte rokjes dragen, en zeker geen hoofddoek. De tweede generatie wilde zich emanciperen, vaak tegen de zin van hun ouders in. Vandaag is dat helemaal omgeslagen.”

Hoe verklaart u dat?

“Ze waren toen met minder, dat speelt zeker mee. Jongeren willen lijken op de mensen die hen omringen. Vandaag kunnen ze zich makkelijker terugtrekken in de comfortzone van hun eigen gemeenschap. Daardoor ontstaat een parallelle samenleving. Een andere verklaring is volgens mij ook dat wij hen hebben weggeduwd. Jaren later kwam ik een van die meisjes uit Molenbeek opnieuw tegen. En toen droeg ze een hoofddoek en wilde ze niet meer met mij ­praten.”

Hebt u eens geen reportage gemaakt over gemengde huwelijken?

“Ja. Ik had onder meer een moslima gesproken die was getrouwd met een Vlaamse jongen die zich voor haar had bekeerd tot de islam. Voor mij was dat een positief voorbeeld van integratie. Maar toen ik haar diep interviewde, zei dat meisje dat ze het nooit opnieuw zou doen. Haar vader was er altijd tegen geweest, zei ze, tot op zijn sterfbed. En als ze opnieuw mocht kiezen, zou ze haar vader gevolgd hebben. Dat is mij altijd bijgebleven.”

Begrijpt u de doorbraak van de populisten?

“Natuurlijk. Een eenvoudige boodschap dringt altijd makkelijk door. En als je een echte ­democraat bent, kun je ook niet zeggen dat het populisme een bedreiging is. Mensen kiezen voor wie ze willen. En populisme is op zich niet goed of slecht, het hangt er maar vanaf wat je ermee doet. Mij werd ook altijd verweten dat ik een sensatiezoeker was.”

U liet ook de gewone man aan het woord, nooit de expert. Een beetje zoals de ­populisten.

“Met die vergelijking ben ik het niet eens. Experts hebben mij vaak gevraagd of ze mijn reportages mochten gebruiken als studiemateriaal. Over alcoholisme, ongeneeslijk zieke patiënten, moordenaars… Noem maar op. Ik vond het essentieel om mensen zelf te laten getuigen. Zij wilden dat ook. Zij hunkerden ernaar om zichzelf te verklaren. Maar ik heb nooit de sensatie gezocht. Ik ben ook nooit een liefhebber geweest van voxpop in het nieuws. Eén keer heb ik het gedaan, en dat fragment staat nog op YouTube.”

Welk fragment is dat?

(toont een filmpje) “Hier, het is makkelijk te ­vinden. Googel op ‘Jambers’ en ‘Mijn filouke’ en je hebt het meteen. Dat was een vrouw die ik op straat interviewde nadat wijlen koning Boudewijn had geweigerd om de abortuswet te ondertekenen. Zij begreep dat de koning dat had geweigerd, zei ze. Als je geen kinderen wilt, moet je maar je voorzorgen nemen, zoals haar Filouke altijd had gedaan. En luister eens goed. Wat hoort u?”

Euh. Niets speciaals.

“Er staat een lachband achter dit filmpje.”

Verdorie. Nu u het zegt.

“En dat hebben de programmamakers van Woestijnvis gedaan. Het fragment is voor zover ik me herinner nooit uitgezonden in Panorama, omdat ik dat niet wilde. Maar het zat in het VRT-archief, en in een van hun archiefprogramma’s heeft Woestijnvis het ooit uitgezonden met een lachband.”

Over Woestijnvis gesproken. Bent u nog altijd boos op Jan Eelen, de maker van onder meer In de Gloria, die zich door u liet inspireren?

“Ik heb In de Gloria nooit gezien. En ik ben niet boos op Jan Eelen. Toen hij mij vroeg voor de pilootaflevering van De ideale wereld heb ik dat met plezier gedaan. Maar ik heb wel een probleem met mensen die doen alsof ik vroeger de gewone man belachelijk wilde maken. Dat wilde ik net niet. Ik heb nooit mensen belachelijk gemaakt. Ik nam de mensen serieus, ik wilde hen optillen. Daarom vond ik de manier waarop de makers van In de Gloria soms naar mij verwezen, totaal ongepast.”

Ik ben geneigd om het met u eens te zijn. Zij lachten mensen uit.

“Juist. Het is zeer gemakkelijk om een karikatuur te maken van de onmondige, onnozele Vlaming. Zoals met de lachband achter die vrouw die over haar man praat. Zij maken die vrouw totaal belachelijk. Ik heb alles altijd gedaan met liefde voor de mensen die ik filmde. Getuigenissen die mensen naar beneden haalden, heb ik niet gebruikt.”

Er is toch ooit een man in de problemen gekomen thuis omdat hij in een aflevering van Jambers op VTM had getuigd over plasseks?

“Dat is slecht geweest voor mijn reputatie. Maar dat had ik niet zelf gefilmd. Ik neem alleen verantwoordelijkheid voor reportages die ik zelf heb gedraaid. In 1998 had ik het een beetje gehad met filmen. VTM wilde reportages onder mijn naam blijven uitzenden, en dus werden die reportages gedraaid door medewerkers. Ik heb geprobeerd om dat zo veel mogelijk bij te sturen, maar het was een onmogelijke opdracht. Maar goed, ik had een bedrijf met honderd werknemers, dus zakelijk was dat interessant.”

Paul Jambers: "Als journalist heb ik nooit politieke steun gewild." Beeld Karel Duerinckx

Had u, in andere omstandigheden, bij de VRT kunnen blijven?

“Vandaag zou dat mogelijk geweest zijn. Maar toen had je als journalist geen enkele bewegingsvrijheid. Als ik in 1992 niet naar VTM was gegaan, had ik nog vele jaren aan datzelfde ijzeren bureautje bij Panorama gezeten. En in de ­hiërarchie gaan, was sowieso onmogelijk zonder politieke steun.”

Hebt u ooit een partijkaart gehad?

“Dat heeft nu geen belang meer.”

Van de socialistische partij?

“Welja. Begin jaren 70 kregen tien freelanceregisseurs een vast contract bij de openbare omroep. Daar had je politieke steun voor nodig, en die ben ik gaan vragen aan Jos Wijninckx, toen de ­socialistische topman in Hoboken. Ik ben even lid geworden van de partij en ben vakbondsafgevaardigde geweest voor het socialistische ACOD, omdat ik ijverde voor de opname van freelance­regisseurs in het kader. Dat is ook gelukt. Eind jaren 70 ben ik journalist geworden via de geijkte examens.”

U lijkt mij vandaag politiek nogal onthecht.

“O ja, volledig. Als journalist heb ik nooit politieke steun gewild. Ik heb altijd gestreefd naar ­onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Als ik een duidelijke politieke kleur had, zou ik straks die reportages in Antwerpen niet kunnen maken. Wat ik ga doen met al die lijsttrekkers, is gebaseerd op vertrouwen. Iedere politicus draagt een zendertje en moet mij vertrouwen dat we niet luisteren als de camera niet draait. Ik zou hen in een valstrik kunnen lokken, maar dat doe ik niet.”

U gaat hen optillen, zoals u dat met de gewone man deed?

“Nee, dat ook niet. Ik heb minder mededogen met politici dan met boer Charel.”

Is uw zoon Enno opnieuw de cameraman, zoals in 2014?

“Ja. Het is een luxe om te kunnen werken met iemand die je goed kent en die je visie deelt. Ik heb hem de liefde voor het vak bijgebracht, trouwens. Toen hij 12 werd, heb ik hem een camera gegeven, en hij was daar meteen door gebeten.”

U bent wel nooit een familieman geweest.

“Nee, ik was een workaholic. En daar heb ik van genoten. Televisie maken kwam voor mij altijd op de eerste plaats. Nu koester ik mijn privéleven, maar vroeger veel ­minder.”

Heeft uw zoon u dat nooit kwalijk genomen?

“Dat weet ik niet. Ik heb een redelijk goed contact met hem en met mijn kleinzoon, maar ik ben nooit zo’n groepsmens geweest. Ik ben nogal op mezelf. Ik ben wel sociaal, ik hou van mensen, maar ik hou afstand. Dat was misschien mijn kracht als interviewer. Ik begon geen kromtaaltje te spreken als ik een boer interviewde. Dat doen reporters vandaag te veel.”

De tussentaal rukt op.

“Verschrikkelijk vind ik dat. Presentatoren spreken mensen aan met ‘gij’ en ‘ge’. Heel erg. Ik heb iedereen altijd als gelijkwaardig beschouwd. Daarom spreek ik Nederlands met iedereen. Ook met boer Charel. Dat helpt om afstand te houden. Ik hoef niet zonodig met mensen te verbroederen. Als mens is dat misschien een nadeel soms, maar voor een journalist is dat niet slecht.”

U lijkt in dat opzicht een beetje op Bart De Wever.

“Ja, die is ook erg op zichzelf. Ik zie dat. Ik denk dat hij het nog wat harder heeft dan ik.”

Tot slot: ik moest van een collega vragen of u soms stiekem een frietje met mayonaise gaat eten, zonder dat uw vrouw Pascale Naessens het weet?

(lacht) “Zeg maar tegen uw collega dat het vijftien jaar geleden is dat ik nog een frietje at. Daarom ben ik zo in vorm. Ik voel mij vandaag beter dan twintig jaar geleden.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden