Woensdag 23/10/2019

Reportage

David Lynch: “Eigenlijk hield ik niet van film”

Lynch aan het werk in zijn atelier. Beeld rv David Lynch

Vanaf volgende week kan u naar Maastricht voor een overzichtsexpo van David Lynch. Voor hij ooit een film maakte, was de cultregisseur immers al beeldend kunstenaar. Zijn atelier in Los Angeles is heilige grond voor Lynch-fans. Maar waar zit de bel?

6 septemberHollywood Hill, Los Angeles

Waar moet ik aanbellen? De taxi heeft me afgezet aan een kronkelige weg, op de zuidflank van Hollywood Hill in Los Angeles, net onder Mulholland Drive (inderdaad, die van de gelijknamige film). Nu sta ik daar voor drie aan elkaar gemetselde panden. In een van de drie heb ik een afspraak met David Lynch (72), regisseur van Twin Peaks, Eraserhead, Blue Velvet, Elephant Man, Lost Highway, Wild at Heart, Twin Peaks: The Return, ja, verdomd, hoeveel duistere en griezelige hoogtepunten kent zijn indrukwekkende film- en televisieseriecarrière wel niet?

Lynch is naast regisseur ook kunstenaar. Hij heeft een rijk oeuvre bij elkaar geschilderd en getekend, waarvan vanaf volgende week een groot overzicht, maar liefst 500 werken, in het Bonnefantenmuseum in Maastricht te zien zal zijn. Zijn dubbelbestaan valt, zoals hij in interviews steeds benadrukt, niet in de categorie ‘beroemdheid die gaat schilderen’, zoals Dennis Hopper, Lucy Liu, Jim Carrey en Sylvester Stallone, om er maar een paar te noemen. 

Het verschil? Dat Lynch als kunstenaar is begonnen. Eerst aan Corcoran School of the Arts and Design in Washington, vervolgens aan de School of the Museum of Fine Arts in Boston en daarna aan de Pennsylvania Academy of the Fine Arts in Philadelphia. Dat is wel iets anders is dan een cursusje aquarelleren. Hij is inmiddels langer schilder, tekenaar, graficus en meubelontwerper dan filmregisseur. Hij wil graag gezien worden als serieus kunstenaar.

David Lynch cult op vrijdag 23/11/2018 Beeld rv Josh Telles

Dat beeld correspondeert met de documentaire The Art Life uit 2017, die ook in een van de drie huizen is opgenomen. Daarin zie je hem schilderen, met zijn handen kleurige drab knedend, worstelend met gesmolten poppenkopjes. Je ziet hoe hij tekeningen maakt met zijn jongste dochter, de 5-jarige Lula. Pratend in een stoel achter zijn minimalistische bureau, in een betonnerig kantoortje, met een ouderwetse telefoon aan de muur; het grenst aan zijn open atelier, waar het Californische licht meedogenloos binnenvalt. En waar de kettingroker zijn peuken brandend op de grond pleegt te gooien.

Mooie beelden, die evenwel nog niet duidelijk maken hoe ik me nu bij een van de voordeuren kenbaar zal maken. Zijn naam scanderen in deze lommerrijke omgeving lijkt me uitgesloten. Ik loop het trapje op naar de woning die het dichtst bij het huisnummer staat, naast de waarschuwing dat het eigendom onder ‘gewapende bescherming’ staat. Er is geen bel te bekennen. Wel een deur die opengaat, waarna ik een gigantische geluidsstudio binnenstap, met een zes meter brede mengtafel en een nog groter filmdoek, tegenover een stuk of twintig ruim zittende bioscoopstoelen.

Beeld rv David Lynch

Holy cow. Hier werden dus vorig jaar de laatste serie Twin Peaks-afleveringen afgemonteerd. Hier werden al die geluidsbanden opgenomen, vol verglijdende onheilsklanken, op synthesizer en steelgitaar. Hier plakte hij de scènes uit zijn video-opnames aan elkaar, zonder precies te weten waaraan hij was begonnen. Heilige grond voor elke rechtgeaarde, zelfverklaarde Lynch-adept. En dat zijn er heel wat, afgaande op YouTube-filmpjes waarin te zien is hoe de regisseur bij discussies en openbare interviews over de hele wereld als een godheid in volle zalen wordt verwelkomd.

De naar verluidt zelf ontworpen studio is indrukwekkend, maar Lynch is nergens te bekennen. Het gevoel dat ik ergens sta waar ik niet behoor te zijn, is overweldigend. Buiten loop ik mee met een bezorger die bij huize Lynch de lunch komt afleveren. Ze belt bij de buren aan.

7 september: Galerie Kayne Griffin Corcoran, Los Angeles

Druk is het wel, maar héél druk ook weer niet. Op de vip-opening van Lynch’s tentoonstelling I was a teenage insect in Galerie Kayne Griffin Corcoran zijn zo’n tweehonderd belangstellenden afgekomen. Ik zie geen bekende Hollywood-gezichten. “We hebben een strikter uitnodigingsbeleid gehanteerd”, legt Genevieve Day uit, directeur van de galerie. “Eerder was het altijd een gekkenhuis. Kwamen er tweeduizend mensen. Nu wilden we alleen verzamelaars, potentiële kopers en museumdirecteuren met wie we samenwerken.”

Een van hen is Stijn Huijts, de directeur van het Bonnefantenmuseum. Hij is in Los Angeles om een paar recente schilderijen van Lynch te reserveren, voor de tentoonstelling in Maastricht die op 30 november zal openen. Het liefst in aanwezigheid van Lynch zelf, wat nog een hele toer zal zijn, legt Huijts uit. “Maar gelukkig zit hij dan al in de buurt, in Parijs, waar hij jaarlijks een maand doorbrengt om nieuwe litho’s te maken.” Ander lastig punt: Lynch niet al te veel vermoeien met opdringerige fans. “We moeten kijken of we hem na de opening ergens apart in een kamertje kunnen onderbrengen om handtekeningen te zetten.”

Op de binnenplaats worden inmiddels cocktails geshaket, met gin en aardbeiensmaak en – hoe bijzonder – houtskoolextract. Lynch zelf arriveert op tijd, wat betekent: als iedereen aanwezig is. Samen met zijn (vierde) vrouw, Emily Stofle, bekijkt hij de tentoonstelling, in een ruim vallend zwart kostuum met glitterprint, waardoor er roos op zijn schouders lijkt te liggen; het markante hoofd afgetopt met zijn beroemde witte kuif. Af en toe wordt hij in zijn rondgang onderbroken door een bekende, die hem, de hand op de schouder, vriendelijk toespreekt, waarna Lynch doorloopt, om zich verderop te laten fotograferen onder de klaarstaande studiolampen.

Hij maakt een contente, allesbehalve getormenteerde indruk.

6 september: Atelier, Hollywood Hill, Los Angeles

Aan de deur verschijnt een tengere jongeman. “Hi Rutger, I am Michael.” Michael is Lynch’s assistent en leidt me door een labyrint van betonnen trappen en stevige deuren, door de keuken met knalrode kastjes, door weer een andere deur, naar buiten, over een zanderig slingerpad omhoog, naar de plaats waar ik moet zijn: het mij al enigszins bekende buitenatelier, onder de beroemde blauwe lucht van LA, naar het aangrenzende kantoortje met (inderdaad) de vaste telefoonverbinding. Én met David Lynch die me de hand toesteekt. “Hi Rutger, I am David.”

Dit is ’m dus. De schrik van elke interviewer. De man die het liefst de regie in eigen hand houdt, zoals wel blijkt uit de
The Art Life-documentaire, waarin hij slechts praat in neuzelige monologen. Die zichzelf in honderden, zeg maar, duizenden anekdotes opdeelt, zoals in zijn semi-autobiografie Room to Dream (eerder dit jaar verschenen) naar voren komt; een geslaagde poging de lezer een bos van bijzaken in te sturen. De man die nooit iets over zijn motieven wil onthullen, noch iets prijsgeeft over de betekenis van zijn hallucinerende films en cryptische video’s, over zijn sinistere tekeningen of mogelijk psychoanalytisch te duiden schilderijen; werk dat om uitleg schreeuwt.

En nu zit hij tegenover me, in die bekende bureaustoel, aan dat minimalistische bureau (eigen ontwerp), in zijn gescheurde overhemd en bemorste broek. En beantwoordt hij elke vraag met een geduld en welwillendheid die me verlegen maakt. En vergeetachtig. Wat wilde ik ook al weer weten?

Beeld rv David Lynch

7 september: Galerie Kayne Griffin Corcoran, Los Angeles

Wat er aan de muur hangt, tart de verbeelding. De schilderijen, waarvan er een paar 2 bij 3 meter meten, ogen als vitrines waarin een Freudiaanse onderwereld krioelt. Achter glas, gevat in de dikke gouden lijsten (‘Ik heb dezelfde lijstenmaker als Francis ­Bacon’), doet het werk zich voor als diorama’s waarin zich kleine, huiselijke horrorscènes afspelen. Met ‘props’ die in films worden gebruikt: poppenkopjes met grijnzende lach, het gezicht van Mickey Mouse als een ballon met grimas, verkoolde boomstronken, een opgeplakt gebit, een zwart huisje zonder ramen, ranzige kleurvlekken die doen denken aan plassen bloed of diarree, kortom, het werk van een sadistische of anderszins gedeprimeerde grimeur.

Eromheen staan oneliners als ‘Ricky finds out he has shit for brains’ (Ricky komt erachter dat hij stront in zijn hoofd heeft) en ‘Billy sings the tune for the death row shuffle’ (Billy zingt het deuntje van de dodenceldans). Of deze: ‘Billy (and his friends) did find Sally in the tree’ (Billy (en zijn vrienden) hebben Sally wél gevonden in de boom), waarbij je genoemde Sally inderdaad in een boom ziet, maar zonder voeten, opgehangen aan een stevige tak. De invloed van Francis Bacon lijkt niet ver weg, niet alleen in de keuze van lijst, maar ook in de voorkeur voor slagerij-esthetiek.

Tel daarbij op de korte documentaire die voor Lynch naar eigen zeggen een eyeopener was: Le sang des bêtes van Georges Franju, uit 1949, over een abattoir in een Parijse buitenwijk waar koeien, paarden en schapen op niet al te zachtzinnige wijze worden geslacht. Zo krijg je een beeld van het duistere brein waaruit dit alles ontspruit. Hij is altijd nieuwsgierig geweest naar leegstaande industriepanden, naar donkere vensters waarachter iets zou kunnen gebeuren. Als kind zag hij ooit ’s avonds een naakte vrouw op straat ronddolen, met een melkkleurig witte huid en bebloede mond. Zulke vrolijke beelden dus.

6 septemberAtelier, Hollywood Hill, Los Angeles

Lynch lijkt in alles een einzelgänger, enkel behept met zijn eigen nachtmerries. Had hij dan, tijdens zijn academietijd in Philadelphia, in de jaren 60, geen oog voor wat er in de kunstwereld gaande was? Zoals in New York, wat toch op twee uurtjes rijden ligt? Popart, minimal art, de scene rond Andy Warhol? “Nee. Het is gek, maar ik was nergens bij betrokken. Leefde in mijn eigen wereld.”

Geen nieuwsgierigheid, op die ene uitzondering na dan: Francis Bacon. “Ik had gehoord van een tentoonstelling van Bacon in de Marlborough Gallery in New York. Ik had nog nooit eerder iets van hem gezien. Ik vond het waanzinnig sensationeel. Deze gast wist wat schilderen was. Verwrongen vlees op zijn mooist. Hij werkte ook nog eens op de achterkant van het canvas, waardoor je een droge, doorschijnende verfhuid krijgt.”

Over New York is hij kort: verschrikkelijk. “Mijn moeder kwam er vandaan. En dus gingen we er weleens naar toe. Maar ik vond het claustrofobisch. De metro boezemde me angst in.”

Philadelphia was destijds niet veel beter. “Het was de armeluisversie van New York. Vies, industrieel, rauw, corrupt. Overal lag een laag vuil. Een patina van stof. De academie was een prachtig gebouw, maar helemaal zwart. Maar ik werd er wel door getriggerd. Die stad heeft de meeste invloed op me gehad. Ik vond er mijn eigen stem.”

Die eigen stijl maakte zich voor het eerst kenbaar door een gebeurtenis die later bekend is geworden als ‘The Moving Picture’ – Lynch’ Lourdes-momentje: “Ik zat in mijn atelier naar een schilderij te kijken en rookte een sigaret, toen ineens, misschien door de rook, de afbeelding begon te bewegen. En vanuit het schilderij hoorde ik een wind blazen.”

Dit moment leidde ertoe dat hij daadwerkelijk een bewegend kunstwerk ging maken: zijn eerste filmprojectie,
Six Men Getting Sick (Six Times) (1967). Een animatie van zes figuren die als met een röntgenapparaat worden doorgelicht, zich vol drinken en moeten overgeven, terwijl op de achtergrond het loeiende geluid van een luchtalarm is te horen.

Kort daarop maakte hij nog twee stomme zwart-witfilms,
The Alphabet en The Grandmother, werk dat de deur opende naar verder succes. Hij kreeg een beurs om in Los Angeles nieuwe films te maken. De eerste was Eraserhead (1977), zijn doorbraak als regisseur. Van een maker van statische schilderijen veranderde hij in een regisseur van ‘moving pictures’.

David Lynch cult op vrijdag 23/11/2018 Beeld rv David Lynch

7 september: Galerie Kayne Griffin Corcoran, Los Angeles

Morbide, sadistisch, soms wat opgelegd controversieel, een tikkeltje kitscherig, maar wat je ook van zijn kunst vindt, het werk is ongrijpbaar en authentiek. Een dag eerder had hij al gezegd: “Het belangrijkste gereedschap dat een kunstenaar voor handen heeft, is zijn intuïtie. Intuïtie is intellect en emotie in één.”

De opmerking had zo uit een ­meditatieboekje kunnen komen. Lynch is inderdaad een fanatieke beoefenaar en belangrijke evangelist van ‘tm’ – transcendente meditatie. Wat volgde was een lesje bewustzijnstheorie dat je verstand dreigt weg te spoelen. Over het feit dat de mens het contact met zijn ‘diepste laag’ van het onderbewustzijn is kwijtgeraakt, ‘de oceaan van intelligentie, geluk, liefde, energie en vrede’.

Het is dezelfde oceaan waarin Lynch dagelijks, tijdens zijn ochtendlijke meditatiesessie, vist naar nieuwe creativiteit. Hij bevindt zich dan in een warm bad van optimisme, waaruit alle depressiviteit is verdreven. En alle negativiteit, wat volgens hem namelijk ‘de vijand van creativiteit’ is. Want: “Alles ziet er donker uit, je hebt geen energie, komt je bed niet uit, laat staan dat je aan het werk gaat. Het levert alleen maar blokkades op.”

Lynch weet er alles van: “Veel kunstenaars zijn depressief, gestrest, melancholisch. Dat was ik ook. Ik was niet zelfverzekerd, kende gekke angsten. Maar door meditatie verbetert je leven. Het helpt je. Ik begon ermee in 1973, tijdens het draaien van Eraserhead. Het was onmiddellijk magisch.”

Of hij zich kan herinneren wat de eerste beelden waren, nadat hij met mediteren begon?

Beeld rv David Lynch

“Ik tekende een vrouwtje, ze had een warme gloed en ik meende dat ze in een radiator woonde. Toen ging ik thuis kijken naar een radiator die ik twee jaar eerder had gekocht, en verdomd, er zat inderdaad een ruimte in waarin dat vrouwtje kon wonen. Zo is die scène in Eraserhead terechtgekomen.”

Of de schilderijen goed zijn, en waarom je er een zou kopen voor ergens tussen de 70.000 en 180.000 dollar? De belangrijkste reden zou waarschijnlijk toch zijn dat je met zo’n schilderij iets tastbaars van Lynch koopt. Iets van zijn gekte, zijn bizarre geest die verantwoordelijk is voor meesterwerken als
Blue Velvet en Twin Peaks. In verf gevat. Dat spijker je toch makkelijker aan de muur dan een filmscène.

Het zal Lynch zelf waarschijnlijk een zorg zijn. Tijdens zijn ronde door de galerie, langs het werk, staat hij anderen op vriendelijke wijze te woord, geeft zelf hier een daar een klopje op een schouder en verlaat daarna stilzwijgend het pand, over de binnenplaats, gin- en houtskoolcocktails mijdend, richting kantoor, waar je hem de rest van de avond de ene na de andere sigaret ziet roken.

6 september, Atelier, Hollywood Hill, Los Angeles

Nu zijn schilderijen in galerie Kayne Griffin Corcoran te zien zijn, is het atelier leeg. Buiten, naast het kantoortje, staat de kale muur waartegen hij in de open lucht doorgaans schildert. Als hij niet aan het filmen is, geeft hij toe. Want zo blijkt de verhouding wel te liggen. “Na het filmen kost het me weken om er weer in te komen, hoewel ik aldoor aan mijn schilderijen heb lopen denken. Ideeën heb ik genoeg, maar ja, als ze niet in verf zijn omgezet, voel ik me verloren.”

En dan, na drie kwartier interview, is er toch de twijfel. Alsof de kunstenaar beseft dat het gevreesde beroemdheid-imago misschien meer aan hem kleeft dan gewenst. “Kijk, Francis Bacon vond zijn eigen stem. Voor 100 procent. Ik weet niet of ik ooit mijn ding heb gevonden. Het moet daar ergens zijn, maar het is misleidend te denken dat je het kan pakken. Natuurlijk, ik hou van mijn schilderijen als ze eenmaal voltooid zijn, maar er moet iets meer zijn. Ik heb het alleen nog niet.”

Lynch staart voor zich uit en herhaalt de laatste woorden tot vier keer toe, waarna hij zich hervindt en zegt dat, zoals hij het omschrijft, de ‘schilderijwereld’ hem toch de filmwereld in heeft geloodst, en niet andersom.

Wat die schilderijwereld dan voor zijn filmcarrière heeft betekend?

Lynch: “Totale creatieve vrijheid! Dat niemand je voorschrijft wat je moet doen. Dat je niet over geld hoeft na te denken, alleen of je genoeg hebt om verf te kopen. En dat alleen jij degene bent die bepaalt of iets goed is. Dat heb ik van mijn kunstenaarschap geleerd. Eigenlijk was ik helemaal geen filmliefhebber.”

David Lynch, Someone is in my house. 30/11 t/m 28/4, Bonnefantenmuseum, Maastricht.

David Lynch

1946: Geboren in Missoula, Montana

1965-1969: Pennsylvania Academy of the Fine Arts, Philadelphia

1968: Ziet voor het eerst schilderijen van Francis Bacon

1970: Verhuist naar Los Angeles

1973: Begint met dagelijkse sessie transcendente meditatie

1977: Film Eraserhead

1980: Film Elephant Man

1986: Film Blue Velvet

1990-1991: Tv-serie Twin Peaks (met Mark Frost)

1990: Film Wild at Heart

1991: Eerste museale expositie in het Touko Museum of Contemporary Art, Tokyo

2001: Film Mulholland Drive

2005: Oprichting The David Lynch Foundation for ­Consciousness-Based Education and World Peace

2007: Overzichtstentoonstelling in Fondation Cartier, Parijs

2017: Tv-serie Twin Peaks: The Return

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234