Vrijdag 06/12/2019

Dag 2 volgens Pieter Coupé: Kurt Vile & The Violators (****) en Tinie Tempah (***1/2)

Beeld harry heuts

Het Pukkelpopteam van De Morgen stuurt ook dit jaar vier recensenten naar de weide. Ze hebben voor de volgende drie dagen elk een eigen traject uitgetekend en plechtig beloofd om elkaar nooit voor hetzelfde podium tegen te komen. Het parcours van Pieter Coupé brengt 'm vandaag naar Other Lives, Tinie Tempah, Kurt Vile & The Violators, Thurston Moore Band, Rustie en Macklemore & Ryan Lewis.

Macklemore & Ryan Lewis (***): Volksmennerij deluxe
Als Macklemore het rappen beu is, kan hij altijd nog pastoor worden. Wat een gepreek! Zeker in de eerste helft van zijn concert onderbrak hij de muziek voortdurend voor moraliserende boodschappen en liefdesverklaringen aan het publiek, genre "zonder jullie zou ik niet staan waar ik nu sta".

Voor 'Otherside', met Red Hot Chili Peppers-sample, sprak hij openlijk en emotioneel over zijn vroegere alcoholmisbruik en vroeg hij iedereen het schermpje van z'n gsm omhoog te houden, als eerbetoon aan iedereen die we verloren aan verslaving. 'Same Love' noemde hij de belangrijkste song die hij ooit schreef, en hij breidde er een minutenlange uitleg aan vast over we allemaal anders zijn, dat juist dit ons uniek maakt als mensen - op de achtergrond werd een kerk (!) geprojecteerd. Ware woorden natuurlijk, en een mooie boodschap ook, maar wij dachten dat we voor een concert waren gekomen, en niet voor een tranerig Oprah Winfrey-achtig schouwspel.

Maar voor Macklemore was het spektakel duidelijk even belangrijk als de muziek. We schatten dat ruim de helft van zijn vijf kwartier durende show opging aan speeches, grapjes met het publiek, verkleedpartijen en doldwaze filmpjes met Macklemore als cowboy of als het liefdeskind van Lady Gaga en Samuel L. Jackson.

Naast priester zijn dus ook acteur en stand-upcomedian carrière-alternatieven voor Macklemore, al weten we niet of hij in die laatste hoedanigheid ook overeind blijft voor een kritischer publiek dan de Pukkelpop-wei, die steevast extatisch reageerde op alles wat Macklemore zei. Ook toen hij een stokpaard met roze glitters uit het publiek haalde en daar een reeks flauwe grappen over maakte, bleef het enthousiasme bij de toeschouwers pieken.

Volksmennerij de luxe was dan ook wat Macklemore serveerde. Drie schermen vuurden constant beelden af, slingers spoten over het publiek, rook- en confettikanonnen en vlammenwerpers pookten het vuur bij het publiek nog meer op, en uiteraard ging de rapper ook even het publiek in. Vermakelijk en uiterst effectief allemaal, maar toen tijdens 'Wing$' minutenlang het logo van Nike op het scherm te zien was, fronsten we toch even de wenkbrauwen. De grens tussen concert en Superbowl-reclame werd hier even hard uitgerekt als het witte onderlijfje van Macklemore.

Of er ook muziek was, horen we u intussen denken. Zeker, Macklemore had naast z'n maatje en deejay-producer Ryan Lewis en drie dansende dames (de Macklarettes) zelfs een uitgebreide liveband mee, die hij nog uitgebreider aan het publiek voorstelde. Die muzikanten kleurden de gigahits 'Thrift Shop' (al heel vroeg in de set) en 'Can't Hold Us' (dat twee keer passeerde) fijn bij, al vermoeden we dat er ook wel een computerprogrammaatje meeliep. Jammer vonden we wel dat de zanglijntjes waarop die hits steunen al helemaal uit een doosje kwamen, maar we waren duidelijk de enigen die daarom maalden. Was het feestje van Deadmau5 op donderdag een beetje een duffe boel, dan heersten Macklemore & Ryan Lewis vrijdagavond over Kiewit. Hun poppy mix van hiphop en dance kiest dan ook steevast voor de weg van de minste weerstand. Tegen het eind werd het zo wild dat de security mensen bij bosjes over de dranghekken moest tillen.

Slotsom: een erg Amerikaans, bigger than life spektakel dat soms ronduit pathetisch was, en een enkele keer ontstellend flauw. Maar het zat zo strak en onderhoudend in elkaar dat feesten de enige optie was. Al houden we het liever bij deze ene keer: Pukkelpop moet geen tweede Las Vegas worden.

Rustie (***1/2)
De Dance Hall en de Boiler Room vormen een eilandje op Pukkelpop, met een eigen publiek dat drie dagen teert op beats, bassen en alles wat de onderbuik beroert. Weinig kans ook dat de dansfanaten opbotsen tegen de (indie)rockfans die heen en weer pendelen op de as Club-Marquee.

Of het moest zijn dat ze elkaar in de Castello treffen, zoals we vrijdag zagen gebeuren bij Rustie, een Schotse producer met een fascinatie voor kitscherige flamingo's. Zijn hyperkinetische mix van haperende en ratelende beats is dansbaar en extatisch genoeg voor de bro's in blote bast, en biedt tegelijk genoeg experiment en diepgang (de man zit niet toevallig op het Warp-label) om ook de blokkenschemavorsers te bekoren: de types die met een zwarte bril op de neus een minutieus uitgekiend Pukkelpop-parcours afwerken - en die ook een boek in hun rugzak hebben gepropt voor het zeldzame geval dat er even niets te horen is.

Rustie vertraagde en vervormde hiphop op zo'n manier dat je er alleen diep buigend door de knieën op kon dansen, zwaaiend met je armen als een chimpansee. Géén zicht, maar hey: wat in de Castello gebeurt, blijft in de Castello.

Na een wat slome start voerde de Schot het tempo geleidelijk op met opgenaaide house, trashy trance, knetterende trap - en het publiek ging unisono mee in de toenemende waanzin. Zagen we daar nu echt een kerel rondlopen met een bordkartonnen Bob Peeters? En gooide die gast daar nu werkelijk zijn liefje door de lucht (en tegen de grond)?

Net als bij Flying Lotus was Rusties liveset een combinatie van eigen krakers ('Slasherr', 'Death Mountain') en andermans clubtracks (à la 'Bring It On' van Gucci Mane) die hij drastisch bewerkte en vaak scratchend door elkaar husselde. Topmoment: 'Raptor', een nieuwe, loeiende track met de Amerikaanse rapper Danny Brown die herinnerde aan het messcherpe debuut van Dizzee Rascal, toen die nog een kwaad jongetje was dat vanuit een hoekje zijn gal spuwde over alles en iedereen.

Rustie stuiterde tegen het eind zo snel heen weer tussen stijlen en tempo's, dat het wel leek alsof er een tiener met de aandachtsspanne van een vlo liedjes aan het YouTuben was. Helemaal op maat van de naar de nachtelijke danceroes snakkende Pukkelpopper, zo bleek.

Beeld Harry Heuts

Kurt Vile & The Violators (****)
De hamvraag bij Kurt Vile was: zou Adam Granduciel van The War On Drugs (die later nog speelt in dezelfde Club-tent) komen meedoen? De heren hebben een uitgebreid gezamenlijk verleden: Vile zat een tijd in de band van Granduciel, en die laatste was dan weer lid van Viles Violators.

En of Granduciel meedeed. Liefst drie nummers: 'Puppet to the Man' (Neil Young op z'n meest psychedelisch) en de twee in gitaren gedrenkte slottracks, waarvan vooral het op een neurotische beat vooruit denderende 'Freak Train' een orgie van lawaai en lang haar was. Die zinderende dollemansrit vormde zo een voorbode van het gitaargeweld dat Thurston Moore later nog zou ontketenen, ook al in diezelfde Club.

Mooi om te zien was hoe Granduciel en Vile, allebei driftig solerend, helemaal opgingen in hun snarentrip - heel even leek het een feestje voor abonnees van 'Guitar Magazine'. Hier stonden twee kerels die het liefst hun gitaren laten spreken, want als Kurt Vile zong, klonk het veelal als gemompel. Maar net toen hij je tijdens de getoonzette landerigheid van 'On Tour' zachtjes in slaap leek te wiegen, schrikte Vile je weer op met krolse kreetjes of een heerlijk ronkende riff.

Hoogtepunten isoleren uit een concert dat één lange gitaartrip was, lijkt bijna zonde. Maar vooruit, met het mes op de keel kiezen we voor 'Wakin on a Pretty Day', dat een gooi leek te doen naar het wereldrecord "aantal yeahs in een rocksong", voor het dromerige 'A Girl Called Alex', dat een bijzonder vinnig staartje kreeg, en voor de naarstig voortploegende rocker 'KV Crimes'. Daarin zong Vile dat hij er klaar voor was om te claimen wat van hem is. Alvast de Club - en bij uitbreiding Pukkelpop - mag hij aan zijn lijstje toevoegen.

Tinie Tempah (***1/2)
Patrick Chukwuem Okogwu Jr - een mens snapt dat hij zich liever laat aanspreken met Tinie Tempah - heeft twee Brit Awards in z'n crib staan, speelde op de slotceremonie van de Olympische Spelen in Londen en kan de nummers van de hele Britse urban-, dance- én popscene zo uit z'n iPhone halen. Kortom: in het Verenigd Koninkrijk staat hij aan de top.

En we hebben duidelijk even niet goed opgelet, want afgaand op de euforische respons die hij in Kiewit kreeg, blijkt hij ook hier al een heuse vedette. Zijn eerste woorden - "raise your hands" en "bounce" - waren voldoende om de wei in lichterlaaie te zetten. Dit was het soort concert waarbij het het hoogste goed was om heel even - al dan niet met ontblote bast of boezem - op een van de grote schermen naast het podium getoond te worden.

Goed, Tinie Tempah putte wel erg rijkelijk uit het Grote Clichéboek van de Hiphop. Het publiek in twee helften verdelen en tegen elkaar uitspelen? Yup. De fans een refreintje aanleren? Check. Iedereen laten neerzitten en rechtveren? Uhu. Plaatsnamen in de teksten vervangen door 'Belgium'? O ja. En zo ging het maar door: when I say 'Pukkel', you say 'Pop'. When I say 'Tinie', you say 'Tempah'.

Maar je vergaf het 'm allemaal graag, je deed zelfs voluit mee. Zo onweerstaanbaar catchy klonken z'n songs, die vertrokken van hiphop, maar niet aarzelden om dubstep en drum-and-bass mee in het beatbad te trekken. Zoals we lazen op een petje van een meisje in het publiek: "Ge gaat hard of ge gaat niet." En wij gingen hard, u ging nog harder.

Toen hij in 'Earthquake' rapte dat iedereen samen een aardbeving kon veroorzaken, geloofde je hem zo, en ook toen hij in het daarop aansluitende 'Trampoline' het übercliché "jump" bovenhaalde, sprong je gewoon mee. We zagen zowaar Chokri Mahassine goedkeurend meeknikken én fistpumpen.

Zelfs met de cheesy refreintjes en dito boodschappen van 'Children of the Sun' en 'Written in the Stars' - iedereen kan het maken, ook jij bent een ster - kwam Tinie Tempah weg. De man toonde immers absoluut géén kapsones, maar werkte zich uit de naad om iedereen het feestje van zijn leven te bezorgen. Bovendien etaleerde hij gevoel voor humor: in 'Pass Out' had hij het over zijn wilde leven, om dan gortdroog te rappen: "I got so many clothes, I keep them in my aunt's house." Typische hiphopsnoeverij, maar met de tong stevig in de kaak gedrukt.

Net toen we dachten dat hij niet nog meer kon overdrijven - ons neushaar was intussen al weggeschroeid door zijn vlammenwerpers - haalde Tinie Tempah in de slotfase ongemeen hard uit met eurotrance en rookkanonnen tijdens 'Miami 2 Ibiza' en de ultieme feesttrack 'Drinking From The Bottle'. Bij setsluiter 'Tsunami' stond hij zélf als een idioot mee te springen - ontroerend synchroon met z'n maatje, dj Charlesy.

"I used to be the kid nobody cared about", hoorden we Tinie Tempah rappen in 'Written in the Stars'. Sorry bro, maar dat kun je niet langer volhouden. Feestje van de dag.

Tinie Tempah. Beeld harry heuts

Other Lives (***1/2)
Toen we twee jaar terug met Other Lives-frontman Jesse Tabish spraken, liet hij zich ontvallen dat hij, notoir liefhebber van vintage instrumenten, eraan dacht aan de slag te gaan met synths. Niet dat we in de Marquee nu plots de Nite Versions van Tabish' band te horen kregen, maar er trok wel een elektronische onderstroom aan de drie nieuwe nummers die Other Lives prijsgaf, en die is nieuw.

Zo dreef 'Pattern' veel meer op grooves dan de sferische, donkere folksongs van hun doorbraakplaat 'Tamer Animals (2011). Ook 'Level Form' en het voorlaatste, opvallend beknopte nummer, waarvan we de titel niet konden achterhalen, hadden sterke elektronische impulsen meegekregen. Een geslaagde ingreep, die benieuwd maakt naar hun pas afgewerkte tweede album, en die bovendien niet vloekte met de majestueus uithalende oudere tracks als 'Dark Horse' en 'As I Lay My Head Down' Daarin leefde Tabish zich als vanouds helemaal in in de levens van de Amerikaanse landverhuizers die in de jaren 1930 halsoverkop hun schamele bezittingen moesten bijeenrapen en op de vlucht sloegen voor enorme stofstormen. Tijdens 'For 12' en 'Tamer Animals' was Other Lives' dreigende sfeerschepping zo intens dat we ons plots op een huifkar waanden, gevaarlijk rammelend door de woeste landschappen van de Midwest.

Frontman Jesse Tabish, die zijn band lichtjes had herschikt, zong in zijn nummers over die typisch Amerikaanse gespletenheid tussen het eeuwige verlangen naar 'home' en er toch altijd weer voor kiezen om 'on the road' te gaan. Rusteloze zielen zijn we, voortdurend opgejaagd door onze dierlijke driften. Of zoals Tabish zong: "We're just tamer animals". Een zinnetje dat mooi geïllustreerd werd toen we, nadat de laatste gierende Other Lives-gitaar was verstomd, een jong stelletje liefdevol elkaars puisten zagen uitknijpen.

Other Lives. Beeld alex vanhee
Other Lives. Beeld alex vanhee
Other Lives. Beeld alex vanhee

Thurston Moore Group (****)
Nee, van zijn vroegere band Sonic Youth speelde Thurston Moore niets in de Club. We hoorden zelfs niets van zijn drie soloalbums of van zijn recente plaat als Chelsea Light Moving. Pukkelpop kreeg, tijdens het eerste concert van de Thurston Moore Group buiten 's mans nieuwe woonplaats Londen, vijf nummers die in het najaar verschijnen op de plaat 'The Best Day'.

Ze waren zo nagelnieuw dat Moore de teksten moest aflezen van een standaard, maar dat verse werk moet de Sonic Youth-fans toch vrij vertrouwd in de oren hebben geklonken: het gitaargeluid van Moore herken je dan ook na één aangeslagen snaar. Toch vond Moore weer nieuwe manieren om zijn obsessies (punk, liefde, revolutie, kunst en poëzie) te verklanken.

Opener 'Forevermore' klokte af op een klein kwartier en zwol langzaam aan van gepiep en gekraak, over logge riffs, via in elkaar kringelende melodietjes tot een indrukwekkend gitaarepos. Met teksten als "that's why I love you forever more" liet Moore intussen de romanticus in zich los. Prachtig beeld op de achtergrond: een Afrikaans jongetje dat al spelend de regen probeerde te vangen in zijn mond.

Opvallend: alle songs maakten een cirkel rond, door aan het eind telkens weer het beginmotief te herhalen. 'Speak to the Wild' viel bijna stil, tot er vanuit de spaarzame snaaraanslagen, toch weer een melodie omhoogkrulde. 'Germs Burn' vertrok bij punk, passeerde langs Black Sabbath, maar bleek vooral een feest voor drummer Steve Shelley: diens eeuwige glimlach deed zijn werk gemakkelijk lijken, maar de complexe ritmes die hij uit zijn kit roffelde waren, hoe onnadrukkelijk ook, meer dan bepalend voor het totaalgeluid.

'Detonation' slingerde rumoerige, almaar sneller striemende punk de Club in - Sonic Youth anno 1991 was niet ver weg - maar het allermooist was toch de instrumentale afsluiter 'Grace Lake', opgedragen aan dichteres-activiste Anna Mendelssohn. Nooit eerder klonk Moore zo jazzy- zelfs de klassieke noisefinale moest plaatsruimen voor een ultieme reprise van het dromerige beginmotiefje.

Hoe goed we Moores solo-exploten van de laatste jaren ook vonden, stiekem hoopten we altijd toch weer op een Sonic Youth-reünie. Na deze Pukkelpop-passage, waarin Moore de grenzen van zijn geluid opnieuw zagen verleggen, hoeft dat eigenlijk niet meer. We want Moore!

Beeld Alex Vanhee
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234