Woensdag 17/07/2019
Dead Man Ray, van links naar rechts: Daan Stuyven, Rudy Trouvé, Wouter Van Belle, Karel De Backer en Elko Blijweert. Live krijgt het vijftal nog versterking van Steven Holsbeeks (rechts).

Interview

Daan over de onverwachte comeback: “Dead Man Ray daagt mij gigantisch uit”

Dead Man Ray, van links naar rechts: Daan Stuyven, Rudy Trouvé, Wouter Van Belle, Karel De Backer en Elko Blijweert. Live krijgt het vijftal nog versterking van Steven Holsbeeks (rechts). Beeld Thomas Sweertvaegher

De hoop hadden we al jaren opgeborgen. Maar mirakels bestaan kennelijk. Het briljante zootje ongeregeld van Dead Man Ray heeft een nieuwe levensadem gevonden, na meer dan vijftien jaar stilte. ‘OVER’ is de verwrongen prachtplaat die ze al die jaren in hun vingers bleken te hebben.

“Ah, gij komt wat stoken?” Rudy Trouvé grinnikt plagerig, om dan dramatisch te declameren: “Tot nu ging het interview goed, maar als je onze ruzies van vroeger gaat oprakelen, dan mag je zo weer vertrekken, hoor.” Een beetje schutterig nemen we akte van zijn standje. Een gewaarschuwd man is vast wel íéts waard. 

Toch blijft het intrigeren hoe een van de spannendste groepen uit de belpop begin deze eeuw plots ‘weddeloos verlof van onbepaalde duur’ opnam, zonder een rechtsgeldige reden voor die breuk op te geven.

Als warrige puber aanbaden we deze supergroep zowat. Want dat wás Dead Man Ray in de kern: Daan Stuyven, Rudy Trouvé, Elko Blijweert, Karel De Backer en Wouter Van Belle hadden op dat ogenblik al zoveel sporen verdiend in de belpop dat een oplijsting van adelbrieven de rest van dit stuk zou usurperen.

Als Dead Man Ray vormden de vijf bovendien een huwelijk dat net zoveel weg had van een orgastisch spektakel als van een disfunctioneel marriage-à-cinq. Absurdisme, pop-o-rama’s, verknipte rammelriffs en weer aan elkaar geplakte improvisaties leverden een universum op waar we tot dan nog nooit één voet binnen hadden durven zetten. Hun debuut Berchem (1998) klonk als een revelatie, net zoals Worst Case Scenario (1993) van dEUS dat vijf jaar eerder was geweest.

Indertijd vertelde Daan Stuyven ons dat hij vóór zijn debuut Berchem in zes jaar geen plaat had uitgebracht. Die opgekropte energie hoorde je ook aan dat album. Nadien volgde nog Trap (2000) en Cago (2002), een plaat die ze samen met de legendarische Steve Albini opnamen. Maar daarna viel het doek ietwat roemloos over de groep, na culthits als ‘Chemical’, ‘BeeGee’, ‘Copy of 78’, ‘Brenner’, ‘Woods’ en ‘Landslide’.

Beeld Thomas Sweertvaegher

“Er is indertijd wel wat wrevel en onmin geweest, maar alles is bijgelegd”, bekent Trouvé. “De laatste zestien jaar hebben Daan en ik ook nog weleens stomdronken ambras gemaakt met elkaar, maar voor mij is alles in orde. Tot de volgende keer dat we ambras hebben. (lacht) Wat er veranderd is? We zijn iets ouder geworden, verdraagzamer ook. En ik ben minder rigide: als we nu vierhonderd stukjes muziek op elkaar hebben geplakt, en het wérkt niet met de zang, dan heb ik er nu geen problemen meer mee om alles er terug af te zwieren. Dat was vroeger ondenkbaar geweest.”

Dit is de stilte na de storm, knikt Stuyven. “Alles waar je je ooit over opwond als twintiger en enthousiaste spring-in-’t-veld, lijkt jaren later futiel. Deze plaat hebben we gemaakt uit curiositeit en goesting. Daarvoor moest wel eerst alle druk van de ketel raken. En moesten we inderdaad wat ouder en wijzer worden. Als we de leeftijd van alle groepsleden optellen, komen we geloof ik aan 266 jaar. (lacht) De communicatie is effectief vlotter geworden. Maar voor de rest is alles hetzelfde als vroeger. We zijn bijvoorbeeld geen seconde met vijven tegelijk in de studio samen geweest. Maar de plaat klinkt wel alsof ze zo is opgenomen. Drie jaar zijn we daarmee bezig geweest. ”

“Ik vermoed dat de groep vroeg of laat opnieuw zal samenkomen”, zei gitarist Elko Blijweert ons anderhalf jaar geleden nog. “Maar ik ben niet degene die daar het finale woord over zal hebben.” Hij wikte en woog zijn woorden toen erg voorzichtig. Maar eigenlijk voelde je toén al aan je water dat het een kwestie van korte termijn zou zijn voor Dead Man Ray opnieuw tot leven gewekt zou worden.

“Iedereen lijkt het er over eens dat dit ons beste werk is,” zegt Trouvé. “Nu nog het publiek overtuigen. We zullen beginnen met Diksmuide.” Het gesprek gaat door op het terras van de 4AD waar Dead Man Ray ’s avonds een try-out zal spelen. De zenuwen staan toch wat gespannen, merken we. De groep heeft nog wat werk om een aantal nieuwe songs podiumklaar te stomen. “Ja we zijn wat zenuwachtig”, zal Trouvé tijdens het concert trouwens ook grif toegeven. “Het kan zijn dat er nog wat misgaat, maar geen paniek.”

Geen reden tot bekommernis, natuurlijk: op schots, scheef en schoon heeft Dead Man Ray al sinds zijn debuut een patent. De klankentappers binnen de groep propten alle sporen in de studio graag vol bliepjes en geluidjes, gaande van een Belgacom-antwoordapparaat tot neukende paarden.

“In ons hart zijn we zijn fervente klankenmishandelaars”, bekende Rudy Trouvé ons eerder al, en dat vindt hij nog steeds. “Meer dan ooit zelfs. Al wilde ik deze keer het zestienjarigejongens-gevoel vermijden: ik heb zo min mogelijk distortion-pedaaltjes gebruikt. En terwijl ik vroeger bij indierock en underground zwoer, heb ik nu veel gejat uit modern klassiek. Al zul je daar niet per se veel van horen op deze plaat.”

Onleesbare jams

“Mijn inspiratiebron was dan weer Rudy”, zegt Stuyven bescheiden. “De laatste vijftien jaar heb ik zijn zin voor abstractie misschien nog het meest gemist. Zijn soms wat brute aanzetten en abstracte vegen over het doek… Het is bijna zonde dat ik over die mooie klanktapijten moest zingen. Deze plaat had trouwens de prequel van Berchem kunnen zijn. Ze is nog bruter en abstracter tot stand gekomen dan de andere platen. Twee jaar lang bleven onze jams bijna onleesbaar, maar zo poëtisch en mooi dat we er verder mee aan de slag móésten.”

“Wouter is er op zijn beurt klanktechnisch weer eens in geslaagd om een plaat te maken die niet klinkt alsof ze in 2019 is gemaakt,” vult Trouvé aan. “Eerder ergens tussen 1969 en 1979. Dat was vooraf mijn enige bezorgdheid. Ik wil met Dead Man Ray vandaag echt niet aanknopen bij de ninetiesband die we waren.”

“Ik had wel een paar keer het gevoel dat we vintage Dead Man Ray zijn gebleven,” spreekt Van Belle tegen. “Maar dat is normaal: de vijf karakters die ooit deel uitmaakten van deze groep zijn doorheen de jaren vast wel wat veranderd, maar het blijft in wezen de kruisbestuiving van diezelfde vijf karakters. Ik heb bijvoorbeeld een legendarisch slecht karakter, (lacht) dat pas een goed karakter wordt als de muziek mooi wordt. Als producer voel ik me dus nog het best in deze groep. Alles mag wringen en schuren, maar ik wil dat achteraf wel weer kunnen schoonmaken. Trash omwille van de trash is me te eenvoudig. Maar gestileerde trash: dát is de kunst.”

Stuyven grinnikt: “Allez, dan brengen we over tien jaar nog eens een nieuwe plaat uit. Ik kijk er al naar uit. Maar het klopt wel, wat je zegt over die karakters. Elko Blijweert is er vrij laat bijgekomen in dit verhaal, maar zijn first takes op gitaar hebben heel veel drama en muzikaliteit bijgebracht. Welke invloeden we allemaal hebben binnengesmokkeld? Daar spreken we per definitie niet over met elkaar, omdat we anders te veel op één lijn gaan denken. Ik heb op deze plaat bijvoorbeeld Prince proberen na te doen, maar dat ga ik ook nu hier niet officieel toegeven.” (lacht)

Plastic Bertrand is een opmerkelijke gast op de plaat. In ‘Middle Aged Men’ brengt de ‘ça plane pour moi’-ster een parlando. “Ik heb een jarenlange fascinatie voor hem,” zegt Stuyven. “Maar ook voor zijn manager Pierrette Broodthaers, de oudste dochter van kunstenaar Marcel Broodthaers. Het Belgicisme-gehalte is verbazingwekkend hoog in die werkrelatie. Ik had zijn parlando eigenlijk eerst zelf ingesproken, maar toen leek het me specialer om hem te vragen een tekst op zijn iPhone in te spreken. Twee uur later was die klus al geklaard. Heel schattig liet hij me weten dat hij mij had proberen te imiteren.” (lacht)

“Handicaps are cool, if you learn how to exploit them”, uit ‘Centrifugitives’ van Dead Man Ray had indertijd een bumpersticker voor de groep kunnen zijn. Uit alle wrijving, stoorzenders en kreupele geluidsnippers distilleerden de vijf scheve, maar mooi popsongs. “Dat motto heb ik intussen nog méér omarmd”, lacht Stuyven vandaag. “Als je kunt polsstokspringen zonder armen, dan ben je goed bezig. Het brutisme en pure expressionisme van Dead Man Ray heb ik heel erg gemist. Ik kon dat solo nooit imiteren, laat staan faken. Daarvoor ben ik te veel een onnozele pointillist en romanticus. De inherente agressie van een bepaald geluid: daar héb ik Rudy voor nodig. Ik speelde bijvoorbeeld piano en dan legde hij plots iets op de snaren, waardoor het spanningsveld groter werd. In die marteling van de piano zit soms net het juiste drama.”

Nooit gesplit

We vertellen Stuyven hoe opvallend het is dat hij in Dead Man Ray een ander persona lijkt aan te nemen. Als solo-artiest leek hij boven zichzelf te willen uitstijgen, maar ook op deze plaat klinkt hij melancholischer, en meer kwetsbaar. Ook de rest van de groep viel dat op. “Ik ben geïntimideerd en geïntrigeerd wanneer de anderen een soundscape voor mij maken”, bekent de frontman. “Dan ben ik een hertje in een onbekend landschap. Als Daan kon ik zelf het landschap uittekenen, en dan sta ik daar op een meer zelfzekere manier in. Dead Man Ray daagt mij dan weer gigantisch uit, en dat dwingt mij tot een andere manier van zingen en teksten schrijven. Ook niet onbelangrijk was dat ik elke keer als ik met een tekst kwam aandraven, wist ik: shit, Rudy gaat dat moeten horen en zal zijn mening klaar hebben staan. Dat is soms dankbaar, en een andere keer kut.” (lacht)

Van Belle vindt dat Stuyven straffer dan ooit uit de hoek kwam: “Ik hoorde eerst de instrumentale stukken, en daar zou ik niets op hebben kunnen fantaseren zoals Daan dat doet. Pas toen hij zijn zangpartijen toevoegde, begonnen de songs ook vorm te krijgen voor mij.”

De reden daarvoor? “Daglicht, vogeltjes, perspectief.” Zo vat Stuyven de opnames voor hem samen. Dat gebeurde goeddeels in Overijse, waar de plaat – net als Berchem en Cago – zijn titel aan ontleent. “Ik vond het wel geestig dat het wat verwarrend klinkt voor een groep die net weer bij elkaar is gekomen, dat de plaat Over heet”, grinnikt Trouvé. “In mijn ogen is Dead Man Ray evenwel nooit gesplit. We speelden gewoon niet meer samen. Ik had altijd gedacht dat als iemand ons een interessant project – een film of theaterproductie – zou aanbieden, we daar wel op zouden ingaan. Maar dat deed niemand! Dus moesten we zelf het heft in handen nemen. De song die alles in werking heeft gezet, was ‘Woods’: onze slechtst verkochte single was ons artistieke hoogtepunt en beginpunt.” (lacht)

Dat Dead Man Ray een succesvolle doorstart maakt, staat inmiddels trouwens vast. Hun concert in de AB is al lang uitverkocht, en de reacties op hun laatste ep EEN (2018) waren unaniem lovend. Dead Man Ray lag dan ook nooit écht onder de zoden, maar hield een winterslaap, weet Stuyven. “Soms zie ik ze nog in het publiek staan, typische Dead Man Ray-mensen,” zegt hij. “Opmerkelijke figuren. Beschaafde terroristen, zeg maar.”

OVER verschijnt vrijdag via P&C Dead Man Ray 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden