Woensdag 16/10/2019

Boekenrecensie

Contactgestoorde eenzaat Robert Walser ging volledig loos in ‘De Rover’

De beroemdste foto van Robert Walser: zijn dode lichaam in de Zwitserse sneeuw bij Herisau, op eerste kerstdag 1956. Beeld RV

Proza dat je leesgedrag op zijn kop zet en je door de kamer laat stuiteren: dat is De rover van Robert Walser. Zijn ‘meest gedurfde en wildste roman’, poneert de uitgever over het eindelijk vertaalde boek. Daar is geen woord van gelogen.

Het beeld is iconisch onder literaire bollebozen. Een man in zwarte overjas ligt languit in de sneeuw, de armen uitgestrekt, zijn hoed een paar meters verderop. Sneeuw kleeft ook aan de ribbelzolen van zijn bottines. Het is de foto van een dode Robert Walser (1878-1956). De Zwitserse schrijver kwam aan zijn einde tijdens een van zijn vele punctuele bergwandelingen, op eerste kerstdag 1956. Kinderen troffen hem aan nadat een blaffende hond hen naar het lichaam had geleid.

Bestaat er een grotere einzelgänger in de Duitse literatuur dan Robert Walser, de rusteloze, contactgestoorde eenzaat wiens bestaan door ascetische eenvoud werd getekend ondanks de royale erfenissen die hem in de schoot vielen? De laatste 23 jaar van zijn leven bracht Walser door in een inrichting voor zenuwzieken in Herisau, nabij het Zwitserse Sankt Gallen, en zette hij geen regel meer op papier. “Ik ben hier niet om te schrijven, maar om gek te zijn”, zou hij ooit hebben gezegd. Zorgvuldig poetste hij in de voormiddag de slaapzalen en de gangen, om in de namiddag papieren zakken te vouwen.

Toch werden de onorthodoxe romans en korte prozastukken van deze man gekoesterd als een goudklomp door bijvoorbeeld Robert Musil, Franz Kafka, Hermann Hesse, Elias Canetti en Walter Benjamin. Later zouden ook J.M. Coetzee en W.G. Sebald zich aansluiten bij de stoet aficionado’s. Sebald prees ooit “de unieke dolgedraaidheid van zijn formuleringskunst”. Jeroen Brouwers introduceerde in de jaren zeventig en tachtig onder meer als vertaler De bediende en Jakob van Gunten in het Nederlands.

Ongeveer om de twintig jaar lijkt Walsers compromisloze oeuvre grootscheeps herontdekt te worden. Om daarna weer in de vergetelheid te sukkelen. Momenteel bevinden we ons in een hausse. Want na onder meer De vrouw op het balkon en andere prozastukjes (2013) en De wandeling (2015) tekent vertaalster Machteld Bokhove nu bij Koppernik voor De rover, een nooit eerder vertaalde roman uit 1925. En ook hier zien we Walsers verhullingen en onthullingen op kruissnelheid.

‘Robert Walser schrijft over zichzelf en alleen maar over zichzelf’, noteerde Urs Widmer ooit. ‘Zijn werken zijn, wanneer je ze aan elkaar rijgt, een soort innerlijke autobiografie met een veranderde stem: zijn rollen geven hem pas de mogelijkheid überhaupt iets te zeggen, hij kan alleen maar ‘ik’ zeggen wanneer dit Ik verkleed is als een kind, een scholier, een beambte, een wandelaar, etc.’

In deze ontregelende roman, die aanvankelijk als een blok graniet op je af lijkt te komen, vermomt Walser zichzelf als een rover-paljas. Is dit ‘het product van een geesteszieke?’, vraagt vertaalster Bokhove zich af, of toch een ‘Klassiker der Moderne’? Zeker is dat Walser nadien mentaal compleet de dieperik intuimelde. Hij schreef De rover in zes weken in zijn beruchte minuscule potlood-‘Mikrogramme’. Pas na ontcijfering verscheen de roman postuum in 1972.

Amper een witregel, volgelopen bladspiegel, geen hoofdstukindeling. De rover vergt enig doorzettingsvermogen. Toch bezit dit erg associatieve en vaak grappige proza wel degelijk een structuur, al is het alsof je tachtig verhalen tegelijk leest, in steeds wisselende taalregisters – van plechtig tot grof, van speels tot doodernstig. De ik-verteller lijkt te sparren met de rover, de allesdurver, maar tijdens de voortijlende monoloog valt hij zichzelf in de rede, maakt hij zijsprongetjes of filosofeert hij er duchtig op los. En komt het nog wel goed tussen de ‘rover’ en de knappe maar vranke serveuse Edith?

Het lijkt alsof Walser voortdurend twee kanten van zijn eigen persoonlijkheid aftast en op de proef stelt. ‘De economie van het gedrag en de gevoelens tussen mensen’, kan als leitmotiv gelden. Over de liefde en haar valkuilen én de bedrieglijkheid van verlangen wordt duchtig gebakkeleid. Maar evengoed gaat het over middelmatigheid: ‘Schranderheid is iets middelmatigs. We zijn allemaal veel te weinig middelmatig.’ En wat is dat met Wanda, Selma en Louise, ‘keizerinnen van de fantasie’?

Pas na een tijd krijg je grip op dit buitenissige boek tegen het decor van de stad Bern. Walser put zich uit in paradoxen. Soms spreekt hij van ‘een weloverwogen boek waaruit absoluut niets geleerd kan worden’, om aan het eind te resumeren: ‘Het geheel komt me overigens voor als één grote, grote glosse, belachelijk en ondoorgrondelijk.’ Intussen beleef je een leeservaring om u tegen te zeggen, aangejaagd door impulsen en frivole wendingen.

De rover laat zich niet in een-twee-drie ontpellen, alsof je met een weerbarstig stuk fruit te maken hebt. Maar zodra je tot de kern bent doorgedrongen, zijn de smaakaroma’s van dit – wervelend vertaalde – taalfestijn uiterst verfijnd.

Robert Walser, De rover, Koppernik, 200 p., 21,99 euro. Vertaling en nawoord: Machteld Bokhove. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234