Maandag 16/12/2019

Interview

De 10 levenswijsheden van Jan Hoet

Beeld Eric de Mildt

Dit interview met Jan Hoet verscheen in De Morgen op 1 juni 2011. We publiceren het nu opnieuw ter gelegenheid van 40 jaar De Morgen.

‘Zijn bevlogenheid en werklust zijn legendarisch. Het vuur waarmee hij zoveel mogelijk mensen overtuigt van de deugden van de kunst, brandt als vanouds.’ Het zijn de woorden van de jury die maandag aan Jan Hoet (75) de Prijs van Algemene Culturele Verdienste uitreikte. Maar wat zijn de wijsheden van Jan Hoet? En waar komt zijn bevlogenheid vandaan? Een tijd geleden interviewde Anna Luyten voor cultuurhuis deBuren hem in het kader van een fictief in memoriam. De regels van Hoet.

Plezier en respect, dat hadden wij

“Nergens anders vindt men een bevolking die zo open staat voor wat irrationeel en onlogisch is, als in Geel. Ik heb er onlangs mijn ouderlijk huis nog eens bezocht. Het is nu een therapeutisch centrum voor psychiatrische patiënten die er kunst beoefenen.

“Mijn vader was er psychiater. Wij waren thuis met zeven kinderen en vijf patiënten. Drie van die patiënten leefden dag en nacht met ons samen. Twee anderen gingen ‘s avonds terug naar het ziekenhuis omdat het huis te klein was. Het waren allemaal fantastische mensen. Wij hebben er als kind zoveel plezier mee beleefd. Een van hen was een meisje dat ‘s morgens om zes uur begon te breien en ‘s avonds om acht uur pas stopte. Zonder dat ze ooit een trui, een sok, zelfs geen sjaal heeft afgemaakt. Zo breide gij niet, zo hebde gij niet... Ieder dag weer opnieuw dat zelfde motto. We hadden er bewondering voor. Plezier en respect, dat hadden wij.”

Mildheid dient tot niets

“Mijn eerste vader, de psychiater, was een klassieke patriarch. Hij had altijd een witte kiel aan, hij had altijd gelijk. Later ben ik een kind van het Museum voor Hedendaagse Kunst geworden. Karel Geirlandt was mijn tweede vader. Als mijn vader kunst kocht, zocht hij het bij de animisten. Hij zocht een soort mildheid in de kunst.

“Geirlandt was meer een revolutionair, in dat opzicht ben ik een kind van hem. Ik heb ook gezien dat die mildheid tot niets dient. Dat animisme in de kunst, die terugkeer naar de ziel, dat is een sentiment. De mensen die dat kochten, zochten een spiegel van het sentiment. Ook in het leven, om met zichzelf in het klare te komen.

“Maar de expressionisten, dat is Sturm und Drang. Als je daarnaar kijkt, krijg je een schok. Als je Permeke ziet, die beginperiode in de jaren twintig, dat is bonkig.

“Mijn ouders gingen veel meer naar de klassiekere werken. Geirlandt naar de revolutionaire.”

Leef zonder alternatief

“Bijna de hele wereld was tegen de dingen die ik deed. De leraars van de academie verboden hun leerlingen om naar het museum te komen. Nu zijn de musea in België enorm mild. Dat zijn blockbusters. Ze brengen de namen waarmee iedereen akkoord gaat. De leerlingen van de academie zullen nu zeker opgetogen zijn. In mijn tijd zeiden ze tegen mij: ‘Wat wij op school leren, is veel moeilijker dan die brol die Jan Hoet in het museum toont.’

“Ik kreeg van iedereen tegenkanting. Ook van het schepencollege, dat zei: ‘We geven geen geld meer aan die man, anders brengt hij weer van die brol.’ Ik heb drie jaar zonder geld gezeten. Maar dat zijn uitdagingen. In zulke situaties vraagt een mens zich af: ‘Heb ik een alternatief? Kan ik iets anders doen dan wat ik doe?’ Het was mijn vrouw die mij die vraag zo stelde.

“Iedere ochtend, telkens als ik naar het museum wandelde, nam ik een andere route. Ik wou de bakker niet opnieuw tegenkomen die me altijd weer confronteerde met alles wat hij in de gazet tegen mij had gelezen. Ik wou niet horen wat de fietsenmaker, die altijd op de stoep zijn fietsen stond te maken, weer te zeggen had... Ik kon er ‘s nachts niet meer van slapen. Mijn vrouw zei:

‘Heb je een alternatief?’

‘Neen, ik heb geen alternatief!’

‘Awel, slaap dan!’

“Zo slim! Zo eenvoudig! Dat was radicaal gesproken van mijn vrouw. Maar wel een schok die inzicht bracht.

“Je moet de dingen altijd omdraaien. Je moet eruit geraken. Als dat je lukt, ben je dubbel zo sterk als een ander!”

De vrouw als grenswachter

“Mijn vrouw is altijd een strijdmakker geweest, maar altijd van op een afstand. Tenzij het echt dringend wordt, dan treedt ze op. Zelfs wanneer ik verliefd word. Ik word nogal snel verliefd. Dan zegt ze op een goed moment: ‘Tot daar, en niet verder.’ Ik heb dat nodig natuurlijk.

“Want ik ben ook trouw. Het is een keuze. Je kunt verliefd zijn, en na vier jaar weer opnieuw, en dan na tien jaar weer. Dat verliefd worden, is altijd maar hetzelfde. Je leert de verliefdheid om te buigen in een diepere vriendschap. Dat is veel belangrijker. Dat leer je met de jaren. Onlangs heb ik gehoord dat een eerste huwelijk in België meestal maar veertien jaar duurt. Het mijne al vijftig jaar! Het kan dus, maar je moet er wel moeite voor willen doen, een huwelijk vraagt een wil om door te zetten. Dat is niet eenvoudig, u in die doorzettingskracht door niets laten tegenhouden. Zelfs niet door verliefdheid. Ik heb ondervonden dat de eerste liefde meestal de sterkste is, maar het duurt lang om dat te weten te komen.”

Blijf gefascineerd

“Ik keek door het sleutelgat. Ik zag bloed. Ik zag dat mijn vader een maagoperatie aan het uitvoeren was, samen met twee assistenten in onze woonkamer, aan een soort operatietafel. Hij was naast psychiater ook arts. En ik was heel curieus. Ik viel flauw. Toen de operatie afgelopen was, kwamen ze naar buiten en zagen ze me voor de deur liggen.

‘Wilt gij misschien dokter worden?’, vroeg mijn vader.

‘Ik peins het niet’, zeg ik tegen hem.

‘Maar goed ook, want het is voor ons al moeilijk genoeg’, zegt hij.

“Ik heb over die woorden lang nagedacht. Het is eigenlijk waar, het is voor dokters al moeilijk genoeg.

“Door het feit dat ik opgroeide tussen de dokters, stond ik veel dichter bij de waarneming van de dood. Een dokter heeft het altijd over ziektes. Zelfs als je denkt dat je gezond bent, weet hij toch nog iets te vinden.

“Ik herinner me een avond in 1990, ik kwam terug uit Rusland. Het was elf uur ‘s avonds. Mijn schoonbroer die ook dokter is, zat nog bij ons thuis. Ik zeg: ‘Wat doet gij hier nog, Jef?’

‘Zet u’, zegt hij. ‘Gij hebt kanker en morgen moet ik u opereren.’

‘Allez’, zeg ik. ‘Morgen? Dat is goed, dan zijn we weg. Waar is mijn pyjama. Leg maar alles klaar, zeg ik tegen mijn vrouw.’ Een uur later zijn we naar het ziekenhuis gereden en om zes uur ‘s ochtends ben ik geopereerd.

‘Ziet gij daar niet van af’, vroeg mijn schoonbroer. ‘Er van afzien, dat helpt niet. Als gij zegt dat het kanker is, dan moet het geopereerd worden.’ Dat is dan gebeurd. Later heb ik nog een hersenbloeding gehad, drie dagen in coma. Ik heb het allemaal doorgemaakt, vijftien operaties.

“Een mens maakt dat allemaal mee en overleeft het. En waarom? Volgens mij omdat altijd als er iets slechts gebeurt, hij zich moet proberen te richten op iets anders.

“Er is altijd wel ergens één element aanwezig dat u ongelooflijk fascineert. Die operatiezaal in een universitair ziekenhuis bijvoorbeeld, was een openbaring voor mij. Ik zag die dokter als een soort hogepriester bij de operatietafel, de armen opgeheven, de verpleegsters die hem zijn groene mantel aandoen. En dan die meisjes met dat mondmasker, die verpleegsters met geschminkte ogen. Meestal blauw geschminkt rond die prachtige blik, flikkerend en vol bewondering voor die hogepriester...

‘Nu zullen we u in slaap doen’, zei mijn schoonbroer, ‘en moesten wij elkaar niet meer zien... ik wens u een goede reis...’ Dat vond ik formidabel.”

Weet dat de broosheid er altijd is

“Ik heb het van kindsbeen af ervaren, hoe breekbaar alles is en hoe snel het gedaan kan zijn. Dat is de oorlog. Ik zat te spelen met mijn kameraad naast mij. Wij hadden een handgranaat gevonden. Die handgranaat ontploft en mijn kameraad is blind. Ik ben er aan ontkomen maar hij niet. En twee patiënten die met ons niet in de schuilkelder wilden. ‘In de kelder willen we niet gaan want als er een bom op het huis valt, valt dat huis in die kelder’, zeggen de zotjes. Wat moesten we doen? We hebben allemaal een schop gepakt. We hebben met alle kinderen in de namiddag een loopgracht gegraven in de tuin. Wij hebben die gracht afgedekt en ‘s anderendaags lagen de twee dood in de tuin. Een bom er op. Een mens die dat beleefd heeft, weet dat de dood nooit ver van u ligt.”

Leef met een ziekelijke nieuwsgierigheid en kijk goed

“Mijn zogenaamde daadkracht zou men beter vertalen als een ziekelijke nieuwsgierigheid. Zolang die nieuwsgierigheid er is, heb je zin om daar iets mee te doen. Hoe meer je ontdekt, hoe meer lust je hebt om een antwoord te vinden, dat te formuleren. Er dan een tentoonstelling mee te maken. Wanneer die ziekelijke nieuwsgierigheid afneemt, dan blijft er niet veel meer over dan met uw pantoffels aan uw voeten naar de tv zitten kijken. Ik kan het niet, moet ik zeggen.

“Ja, af en toe naar een kookprogramma. Cultuur vandaag is niet meer alleen de hoogste cultuurschema’s. Dat is heterogeen. Het is niet meer alleen een boek van Brecht. Cultuur kan ook tien minuten Piet Huysentruyt zijn. Want ik kook graag, dus moet ik toch wel zien hoe hij dat doet. Meestal stel ik vast dat de koks die voor televisie spreken, niet kunnen koken. Ze praten de hele tijd. Er zijn veel mensen die daarom alleen maar luisteren naar wat die kok zegt, maar als je goed kijkt en naar die borden kijkt... dat kan toch niet lekker zijn.”

Wees niet bang

“Ik ben nooit bang geweest uitgerangeerd te raken. Ik heb altijd goed voor mijn kunstwerken willen zorgen.

“Op een bepaald moment waren de hedendaagse kunstwerken van het museum ondergebracht in een depot waar geen verwarming was, geen enkele klimatisering. Toen ben ik naar de burgemeester van Gent gestapt. Ik heb gezegd: ‘Burgmeester, het heeft nu lang genoeg geduurd, maar als u nu volgend jaar op het budget niet plant dat we een klimatisering krijgen, dan zet ik alle kunstwerken op straat. Allemaal!’ De burgmeester zegt: ‘Dat ga je toch niet doen, Jan.’

‘Dat ga ik wel doen, u zult het zien... Als u het niet gelooft, wil ik het nu doen...’

‘Neen’, zegt hij, ‘wacht nog een beetje...’

“Ze hebben het niet gebudgetteerd. Ik ben begonnen met kunstwerken op straat te zetten. Ik zeg: ‘Ze kunnen evengoed op straat staan, daar hebben ze nog wind. Het vocht gaat er nog uit.’ Ik heb de beste werken als eerste buiten gezet. Ik was een werk van Bram Bogaert aan het buitenslepen toen de man van ‘t stad er al stond om te zeggen dat ik een klimatiseringssysteem kreeg.

“En hoe ben ik aan het S.M.A.K. geraakt? Door in de politiek te gaan. Burgemeester Temmerman van Gent zei de hele tijd: ‘Geen sprake van man, en als ge het beter kunt dan gaat ge maar in de politiek.’ Ik zeg: ‘Dat is goed, ik ga wel in de politiek.’ ‘Maar niet in mijn partij’, zegt hij. Daardoor ben ik verplicht geweest om bij de CVP te gaan.

“Ik wil toch altijd een beetje revolutionair zijn. Dat is de enige mogelijkheid om beweging in de zaak te krijgen.”

Wees niet te tolerant

“De kunstpers is zo tolerant. Ik zie geen enkele kritiek meer. Nu beginnen ze al vier weken voor er een tentoonstelling plaatsgrijpt vier bladzijden vol te schrijven over een expo zonder dat die er is. Een mens kan er zelfs niet meer tegen zijn op het moment dat de tentoonstelling te zien is, want iedereen heeft er al positief over geschreven. Dat is niet ernstig meer. Het is allemaal promotie, als de mensen maar... hup... meegedraaid worden in de molen. Neen, ik heb liever wat ze bij mij deden: ‘Wat gaat het nu weer zijn...’ Toen ik Chambres d’Amis deed, hebben ze me totaal zot verklaard. Ze zouden allemaal, de hele pers, gelijktijdig een razzia houden in de Chambres d’Amis, met het oog op het ontdekken van negatieve aspecten. Maar ze hebben moeten vaststellen dat er geen enkele anomalie in zat. Zodat ze toch iets positiefs moesten schrijven. Een maand later.”

Het doel van de kunstenaar is een eenzaam punt

“Het doel van de kunstenaar is een punt te bereiken in zijn loopbaan en in zijn visie waarvan hij weet dat niemand hem op dat moment nog kan helpen. Je moet dat maar doen: als dokter heb je assistenten, als leraar heb je een programma, als advocaat heb je wetboeken. Maar als kunstenaar heb je altijd een punt waar niemand u nog kan helpen.

“Dat is ongelooflijke eenzaamheid, dat is permanent leven met uw tunnel en met het licht dat je daaruit zelf aan het maken bent.

“Vandaar dat ik geen kunstenaar ben. Ik heb kunst proberen te maken. Ik heb prijzen gewonnen, ik ben in exposities geweest. Ik was een goede schilder op school, een van de beste van de klas. In de tijd van Landuyt... Hoewel Landuyt in het begin over mij zei: ‘Als ik van die gast een leraar kan maken dan kan ik dat van mijn schildpad ook.’ Maar ik heb die eenzaamheid niet gevonden. Op een bepaald moment besef je dat je niets vindt dat werkelijk uniek is, zowel in de toets, in de compositie, in de kleur, de vormgeving die je nastreeft. Je vindt niets dat van u is... Je vindt alleen maar wat al gemaakt is. Toen ben ik met schilderen gestopt. Ik ben naar de universiteit gegaan.

“Een kunstpaus worden, heb ik nooit gewild. Dat is de bevolking, dat zijn de stemmen buiten uzelf. Je kunt daar niets aan doen. Plots wordt dat gezegd en heb je het zitten.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234