Woensdag 19/06/2019

We Are Open

Dag twee van We Are Open in Trix: tussen mannenzweet en popparfum

Popband Tin Fingers speelde de noeste rockers naar huis. Beeld © Lars Moereels / WasteMyRecords

Doen de Belgen het beter? In ieder geval luider, zo bleek op dag twee van We Are Open, het Antwerpse showcasefestival voor belpoppers en –rockers. In een uitverkocht Trix knalden Raketkanon en dirk. het hardst en zorgden Ivy Falls en Tin Fingers voor de verfijning.

Dat het een avond van uitersten zou worden, bleek al toen we de Trix-bar binnenwandelden: nog net hoorden we een flard Bleach-achtige razernij van Crowd Of Chairs wegsterven in feedback, of daar klonk al ‘Sexual Healing’ van Marvin Gaye. Als je het ons vraagt, is dat soort schizofrenie allemaal de schuld van Mauro Pawlowski. Lijmt die niet ook waanzin aan popschoonheid met Evil Superstars en Gruppo Di Pawlsowski? De man die in het bronstige ‘b.a.b.y.’ zong over “little clouds of sperm” heeft met zijn zaadwolk ook voor veel bastaards gezorgd, zo konden we weer vaststellen in Trix.

Neem nu de vijf jongens van Shht (★★), die in de Club korte noise-ontploffingen combineerden met Autotune-melodieën, kolderieke teksten en op hol geslagen Smurfenliederen. Zanger Michiel Renson – bijgestaan door een kerel in zwembroek en zonnebril – hing aan de lichtinstallatie en dook de zaal in, waar hij de smartphone van een meisje afpakte en prompt háár begon te filmen. Geestig? Soms wel: “Wie leidt er hier een oppervlakkig leven?”, vonden wij een geinige bindtekst. Ook de kleuter-met-existentieel-complex die vroeg “Wat komt er na dood-zijn?”, midden in een lawaai-uitbarsting, deed ons glimlachen. Maar daar stond helaas ook te veel studentikoze lolbroekerij tegenover, genre “salame salayou” en het ronduit puberale ‘Africa’, dat misschien nog een toekomst heeft op een praalwagen tijdens Aalst Carnaval.

Explosief waren ze zeker, die van Shht, zoals in hun wel erg verneukeratieve cover van ‘Bohemian Rhapsody’ – zagen wij daar ijlings een paar gechoqueerde classic rock-fans met de ambulance weggevoerd worden? Maar in de rustiger stukken moeten ze toch verder uit de buurt zien te blijven van nineties-nitwits als Bloodhound Gang en – godbetert – Babylon Zoo. Een flauwe mop of slappe deun red je niet met Autotune of een gek hoedje op je hoofd.

Fataal aan flarden

Dat moet je Raketkanon (★★★★) niet meer vertellen. In de grote zaal van Trix degradeerden ze Elon Musk met zijn Falcon Heavy tot een Lego-raketbouwer, en sloten ze het tiende We Are Open-festival af met de van hen bekende, aan doodsdrift grenzende overgave. Ventenzweet waaide ons in de zaal tegemoet en van bij de eerste song deinde Pieter-Paul Devos over de armen van de fans. Raketkanon klonk nog altijd als Butthole Surfers, The Jesus Lizard en Melvins die verwikkeld zijn in een spelletje ‘ik wil de grootste hebben’. 

Maar in de twee nieuwe songs die we hoorden, slopen wat meer elektronische invloeden à la Holy Fuck binnen, tot griezelgrauw geschreeuw, stroomstoten en kapotte wekkeralarmen de pleuris weer lieten uitbreken. Aan het eind kwam Mattias De Craene van Nordmann de boel fataal aan flarden blazen en vreesden we dat Lode Vlaeminck met zijn hoofd zijn synths zou stukslaan. Stuurt iemand snel een opname van die song naar alle Antwerpse bouwpromotoren die plannen hebben in de buurt van Trix?

Konden ook dienen als afschrikmiddel voor boze bouwheren: de sets van Onmens en Public Psyche, waar we slechts stukjes van konden meepikken. Met zijn gabbernoise verzoende Onmens in het café de punks en de Johnny’s en zorgde het voor de hevigste moshpit van het weekend. In hun melange van new beat en hardcore leken Boccaccio en CBGB’s heel even één etablissement te vormen. Public Psyche bleken in de club dan weer aanhangers van de Mark E. Smith-doctrine: repetition – repetition – repetition. Onder een stem die klonk alsof ze vanachter de Berlijnse Muur werd doorgeseind, gingen de favorieten van het Kortijkse Sonic City-festival staccato in de mix: Liars-lawaai, Preoccupations-postpunk en Soft Moon-doom. Een donkere toptrip!

Zelftwijfel en zelfspot

Bij dirk. (★★★★) in de grote zaal hoorden we de beste songs én de coolste teksten van de avond: “I want you to milk me / I like dairy porn”, klonk het in ‘Milk’ en even later in diezelfde song: “Solitude is easy / you just do it on your own.” Ironische oneliners over kort aangebonden hakgitaren en breed gierende riffs: zei daar iemand Pavement? Dat was zeker een invloed, maar je kon ook denken aan recentere groepen als Cloud Nothings en Car Seat Headrest – met je ogen half dicht leek dirk.-frontman Jelle Denturck overigens fel op Will Toledo van die laatste band.

Net als hen zijn de vier dirk.’en archetypische indierockers: ietwat onzekere jongens die hun twijfels uitschreeuwen over luid feedbackende gitaren. Hoe dirk. toch het verschil maakte? Door de culot waarmee ze de hard-zachtdynamiek hanteerden – alsof niemand eerder op dat idee was gekomen. Door songs te spelen als ‘Gnome’, ‘Waste’ en ‘Fuckup’, die de indruk wekten verloren gewaande ninetiesklassiekers te zijn – stonden wij daar in Trix even onze jeugd te herbeleven, zeg! Door de riskante maar geslaagde Beach House-cover ‘The Hours’, waarmee ze bewezen ook zonder ironie te kunnen. Door het gevoel te creëren dat het elk moment scheef kan lopen, terwijl alles toch nipt op de rails blijft. En door de ontegensprekelijke cool van Denturck, een kerel die filosofie studeerde, daarbij gegrepen werd door het existentialisme, maar die in Trix toch maar de geweldigste singalong in tijden lanceerde: “I only hate myself when I fuck things up / and I fuck things up all the time.”

Zelftwijfel met zelfspot omgebogen tot een anthem. Kijk, je band mag dan al vernoemd zijn naar een saaie boekhouder, als je dat kunt, ben je de baas onder de boekhouders. Naar verluidt was zelfs Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz onder de indruk van dirk. Alleen jammer dat Teen Creeps tegelijk geprogrammeerd stond, zodat we amper drie jachtige, melodieuze punksongs van dat trio meekregen. “What’s the point of it”, vingen we daarbij op. Nou, niets wellicht. Maar net als dirk. bewees Teen Creeps dat het allemaal wel meevalt als je af en toe eens woest mag uithalen. Of zoals we indieveteraan Dieter Von Deurne and the Politics in de  freak-out van zijn set bitterzoet hoorden zingen: “It’s a beautiful life / it’s a beautiful lie.”

Van pastelroze naar bloedrood

Meer dubbelzinnigheid viel te rapen bij Ivy Falls (★★★), dat volgens frontvrouw Fien Deman “pastelroze pop” bracht en daarmee een verfrissend parfum sprenkelde over het overvloedige rockzweet van We Are Open-dag twee. Demans band liet met ‘Mean Girls’ een onderkoeld synthwolkje neerdalen boven het broeierige Trix-café, weefde daar knisperende elektronica en kraakheldere gitaarlijntjes door terwijl zijzelf zong met een stem die je deed blozen én rillen tegelijkertijd.

fien deman ivy falls Beeld rv alexander popelier

Warm en afstandelijk, lieflijk en dreigend – tussen die uitersten bleef Ivy Falls bewegen. Zo dook in een aangenaam deinende track die Chairlift-pop met Solange-r&b combineerde, plots dit zinnetje op: “I choked on purpose to be seen.” Meteen kreeg dat pastelroze een bloedrode tint. Nog onheilspellender klonk de nieuwe track, een die dus niet op de fraaie ep Mean Girls staat. Een afgekloven ritme, een dronende bass en de aparte, gedurfde frasering van Deman in het woordje ‘reality’ suggereerden een onpeilbare diepte die deze song positief deed uitsteken boven de soms net iets te brave andere tracks. 

“Mooi!”, riep een fan, en dat gold ook voor ‘Silver’, een song die dat typisch slepende geluid van nu perfect vatte, en die lijzig, sexy én meeslepend tegelijk was. “Trying hard to be underestimated”, zong Deman nog, maar haar onderschatten zal niet lang meer kunnen. “Feel the fire when it burns”, zong ze trouwens ook en daar had meer volk oren naar, getuige de smoochende koppeltjes vooraan en de meisjes die naadloos wisten te dansen op de hortende ritmes.

Dat Ivy Falls toch op drie sterren blijft steken, ligt aan de wat stijve podiumpresence: die mocht, in navolging van de spannendste tracks zoals ‘Twelve’, wel wat pittiger en gedurfder. Zenuwen leken Deman en co. nog te veel in het gareel te houden, en dat viel op in een Trix dat grotendeels gevuld was met onstuimige rockers.

Dat had Tin Fingers (★★★★) beter begrepen: ook zij kwamen in ‘Tropical’ aangezweefd op een klam synthtapijtje, maar legden het geroezemoes snel stil door het meteen kamerbreed uit te spreiden in de club. Felix Machtelinckx – een frontman van het type-Colombie: exuberant en tikje weird – bezwoer het publiek met zijn semi-onschuldige falsetstem als was hij een kruising tussen een hipster en een hypnotiseur (die laatste indruk kregen we misschien door zijn Rasti Rostelli-achtige looks). Op die manier kwam hij weg met de vreemdste lyrics, genre “Living my wet dreams / Making love to a coconut”, waarbij hij met een mannelijke fan op het podium danste. Tin Fingers – macho’s: 1-0.

Machtelinkx’ band had de frisse synthpop van z’n ep’tje No Hero aangedikt met Cure- en Siouxisie-achtige newwavegitaren en dubby Yeasayer-euforie (‘Boy Boy’). In ‘Finally Feeling Alone’ leken ze met stevige riffs zelfs even de draak te steken met de vele rockbands op de affiche. De jachtige Fleetwood Mac-cover ‘Everywhere’ en hun eigen eightieshits by proxy ‘Young Mother’ en ‘Swim’ stuwden de set naar de felste climax van We Are Open-dag twee. 

Faut le faire: als popband met een androgyn geluid de noeste rockers naar huis spelen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden