Donderdag 12/12/2019

Beeldende kunst

De cameo in de kunst: waarom schilders zichzelf afbeelden

Jan Steen - Zoals de ouden zongen, pypen de jongen. (De getoonde werken zijn in bezit van De Lakenhal Leiden, Philadelphia Museum of Art, Het Rijksmuseum Amsterdam, het Mauritshuis Den Haag, het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en de Wallace Collection.) Beeld Rv

Verscholen in de menigte of te zien in een weerspiegeling: de schilders Jacob Jordaens en Jan Steen beeldden zichzelf af in eigen werk. Streefden zij naar eeuwige roem? En had Steen echt een bandeloze dubbelganger?

Ik was 6 en ging naar het Rijksmuseum met mijn vader. Kijkend naar de schutters van De nachtwacht vertelde hij dat de schilder van het doek, Rembrandt, er zelf ook tussen stond. Nadat mij was gevraagd hem te vinden, en ik zo'n beetje alle 25 figuren op het schilderij had geopperd ('Die met die stok?' 'Nee.' 'Die met het geweer?' 'Nee.' 'Het meisje?' 'Nee. En blijf achter het koordje.') wees mijn vader de verstopte schilder maar zelf aan: links van het midden, tussen een helm en een hoed, bevond zich een oog, en dat oog dat was 'm. Thuis vertelde ik vriendjes dat ik Rembrandt had gezien. Hij had maar één oog.

Een weinig uitzonderlijke anekdote, ik weet het. Iedereen die gezelschap meeneemt naar de eregalerij wijst Rembrandts loerende oog aan. Het 'Waar is Waldo?'-achtige zoeken en het gegeven dat Rembrandt, koning der schilders, maker van waarschijnlijk het beroemdste schuttersstuk aller tijden, zichzelf er als een impopulaire puber op een klassenfoto opzette, spreekt tot de verbeelding.

Het spreekt überhaupt tot de verbeelding, een schilder die zichzelf in eigen werk als figurant opvoert. Bij Jordaens en Steen: Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen nu in het Mauritshuis, hoor je denk ik ook vaak: 'Kijk, dat is hem!'

Op de mini-expositie hangt een doek van Jacob Jordaens (1593-1678), Soo d'ouden songen, soo pepen de jongen uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, naast een doek van Jan Steen (1625-1679) Soo voer gesongen, soo na gepepen, uit de eigen collectie.

Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tyt

Zo'n kunstwerk-uit-logeren-tentoonstelling is een marketingtruc die stilletjes aan sleets begint te voelen, maar hier snijdt het hout. De expositie toont de visie van beide schilders op een spreekwoord uit Jacob Cats' boek Spiegel van den ouden en nieuwen tyt uit 1632. Twee werken die iconografisch verwant zouden zijn. Dat zijn ze: Steen bezat een prent van een eerdere variant van Jordaens schilderij. Hij zou daarnaar hebben gekeken bij het ontwerpen van zijn eigen schilderij, maar erg veel zie je daarvan niet terug. Van het aantal afgebeelde figuren (zes bij Jordaens, tien bij Steen) tot de weergave van het vertrek (donker en ondiep versus licht en ruimtelijk) en schilderwijze (gloedvol en romig versus kraakhelder en spaarzaam): de verschillen zijn groot.

Wat ook verschilt is de clou. De Belg is, wellicht niet verrassend, minder direct, maar ook minder moralistisch dan de Hollander. Jordaens toont kinderen die letterlijk de ouden nafluiten: ze imiteren op blokfluitjes het lied dat de ouderen voorzingen. Bij Steen wordt dat: de jongelui kopiëren de oudjes in hun mateloosheid. En dus zit opa rozig te knikkebollen en laat moeder zich nog eens bijschenken en is er niemand die let op het jochie dat een trekje neemt van de pijp.

In deze kluchten hadden de schilders beiden een cameo: Jordaens als de blazende doedelzakspeler, waarschijnlijk; Steen als de onverlaat met de zwarte hoed die het jongetje laat roken. Zulke geschilderde visuele grapjes kent u. Ze gaan terug tot de Middeleeuwen, wellicht verder. Enkele van mijn favorieten: Joos van Cleve (1485-1541) die een apostel bijschenkt tijdens Het Laatste Avondmaal; Rembrandt die met zijn gouden krullenbol opduikt in een historiestuk; Caravaggio die de afgehakte kop van Goliath modelleerde naar zijn eigen baardige gelaat. Men kan zich indenken waarom schilders zulke portretten toevoegden. Los van praktische en marketingtechnische motieven, speelde een hang naar postume roem wellicht een rol. Een geheim zelfportret in een historiestuk is toch een beetje als een verstekeling op een schip die een ongewisse toekomst tegemoet vaart. Gewaardeerde toekomstige kunstkijker, zo zag ik eruit.

Vindt u Jan Steen? Beeld rv

Koning van de cameo

De koning van de cameo is Jan Steen. Het exacte aantal keren dat hij op eigen werk een bijrol vertolkt is lastig te zeggen (iedere schilder schildert zichzelf, waardoor veel figuren Steenachtig aandoen) maar een snelle telling leert: minstens twintig. 'Steen het personage' was altijd in voor een verkleedpartijtje. Vaak draagt hij zijn zwarte hoed en witte kraag, maar net zo makkelijk gaat hij gekleed in een narrenpak of vermomd als dienstmeid; ook is hij soms uitgedost als minstreel of boer. Steen speelde vele rollen. Jan was Alleman.

Overigens was zijn eigen beeltenis niet de enige die Steen voortdurend liet opduiken. Ook zijn eerste vrouw, Grietje de dochter van schilder Jan van Goyen, zijn kinderen en zijn tweede vrouw, Marietje Herculens, figureren in zijn liederlijke kroegtaferelen en wanordelijke huishoudens. Niet altijd tot genoegen van de geportretteerden, naar verluidt. Met name Herculens was ongelukkig met het feit dat dat haar echtgenoot haar toonde als 'een dronke wyf, een koppelaarster' of een 'geyle snol', terwijl 'zy wenschte uytgeschildert te werden als een fatsoenlyke vrouw' (Uit: De Levens-Beschryvingen der Nederlandsche Konst-Schilders van Jacob Campo Weyerman, 1769). Arme Marietje. Tegelijkertijd spaarde Jan Steen zichzelf niet.

Immers, in een tijd dat de meeste schilders zichzelf als beschaafde lieden afbeelden, portretteert Steen zichzelf als wat men in de vakliteratuur de ondeugd zou noemen en wat u en ik beschouwen als een lompe boer. We zien hem vrouwen onder de rok grijpen en onanie simuleren in gezelschap; ook zien we hoe hij zich het geld uit de zak laat kloppen door schrandere koppelaarsters en straatmeiden. Valt er ergens wat te rellen, dan vormt Steens grijnzende, breeduit toostende, met lege schelpen strooiende verschijning standaard het middelpunt. Dat wanordelijke huishouden, dat was Steen zelf.

Tegelijk, en dat is het aardige, is Steen als personage vaak zelfbewust. Noem hem een meta-personage. Zoals Woody Allen in Annie Hall soms opeens uit de vertelling stapt zo kijkt Steen ons vaak aan om ons duidelijk te maken wat er in een voorstelling gebeurt en, vooral, wat we daarvan moeten vinden. Zo maakt hij op een schilderij van een kraamvisite horentjes achter het hoofd van de pasgeborene (betekenis: het kind is niet van de trotse vader), en houdt hij bij een zieke vrouw een haring en twee op testikels lijkende bosuien in de lucht (ze moet eens van bil gaan). In beide gevallen maakt zijn breed grijnzende gezicht direct duidelijk wat de gewenste reactie is: wij kijkers worden geacht te lachen. Ís het ook om te la-chen? Indirect. Je lacht om Steens lol om zijn eigen grappen, amper om de grappen zelf.

Vindt u Jan Steen? Beeld rv

Tussen biografie en hagiografie

Wat ik me nooit zo had gerealiseerd, is het verband tussen Steens fysieke aanwezigheid op zijn schilderijen en de gewoonte om die schilderijen als strikt biografisch te beschouwen. Over dat leven is verrassend genoeg niet zo gek veel bekend. We weten dat Steen werkte in Leiden, Delft en later Haarlem en dat hij trouwde, veel kinderen kreeg, weduwnaar werd en hertrouwde; we weten van geldproblemen, schuldeisers, 's mans gewoonte met zijn kunstmaten Jan Lievens en Frans van Mieris de kroeg in te duiken. Daar stoppen de feiten. De rest is hagiografisch. Wat voor man hij was en hoe hij dat schilderen en het uitbaten van zijn kroeg precies combineerde met het opvoeden van al die kinderen daarnaar moesten zijn biografen gissen. Logischerwijs keerde men zich tot zijn schilderijen.

Waarmee natuurlijk niet is gezegd dat er geen enkele gelijkenis bestond tussen de schilder en zijn bandeloze dubbelganger; noch dat Steen zich er als kunstenaar geheel onbewust van was dat hij makkelijk met die dubbelganger kon worden verward. Integendeel, je hoeft maar een seconde naar zijn ironische zelfportret in het Rijksmuseum in Amsterdam te kijken om te beseffen dat het creëren van die verwarring precies de reden was dat Steen zijn evenbeelden überhaupt begon te schilderen. Het is een fascinerend soort verwarring, niet geestdodend. Kijkend naar Steens cameo's kun je je eindeloos afvragen waar de feiten eindigen en de fictie begint. Dat is hun mysterie, dat is hun aantrekkingskracht. 

Bij deze doedelzakspeler (linksboven in beeld) valt niet met zekerheid te zeggen of het Jacob Jordaens is. Er bestaan argumenten voor en tegen. Beeld KMSKA, Lukas - Art in Flanders vzw
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234