Maandag 21/10/2019

Conscience. Of: waarom wil dat verdomde volk niet lezen?

Beeld UNKNOWN

"Conscience leerde zijn volk lezen": iedereen kent de uitspraak, maar wellicht liep het zo'n vaart niet. "Schreef Conscience echt zo slecht?" en "Leerde hij zijn volk wel lezen?": het zijn twee centrale vragen die Geert Van Istendael gisteren stelde - en beantwoordde - tijdens een lezing in het Letterenhuis in Antwerpen. Vandaag kan u de integrale tekst hier lezen.

Mijn vroegste herinnering aan Hendrik Conscience heet: Verzameld Werk. Of liever, de ruggen van de boeken waarin dat verzameld werk afgedrukt was. Ik heb nooit al was het maar één deel opengeslagen.
De imposante rij stond opgesteld in de privé-muziekschool waar mijn ouders mij naartoe stuurden om piano te leren spelen. Ik was zes jaar. De naam Conscience is ongetwijfeld een van de eerste moeilijke woorden die mij, prille lezer, op dat moment vooral nog prille speller, onder ogen kwamen. KON. SKIEN. En daarna wist ik het niet zo goed meer. SE of KE. Die vervelende letter c ontglipte je telkens weer.
Geen nood. Lezen heb ik geleerd, Conscience lezen zeer zeker niet.


Dat ik zijn naam niet naar behoren kon uitspreken, hinderde me meer dan het feit dat de school Ecole de Musique Mademoiselle Wouters heette en gelegen was in de rue des Moutons, Louvain. Pas jaren later - mijn pianospel was inmiddels verschrompeld tot het begeleiden van Kortjakje en Hop Marianneke, stroop in 't kanneke, zulks tot groot jolijt van mijn kinderen en kleinkinderen - pas vele, véle jaren later dus, begon ik vragen te stellen bij de anomalie, of als u het verkiest, ironie die schuilt in de combinatie Franstalig muziekonderricht in een Nederlandstalige stad, mét daarbij de verzamelde geschriften die een icoon van de Vlaamse beweging had geproduceerd, goed zichtbaar opgesteld, die geschriften, zeg maar uitgestald. Had het te maken met de pianojuffrouw die vol trots verklaarde: Je suis flamande, maar voor het overige onze taal verhaspelde tot een karikatuur van een karikatuur? Kon Conscience voor Franstalige Vlamingen als zij nog mee door de beugel, sterker, vonden Franstalige Vlamingen dat ze met Conscience mochten, nee, móésten pronken, nu hij dood was en onschadelijk? Per slot van rekening stond op de neogotische schoorsteenmantel in het ouderlijk huis van deze pianojuffrouw te lezen: Wilt gij wel zijn, wilt gij rusten, zoekt het niet op vreemde kusten, in fractuurschrift. Ik zal hier niet nadoen hoe zij dat uitsprak, het was een doorbraaf mens en haar pianolessen waren uitstekend, God hebbe haar ziel. Maar stel dat mijn hypothese van mee door de beugel kunnen juist is, dan moet je toch ernstig nadenken over de bijdrage die Conscience geleverd heeft tot de Vlaamse emancipatie. Consciencologen dénken daar over na en hun vragen klinken steeds luider en indringender, zoveel meen ik intussen wel begrepen te hebben. Ikzelf zit met een reeks verwarrende gedachten en prangende vragen bij Hendrik Conscience en zijn werk.

Met het eigenlijke werk heb ik kennis gemaakt, zoals het een Belgisch jongetje betaamt, via het stripverhaal. U kent wellicht De Leeuw van Vlaanderen, getekend door Bob de Moor, een striptekenaar die in brede kring nog steeds zwaar onderschat wordt. De Moor was de even bescheiden als begaafde assistent van Hergé, die hij altijd aansprak met maître. En, alweer ironie, Bob de Moor was een Antwerpenaar die naar Brussel, meer bepaald naar Ukkel verhuisde en zich kiplekker voelde in de zeer Franstalige, maar tevens zeer Brusselse ambiance van Studio Hergé.

Dat iemand het winstgevend vond de Leeuw van Vlaanderen te verstrippen, wijst erop dat het boek een plaats had in ons collectieve bewustzijn en dat dus ook Conscience daar een plaats had veroverd.
In dat stripalbum zag ik toch wel rare dingen, hoor. De Vlaamse vrijheidsstrijder Robrecht van Bethune bijvoorbeeld vertoont een treffende gelijkenis met de toenmalige, uiteraard Franstalige officieren van het Belgische leger of dito piloten van Sabena die Bob de Moor ongetwijfeld heeft ontmoet in Ukkel of anders wel in de entourage van Hergé. Ik zal een jaar of dertien, veertien geweest zijn toen ik zin kreeg om de échte Leeuw van Vlaanderen te lezen. Mijn teleurstelling kan ik nog steeds niet beschrijven. Brij. Gezwel. Ondraaglijk bombast. Na drie bladzijden heb ik het meesterwerk van Conscience walgend van me afgeworpen. Nee, ik had anderen nodig die mij leerden lezen. Mijn leeshonger werd toen al gestild door voedsel als Pa Pinkelman en Heer Bommel.

Tijdens de voorbereiding van deze uiteenzetting heb ik de Leeuw van Vlaanderen nogmaals ter hand genomen en nogmaals kon ik niet anders dan het ding van me afduwen. Het was niet zozeer de nationalistische mythevorming die me stoorde. Andere mythevormende boeken heb ik gretig gespeld van a tot z en de kromme mythe uit de Leeuw van Vlaanderen hebben anderen in mijn plaats vakkundig ontleed.

Mijn irritatie was van een heel andere aard. Deze keer was Conscience er al na twee bladzijden in geslaagd mij tomeloos te vervelen. Kijk, dát vind ik nou onvergeeflijk. Een schrijver mag alles doen in zijn boeken, van het hoogste tot het laagste, bruut, precieus, sentimenteel, vies, vroom, barok, kaal, zakelijk, romantisch, werkelijk alles mag van mij, behalve één ding: de lezer vervelen. Dat is des schrijvers doodzonde. Het is een doodzonde waarvoor geen vergeving bestaat. Conscience bedrijft die zonde.

Het is van belang daar op in te gaan. Eveneens in mijn prille jeugd had een oude tante me Jan zonder Vrees van Constant de Kinder in handen gegeven. Niks geen gemoderniseerde, dit wil zeggen gecastreerde versie, nee, lekker in oude spelling, zoals het hoort. Ik heb Jan zonder Vrees vijf keer na elkaar uitgelezen. Nu weet ik wel dat Consciences boek dateert uit 1838 en dat van De Kinder uit 1910, maar toch, De Kinder wist de kinderziel te bespelen en die andere Antwerpenaar niet.

Voorspelbare tegenwerping: Conscience heeft zijn Leeuw niet voor kinderen geschreven. Dan heb ik hier een ander argument. Dat heet Tijl Uilenspiegel.

Ook die verhaalstof heb ik als kind leren kennen, ook dankzij een strip, deze keer van Willy van der Steen. Het was geen album uit de reeks Suske en Wiske, het werd afzonderlijk uitgegeven en was ingekleurd in rood- en grijstinten. Jaren later kocht ik La légende et les aventures héroïques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak au Pays de Flandres et ailleurs van Charles de Coster. Een titel als een programma, een loodzwaar programma, op het eerste gezicht even hoogdravend en nationalistisch als de Leeuw van Vlaanderen. Het is het soort titels dat me spontaan wantrouwen inboezemt. Ik nam het boek dan ook wederstrevend ter hand, alles in mij verzette zich, maar ik vond dat ik dit móést lezen, want het was een klassiek boek uit een van onze twee nationale literaturen. Ja, zo redeneerde ik toen nog. Hoever zou ik raken? Twee bladzijden. Drie?

Mijn niet geringe tegenzin verdampte nog voor ik la Préface du Hibou uit had. Ik heb de vijf delen verslonden zoals ik eerder indianenverhalen had verslonden of, laten we het hedendaags houden, zoals een kind nu Harry Potter verslindt. Met ingehouden adem en rode oren. IJzersterk verhaal, meesterlijk verteld. Punt. Pas na die eerste lectuur heb ik weet gekregen van de andere lagen in het boek. Het liberale en het vrijzinnige (in de Belgische betekenis van dat woord) bijvoorbeeld. Wie wat begint te graven, vind nog veel meer, bijvoorbeeld mythevorming. Maar een goed boek blijft een goed boek, ook als je niet verder kijkt dan het verhaaloppervlak. In Consciences Leeuw deugt zelfs dat verhaaloppervlak niet.

Er is geen excuus. Charles de Coster was een tijdgenoot van Conscience. Hij leefde van 1827 tot 1879.

1984. Nacht van de poëzie. Ik zit in de catacomben van Vorst Nationaal, te wachten tot ik mezelf voor de leeuwen zal gooien. Niemand minder dan Jevgeni Jevtoesjenko spreekt me aan. Dan voel je je, als geringe Noordzeegarnaal in de poëzie, zéér vereerd. Jevtoesjenko zong luidkeels de lof van Tijl Uilenspiegel, Charles de Coster, Lamme Goedzak, Nele, Claes en ga zo maar door. Nooit had hij een mooier boek gelezen. Parlez-vous français, vroeg ik dan maar, want met doe Sovjets weet je maar nooit. No, No, Rrrrussjn Trensleesjn, zei hij. Ik kan niet geloven dat hij bij mij in het gevlij wilde komen, dát veronderstellen is te belachelijk voor woorden. Nee, hier sprak een dichter die in zijn eigen taal al Anna Karenina en Dode Zielen heeft. Er is slechts één besluit mogelijk. Hij plaatste Charles de Coster in die regionen van de literatuur. De Leeuw van Vlaanderen en ander werk van Conscience zul je daar tevergeefs zoeken.

In de bibliotheek die ieder DDR-hotel erop na hield ten behoeve van de schaarse gasten, uitstekende bibliotheken, moet ik zeggen, vond je steevast De Coster naast Thomas Mann, Cervantes, Poesjkin, Balzac, Stendhal. In dat gezelschap heb ik Conscience nooit mogen begroeten.

Ik zit danig in mijn maag met de vraag: Hoe is het mogelijk dat iemand als Conscience, die zo slecht schreef, komaan, die allerbelabberdst schreef, grof hakhout, goedkope stroop, vervaarlijke gezwellen, dat zo iemand de reputatie heeft gekregen dat hij zijn volk leerde lezen?

De vraag valt uiteen in twee deelvragen:
1. Schreef Conscience werkelijk zo slecht?
2. Klopt het wel dat hij zijn volk leerde lezen?

Het antwoord op deelvraag 1 is mijns inziens ja. Het antwoord op deelvraag 2 is mijns inziens nee.

Ik ga nu in op vraag 1.
Hier zou het moeten volstaan een willekeurige bladzijde uit het oeuvre van Conscience voor te lezen. Bijvoorbeeld uit Het IJzeren Graf.

Ik zie al van ver de argumenten aandragen om Conscience te verdedigen.

Ten eerste, We weten allemaal dat het Nederlands in het nieuwe koninkrijk België een verdrukte taal was, zo verdrukt dat de machthebbers aarzelden of botweg weigerden het een taal te noemen, dat krioelende hoopje dialecten van Knokke tot Kinrooi, van Wuustwezel tot Watermaal. En áls die gribus al een naam kreeg, dan was dat zeker niet Nederlands of Nederduits, de taal van le Batave abhorré.

Vervolgens, waar zou Conscience een behoorlijk opleiding hebben gekregen?

Ten slotte, waar zou Conscience literaire voorbeelden hebben gehaald?

De ondertoon is altijd dezelfde. Blijf met je fikken van onze Conscience af. Onze Conscience is een groot schrijver, ook al is hij een slecht schrijver. Daar kon de arme kerel namelijk niets aan doen.

De kerel kon er wél wat aan doen en hij heeft het níét gedaan.

De verdrukte taal. Klopt helemaal. Het mag een mirakel heten dat die taal erin geslaagd is haar rechten te veroveren, stuk voor stuk, en dat dat gebeurd is op democratische en vredelievende wijze. Ik hoor níét bij degenen die de taalstrijd minachtend afdoen als achterlijk folklore, integendeel. Ik heb de grootste eerbied voor de Vlaamse emancipatiestrijd, op twee totaal verwerpelijke uitzonderingen na, ik bedoel de collaboratie in beide wereldoorlogen. Ik heb niets dan achting voor mensen als kanunnik David, Jan Frans Willems, Lodewijk de Raet, Frans van Cauwelaert, Camille Huysmans, Louis Franck, Gaston Eyskens of voor de statige heer die tot zijn dood in mijn eigen Brusselse straat heeft gewoond, Hendrik Fayat.

Bedenk toch even dat onze taal, of wat er in België van overschoot, het moest het opnemen tegen wat toen de universele taal van de elite was, in Europa en ver daarbuiten, een taal bovendien waarin een briljante en waarlijk grote cultuur tot uitdrukking kwam. Als je ziet hoe heden ten dage Vlaanderen in het stof kruipt voor een andere grote taal ... ik denk dat wij, Vlamingen, met onze geschiedenis, ons zoiets niet kunnen veroorloven. Het zal onze zeer Vlaamsvoelende machthebbers een rotzorg zijn.

Sta me toe hier een kleine excursie te maken naar een andere taal die ook in de negentiende eeuw ook te lijden had onder verdrukking door een grote taal die een indrukwekkende cultuur droeg. Ik zal het hebben over het Tsjechisch. Hoe hebben schrijvers die zich bedienden van het Tsjechisch, tegen het overheersende Duits in, het gedaan?
De keuze voor het Tsjechisch lag niet voor de hand. Er zijn genoeg auteurs uit Bohemen-Moravië die de voorkeur gaven aan het Duits. We kennen dat verschijnsel. Geen wonder dat het Tsjechische nationalisme kon rekenen op een warme belangstelling van veel flaminganten.

Laten we eens kijken wat de Tsjechische literatuur ten tijde van Conscience zoal in de aanbieding had.

Božena N¿mcová (1820-1862) schreef een roman over een dorpse grootmoeder. Helemaal stof voor een ruraal Conscience-draakje. Babi¿ka lezen de Tsjechen tot op heden, tenminste, voor zover ze nog lezen. Iemand als Franz Kafka heeft Babi¿ka met passie gelezen. Weinigen weten dat Kafka behoorlijk Tsjechisch kende.

Karel Hynek Mácha (1810-1836) schrijft het lange gedicht Máj, inderdaad: mei. Het schittert nog steeds.

De Povídky malostranské van Jan Neruda (1834-1891) kun je vandaag nog moeiteloos lezen, licht badinerende, licht melancholische, licht ironische, zeer negentiende-eeuwse verhalen over de Malá Strana, de Kleine Zijde in Praag.

De beste schrijvers uit de tijd van de Tsjechische wederopstanding, de boeken dus van Oostenrijkse onderdanen, blijven overeind, na al die jaren. Moeiteloos. Conscience niet. Zijn naam blijft en één titel. Alla, twee. Drie.

Over het gebrek aan opleiding kan ik kort zijn. Schrijven is een ambacht waarvoor nauwelijks formele opleiding bestaat. Ja, op Angelsaksische campussen, maar van de resultaten kan ik maar niet onder de indruk komen.

Neem echter een tijdgenoot van Conscience, Theodor Fontane. Fontane was apothekersleerling. Misschien heeft dat wel iets te maken met de subtiele evenwichten waarmee meesterwerken als Effi Briest of Der Stechlin zijn opgebouwd. En nu ik bij Fontane ben - Conscience mocht graag non-fictie schrijven, bijvoorbeeld Eenige bladzijden uit het boek der natuer. Wie wil dat nog lezen? Fontane schreef non-fictie die onderhoudend blijft en bij tijd en wijle zelfs spannend. Een boek als Wanderungen durch die Mark Brandenburg kreeg nog niet zo lang geleden zelfs een Nederlandse vertaling en dat kun je allesbehalve evident noemen in deze tijden van obsessie met rendement en verkoopcijfers. Een Duitse pil van meer dan vijfhonderd bladzijden uit de negentiende eeuw zal wel nooit de bestsellerlijsten halen. Ten onrechte overigens.

Wat was de opleiding van Dickens (1812-1870)? Arbeider, hulpje bij een notaris. Wat was de opleiding van Collodi (1826-1890), die de onsterfelijke Pinocchio bedacht? Oorlogsvrijwilliger. Opmerkelijke parallel met Conscience. Hans Christian Andersen (1805-1875) groeide straatarm op. Toen hij 23 was kon hij pas beginnen te studeren. Of neem een recenter geval, José Saramago, die automechanica heeft gestudeerd. Saramago was negentien toen hij zijn eerste boek kon kopen, met geleend geld. Saramago's moeder was analfabeet. Hij kwam dan ook uit het minst geletterde land van Europa. Waarna de Nobelprijs literatuur.

Laten we toch ernstig blijven. Opleiding is niet het obstakel, althans niet een obstakel waar je niet overheen kunt. Nee, in dit gezelschap hoort de man die zijn volk leerde lezen níét thuis.

En dan de literaire voorbeelden. Die waren er. Conscience had zijn talen met bewonderenswaardig doorzettingsvermogen geleerd. Als schrijver is hij zelfs begonnen in het Frans. Dat hij daarna gekozen heeft voor een soort Nederlands, daar moeten we respect voor opbrengen. Maar wij, Vlamingen, zouden beter ermee ophouden te denken dat Conscience de taal van het volk heeft gekozen. Het soort Nederlands dat Conscience schreef had niéts, maar dan ook helemaal niets met de taal van het volk te maken. Wie dat beweert, beledigt de volkstaal. Moet ik soms nóg een bladzijde voorlezen, sprak hij dreigend?

Terug naar de literaire voorbeelden. Wat heeft hij ermee gedaan? Wat? Blijkbaar was hij niet in staat om met vrucht zijn voorbeelden te imiteren, wat vaak de eerste stap is die een jong, begaafd schrijver zet in de literatuur. Intelligent nabootsen voor je je eigen stijl vindt. Walter Scott zou zijn voorbeeld zijn geweest. Ja, ja. U kent vermoedelijk wel de grap van de muis en de olifant die door het woestijnzand liepen. Wij maken toch veel stof, hè, zei de muis.

U kunt zich afvragen waarom ik mijn voorbeelden van schrijvers die gunstig afsteken tegen Hendrik Conscience in andere taalgebieden ga zoeken. Ik doe dat omdat ik vind dat de kerel die ons volk leerde lezen, ten minste, dat is wat in ons gewest uitentreuren verkondigd wordt, dat die kerel dus best een fraaie plek verdient, ergens hoog op een verblindend witte wolk in de hemel van de Europese literatuur, laten we bescheiden blijven en zeggen, net één wolk lager dan tijdgenoten als Balzac (1799-1850) of Toergenjew (1818-1883).

Hendrik Conscience verdient die plek níét. Op geen enkele manier.
Hij is niet de enige, lang niet, als dat een troost kan zijn. Neem bijvoorbeeld de beoefenaren van het genre dorpsroman. Conscience begon daaraan omstreeks 1850. Ik noem titels als De Loteling, Baes Gansendonck of De Plaeg der Dorpen. In het Duitse taalgebied had je ten tijde van Conscience misschien nog meer dorps- of noem het heimatschrijvers dan in het onze, gevierde kunstenaars, hun boeken gingen bij tienduizenden over de toonbank. Heinrich Clauren (1771-1854), Elisabeth Bürstenbinder (1838-1918), iets later Ludwig Ganghofer (1855-1920). Enzovoort. Enzovoort. Alleen professoren die zich hebben gespecialiseerd in biedermeier of Gründerzeit kennen die namen nog.

Wie weet nog wie Berthold Auerbach was, vrijwel een exacte tijdgenoot van Conscience, hij leefde van 1812 tot 1882? Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de Dorfsgeschichte. Interessant genoeg was zijn echte naam Moses Baruch Auerbacher. Deze auteur is nog steeds het lezen waard, maar hij heeft het dan ook over ellende en uitstoting in het dorp, over de verhouding dorp-stad, zonder een van de twee op te hemelen of te verketteren, over de spanning tussen het officiële Hoogduits en het Alemannisch van het Zwarte Woud. En toch, wie kent hem nog?

Conscience kan misschien af en toe aanspraak maken op de titel volksschrijver omdat hij in sommige van zijn verhalen problemen behandelde waarmee de kleine man, de kleine vrouw in de klem zaten. Bijvoorbeeld de onmenselijke fabrieksarbeid in Bavo en Lieveken, het afkopen van de legerloting of alcoholisme (in De Plaeg der Dorpen).

Maar waarom heeft hij dan niet, op de wijze van Maarten Luther, dem Volk aufs Maul geschaut? Waarom hebben we daarvoor moeten wachten op iemand als Cyriel Buysse? Hád Conscience nou maar de taal van het volk geschreven en niet het slijmerige afkooksel dat daarvoor moest doorgaan, er had misschien een groot schrijver uit hem kunnen groeien, zo een van wiens boeken dat volk maar niet genoeg kon krijgen. Naar het schijnt werd de kleine jongen Conscience door zijn vriendjes zéér gewaardeerd als verteller. Maar dan wel in het plat Antwerps, tenminste, dat moeten we wel aannemen. Had hij maar geschreven in een taal die naadloos aansloot bij dat krachtige Brabantse idioom van zijn geboortestad.

Of nee, waarom is Conscience zijn schrijverswijsheid niet gaan halen in Nederland? Dat lag toch voor de hand, fluistert het Groot-Nederlandse deel van mijn ik mij in. Wees kanunnik David dan niet de weg, bijvoorbeeld in zijn Tael- en Letterkundige Aenmerkingen? Waren de particularisten niet morrend teruggekropen naar de enige plek waar ze konden ademen, in de schaduw van hun bloedeigen kerktoren? Of zat Consciences afkeer van Nederland te diep, na zijn ervaringen in de jaren 1830?

Misschien is het veel erger. Misschien waren er in Nederland helemaal geen voorbeelden die je de moeite waard kon noemen om na te volgen. Camera Obscura is, hoe prachtig ik het boek ook vind, té Hollands, té Leids, té zeer sooshumor. Van Lennep? Potgieter, met Jan, Jannetje en hun jongste kind? Of Bilderdijk? Nee, er was één voorbeeld, één enkel voorbeeld, maar wat voor een voorbeeld, één voorbeeld, uit 1860, Max Havelaar, geschreven in Brussel dan nog wel.

Nou vráág ik u! Lees een willekeurige bladzijde van Multatuli hardop en onmiddellijk daarna een willekeurige bladzijde van Hendrik Conscience. Als je nog enige Vlaamse trots over hebt in je Vlaamse lijf, dan overtijgt toch het schaamrood je wangen. Dit kun je met goed fatsoen niet vergelijken! Het proza van Multatuli bevindt zich op duizelingwekkende hoogte én tegelijkerijd te midden van ons, ook vandaag nog. Het proza van Conscience ligt op de bodem van een ravijn. En dat willen wij dan om der wille van armtierige, zogezegd Vlaamse trots opkrikken tot iets, ja, tot wat? Tot iets waar de wereld ons om benijdt? Tot boven op de Parnassus der Vlaamse Letteren? Dan is die Parnassus een molshoop hoog. Maar gelukkig, gelukkig - wat prijs ik me zalig - gelukkig bestaat er helemaal niet zoiets als Vlaamse letteren. Er bestaat alleen een Nederlandse literatuur en wij, Vlamingen, zouden iedere ochtend die ouwe schurk Douwes Dekker op onze blote Vlaamse knieën moeten danken omdat ook wij deel mogen hebben aan zijn schitterende geschriften. Dat ze ook van ons zijn, dankzij de eenheid van de Nederlandse taal. Waarom, o wrede, onrechtvaardige goden, waarom mocht Multatuli ons volk niet leren lezen?

Zo ben ik beland bij deelvraag 2:
Klopte het wel dat Conscience zijn volk leerde lezen?
U denkt misschien dat ik die vraag al lang en breed hebt beantwoord, maar nee, dat heb ik niet. Het is niet omdat iemand slecht schrijft, dat hij niet wordt gelezen. Denk aan Konsalik. Bovendien zijn er genoeg schrijvers die zich bij leven mogen verheugen op een talrijke lezersschaar en die na hun dood pijlsnel verzinken in vergetelheid.

Denk aan de vele negentiende-eeuwse schrijvers van streekromans uit Duitsland, ik had het daarnet over hen. Ik gun overigens al dezen hun succes van harte.

Maar misschien is het wel écht zo dat Conscience ooit de lievelingsschrijver was van massa's eenvoudige mensen.

Een mevrouw met wie ik geregeld samenwerk vertelde me dat haar grootouders weinig geletterd waren. Ze konden moeizaam lezen, ze konden hun handtekening zetten, maar dat was het dan ook. Echt schrijven konden ze niet. Toen ze bejaard waren, zaten ze hele dagen voor het raam ... te lezen. Ze hadden min of meer het volledige verzamelde werk van Conscience in huis, tweedehands, goedkoop, en dat lazen ze van het begin tot het eind. Waren ze bij het laatste boekdeel beland, dan begonnen ze weer van voren af aan. Enzovoort.

Het is de natte droom van iedere schrijver, zoiets. Tevens maant het mij aan tot terughoudendheid. Tot voorzichtigheid in mijn stellingen. Schreef Cosncience dan werkelijk zo slecht? Of waren zijn verhalen zo op maat van zijn potentiële lezers geschreven dat die dwars door zijn onmogelijke stijl heen konden kijken en tóch geboeid raakten? Of lazen ze Conscience omdat ze niets anders voor ogen kregen? Wat dan met, ik doe een greep, Snieders, Zetternam, Bergmann, zelfs met Anseele en al die anderen? Zij hadden niet een fractie van de reputatie, de invloed, de weergalm van Conscience in de nationale ruimte. En ook zij zijn vandaag slechts namen voor literatuurhistorici, hoewel eerlijkheid mij gebiedt te zeggen dat ik Ernest Staas echt een goed boek vind, in ieder geval stukken leesbaarder dan alles wat Conscience bij elkaar heeft gepend.

Wat of wie heb je nodig om een volk te leren lezen? Zijn het grote schrijvers?

Nauwelijks. Of zelfs helemaal niet.

Er zijn in de geschiedenis wel wat voorbeelden te vinden van volkeren die hebben leren lezen. Je hoeft daarvoor niet eens te refereren aan de leerplicht. Die is in België, met dank aan de Werkliedenpartij, trouwens héél erg laat ingevoerd, pas in 1914, op papier. De Groote Oorlog heeft dan nog eens voor vier jaar uitstel gezorgd. Daarmee bekleedt België een treurige voorlaatste plaats in de reeks Europese landen. In ieder geval was Conscience allang dood eer de Belgische kindertjes naar school móésten, want dat was, alle haarkloverij over de verschillen tussen verplichte school en verplicht leren daargelaten, wat de maatregel in de praktijk betekende.

Stel nou even dat Conscience een zijn beste jaren had besteed aan een grootscheepse campagne ter invoering van de leerplicht, met de voor mij nog steeds bewonderenswaardige en ontroerende middelen die de geest der negentiende eeuw vereiste, massaoptochten, plechtige toespraken, wouden van vlaggen, epische romans en heftige toneelstukken, Hoe Karel het Licht zag of iets dergelijks, cantates gecomponeerd door François Gevaert of Peter Benoit en godsvrede tussen tsjeef en geus. Indien Conscience zoiets groots had ondernomen met of zonder onmiddellijk resultaat, daar gaat het niet om, want point n'est besoin d'espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer, nietwaar, ik zou diep het hoofd het hoofd buigen, ik zou met geen woord reppen van zijn onleesbare romans, ik zou met luider stemme t'allen kant over onze weiden als wiegende zeeën verkondigen: Eert deze man, want hij heeft waarlijk zijn volk leren lezen - zelfs al zou dan de leerplicht er pas jaren na zijn staatsbegrafenis zijn gekomen.

Echter, dat alles is niet gebeurd.

Dus. Hoe leer je een volk lezen?

Een voorbeeld uit de geschiedenis, ver van ons in tijd en ruimte.
Armenië. Begin vijfde eeuw na Christus.
Een monnik genaamd Mesrop Masjtots ontwerpt een alfabet van zesendertig letters, exact op maat van de Armeense taal. Tot op dat moment gebruikten de weinige Armeniërs die schreven voor hun taal Griekse, Syrische of Perzische karakters. Mesrop ontwerpt zijn alfabet met steun van de koning en het hoofd van de Armeense kerk, de katholikos. Mesrops alfabet, enkele eeuwen later aangevuld met een paar karakters, is vandaag nog steeds algemeen gangbaar in wat rest van het historische territorium, de huidige republiek Armenië.

Zodra het alfabet gereed is, begint Mesrop, samen met anderen, aan de bijbelvertaling. En onmiddellijk daarbij aansluitend zal hij, alweer aangemoedigd door koning en katholikos, in het hele land scholen oprichten om alfabet en bijbelvertaling algemeen te verspreiden onder de bevolking, dus niet beperkt tot wat in die tijd de adelstand was, nee, de hele bevolking moest kunnen lezen. Er volgt een explosie van vertalingen, vooral van heiligenlevens. Ik herhaal, dit is de vijfde eeuw van onze jaartelling. In die tijd stond het Armeense christendom onder druk van het Perzische mazdeïsme.

Weinig volkeren zijn in de loop van hun geschiedenis zo onbarmhartig verdrukt en vervolgd als het Armeense volk. Een vastberaden poging van de Ottomaanse heersers om de Armeniërs uit te roeien, nu bijna een eeuw geleden, is bijna geslaagd. Net niet. Het lijkt erop dat een amalgaam van alfabet, zéér vroege algemene alfabetisering, taal en christendom belet heeft dat de Armeniërs verdwenen zijn tussen de plooien van de geschiedenis, zoals zoveel volkeren en talen verdwenen zijn.

Het kerkje van het dorp Osjakan is gewijd aan het alfabet. Mesrop ligt er begraven. Als je daar in Osjakan drommen jongens en meisjes van zes, zeven jaar, dus uit de eerste klas lager onderwijs, allemaal op hun paasbest, ziet, die onder leiding van juf of meester op pelgrimstocht komen naar de stichter van hun alfabet, sterker, naar hun alfabet zélf, tientallen kleine kinderen die trots bovenmaatse kartonnen Armeense letters, beplakt met zilverpapier, boven hun hoofdje houden, dan begin je enigszins te begrijpen wat de zin hij leerde zijn volk lezen zou kunnen betekenen.

Maar we hoeven niet zo ver uit te wijken, noch in ruimte, noch in tijd. In de zestiende eeuw moesten in Genève alle jongens én alle meisjes ten minste leren lezen, want iedereen hoorde de bijbel te lezen. Predestinatie of niet, je eeuwige zaligheid stond op het spel. Ik weet nou niet of het destijds zo prettig was om in het calvinistische Rome, in Genève dus, te wonen, maar lezen leerde je er wel. Niet alleen de calvinisten, ook de lutheranen hechtten het grootste belang aan bijbellectuur voor iedereen. Van Maarten Luther kun je misschien zeggen dat hij de mensen in Duitse landen heeft leren lezen, door middel van zijn geniale bijbelvertaling.

Afkeer, minachting, spot, dat hoor ik vaak als Nederlanders spreken over het calvinisme. Zij vergeten dan toch dat die vorm van protestantisme in de zestiende, zeventiende eeuw een heuse bevrijdingsbeweging gestuwd heeft. De Republiek die zich in het noorden wist te handhaven na de catastrofale scheuring der Nederlanden, was een der eerste gebieden in Europa die zich los worstelden uit wurggreep van het vorstelijk absolutisme. Historici proberen uit alle macht te relativeren en te deconstrueren dat bv. Lodewijk van Nassau in 1568, toen hij zijn inval aan de kant van Groningen voorbereidde, een brief van zijn broer Willem de Zwijger bij zich had waarin stond dat hij soldaten moest ronselen om de liberteyt van religie en consciëntie te verdedigen. Maar hoe je ook relativeert en deconstrueert, de hertog van Alva had geen enkele brief op zak van Filips II die hem voorschreef de vrijheid van godsdienst en geweten te verdedigen. Dergelijke vrijheden waren de bloedhertog en zijn opdrachtgever gruwel der gruwelen.

Wanneer na 1618, door last van de Hoogmogende Heren Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden en volgens het besluit van de Synode Nationaal gehouden te Dordrecht, Bogermannus, Walaeus, Baudartius en anderen de bijbel beginnen om te zetten uit de oorspronkelijke talen in onze Nederlandse taal, vatten zij een arbeid aan waarvan wij het baanbrekende gehalte nauwelijks kunnen overschatten. Niet alleen ontwerpen zij, met een kunde, met een vaardigheid die alleen overtroffen wordt door hun toewijding, de Nederlandse schrijftaal, gebruik makend van materiaal uit noordelijke en zuidelijke gewesten, waar allerlei varianten van die Nederlandse taal het volk in de mond bestorven liggen, zij maken ook Gods openbaring toegankelijk voor alle gelovigen, zonder uitzondering, van de rijkste regent tot de armste strontruimer. In de Spaanse Nederlanden vergrendelde op hetzelfde moment de Katholieke Kerk, volmaakt in overeenstemming met de besluiten van het Concilie van Trente, de toegang tot die openbaring, in de eerste plaats voor de nederigsten onder de gelovigen. Het Latijn van de Vulgata was de officiële bijbeltaal. Rome sloeg de deur dicht voor de neus van de ongeletterden.

De zeer ten onrechte gesmade calvinisten maakten het mogelijk dat het volk leerde lezen. Die drang van de calvinisten om ten eerste, de bijbel in de volkstaal ter beschikking te stellen van, ten tweede, iedereen die kon lezen, zodat, ten derde, iedereen ook moest leren lezen, was zonder meer revolutionair. Het doet me denken aan de groots opgezette alfabetiseringscampagne in Cuba, toen Fidel Castro, nog jong, mooi en idealistisch, pas dictator Batista had verjaagd. De Cubaanse alfabetisering slaagde volkomen. Omstreeks dezelfde tijd kon in Portigal meer dan 40 procent van de bevolking niet lezen, ondanks Pessoa.

Of neem Hongarije. Van de Hongaarse bevolking is min of meer een kwart protestants. Református. De rest is grotendeels Rooms. Of liever dat waren de verhoudingen toen de mensen nog ter kerke gingen. In de negentiende eeuw en zelfs tot in de twintigste heersten op het Hongaarse platteland nog feodale verhoudingen waar wij ons nauwelijks een voorstelling van kunnen maken. Welnu, ook in de ellendigste hutten van de armste keuterboeren vond je altijd twee boeken: de bijbel (in Hongaarse vertaling) en de gedichten van Pet¿fi Sándor. Ten minste, als die berooide poestakneuters protestants waren. Waren ze katholiek, dan hadden ze geen enkel boek in huis.

Ik wil maar zeggen: Om een volk te leren lezen heb je heel wat anders nodig dan één invloedrijke schrijver, want dat Conscience zijn tijdsgewricht beïnvloed heeft, zal niemand betwisten.

1. Je hebt een emancipatorische ideologie nodig. Ik zeg emancipatorisch, omdat je alfabetisering moeilijk anders kunt benoemen, ondanks bedenkelijke elementen die je in die ideologie vaak aantreft, zeg maar totalitaire elementen, die schuilgaan in iedere bekerende heilsleer.

2. Je hebt conjunctie tussen een maatschappelijke evolutie en die ideologie nodig. Ik geef een voorbeeld van gebrek aan conjunctie: Koning Willem I heeft in het zuiden van zijn rijk een reeks lagere scholen opgericht die in die tijd, dus het begin van de negentiende eeuw, een model mochten heten. De andere lagere scholen in onze gewesten waren slecht tot erbarmelijk. Willems scholen waren uitdrukkelijk níét protestants, maar ze ontsnapten aan de controle door katholieke kerkelijke instanties, zeer tot afgrijzen van die instanties. Dat afgrijzen was één van de vele drijfveren die katholieken en liberalen hebben samengebracht in het Monsterverbond. Maar in 1830 was wel, door het wijze scholenbeleid van koning Willem, het analfabetisme in de zuidelijke Nederlanden met ongeveer 10 procent gedaald. Een opmerkelijk resultaat toch. Alleen kon Willem uiteindelijk niet op tegen de machten die samenspanden om zijn Verenigde Nederlanden uit elkaar te rukken. De conjunctie tussen zijn emancipatorische beleid en acceptatie door zuidelijke elites ontbrak totaal. Ik neem aan dat de kleine Hendrik Conscience een andere school heeft bezocht. Ik meen vernomen te hebben dat de geringe opleiding die hij kreeg ook nog eens zeer gebrekkig was.

3. Wat ook zeker helpt is een dreiging van buiten af, zoals in Armenië of de jonge Nederlandse Republiek.

Maar laten we terugkeren naar het vaderland.

Wie heeft het Vlaamse volk leren lezen? Even terzijde dit. Laten we gemakshalve en voorlopig aannemen dat er zoiets als een Vlaams volk bestaat, zo niet kunnen we over dit onderwerp niets zinnigs zeggen.

Ik ben ervan overtuigd dat Hendrik Conscience in dat leerproces een volstrekt bijkomstige rol heeft gespeeld. Als het gaat om pure alfabetisering, maar ook als het erom gaat om mensen ertoe te brengen graag boeken te lezen, moeten we hulde brengen aan hen die het echte werk hebben gedaan, onverdroten, tientallen jaren lang, vaak tegen bot onbegrip en taaie weerstand in.

Wie heeft het volk leren lezen?

De onderwijzers en de onderwijzeressen, vooral die van de lagere school, vooral die in kleine dorpen en in arme stadsbuurten, vandaag zouden we zeggen, vooral zij in les geven in zwarte scholen. Laten wij het standbeeld van Conscience omsmelten en in zijn plaats, uit hetzelfde brons, een nieuw beeld maken, een dubbel beeld ter ere van de meester en de juf. Ter ere van de onderbetaalde idealisten. Zij hebben de slimme, nieuwsgierige kinderen die thuis niets meekrijgen stiekem goeie boeken toegestopt, net zoals de mensen die de kleine bibliotheken openhielden, zowel de boekerijen van de parochies als die van het Willemsfonds of van de roden.

Dan de fondsen: Willemsfonds vermeldde ik al, Davidsfonds natuurlijk, Vermeylenfonds. Ik heb gezinnen gekend die alleen boeken van het Davidsfonds in huis hadden. Waar de ouders zich rot schrokken toen ze de eerste Mulisch of Reve in de kamer van hun puberende zoon/dochter ontdekten. Maar de emancipatie was niet meer terug te draaien.

Wil dat verdomde Vlaamse volk, willen die ondankbare loeders nog wel lezen?

Ik zal hierover kort zijn. Niet meer of niet minder dan pakweg tien of twintig of dertig jaar geleden. Zowel de boeken als de verleidingen buiten de boeken zijn talrijker geworden. Probeer niet op te boksen tegen elektronisch geweld, je ligt voor het einde van de eerste ronde geschonden in de touwen. Probeer niet mee te heulen met elektronisch geweld, je eindigt in een morsige steeg tussen de vuilnisbakken. Wij, schrijvers, hebben één verdomde plicht: goede boeken schrijven, of het volk die nou leest of niet, tegen de draad of niet, goede boeken. Daarvoor zijn wij op de wereld, voor niets anders.

Zouden we zonder Conscience niet zo ver staan als we nu staan? Met andere woorden, zou Conscience een diepgaande en blijvende gunstige invloed hebben uitgeoefend op de Vlaamse emnacipatie?
Ik weiger dat aan te nemen. Ik moet zelfs de neiging onderdrukken om te zeggen: we zouden zonder hem veel verder staan.
Wel wil ik aannemen dat de maatschappelijke invloed van Conscience
belangrijker is geweest dan zijn literaire invloed. Dat hij zowel voor
francofone machthebbers als voor flaminganten bruikbaar is geweest. De Consciencestraten, -lanen en -pleinen zijn niet te tellen. Dat is altijd een zeker teken dat het gaat om een consensusfiguur. Links of rechts, je zit altijd goed, schepen van straatnamen zijnde.

Evenmin kost het me moeite toe te geven dat de kwantiteit van zijn oeuvre op zich indrukwekkend is. Er bestaat een theorie dat de ware schrijver ook altijd veel schrijft. Ik ben het daar niet mee eens. Je hebt verzameld werk dat de dikte heeft van een timmermanspotlood, neem Nescio, of verzameld werk waaronder je boekenkast inzakt, neem Simenon. Heeft geen enkel belang. De ware schrijver is hij of zij die goed schrijft, of het nu veel is of weinig.

Hugo Claus wist heel goed wat hij deed toen hij zich liet fotograferen in omstrengeling met Hendrik Conscience. Hun initialen zijn dezelfde, dat is al mooi meegenomen. Bovendien, als je het bestaan van een Vlaamse literatuur erkent, is Conscience de grondlegger, de aartsvader, de grote stichter. En Conscience was de enige, althans de enige die in aanmerking kwam, als we de poëzie even buiten bechouwing laten. Zoals Hugo Schiltz zei: op het Vlaamse volk is heel wat aan te merken, maar ik heb geen ander.

Toch is er meer aan de hand. Claus had een uiterst gevoelig zintuig voor mythes en mythevorming. Aan Conscience kleven twee mythes. Het zijn twee kromme mythes.

Er is De Leeuw van Vlaanderen. In hoever heeft Conscience zelf bewust op mythevorming op aangestuurd? In hoever paste die bij het tijdsgewricht, zowel binnen België als daarbuiten? In hoever hebben anderen daar achteraf gebruik van gemaakt?

Mij stoort mythevorming geenszins en zelfs de vorming van kromme, nationalistische mythes vind ik veeleer boeiend dan afstotend. Hoe liegen mensen zichzelf groot door middel van de vermeende, vervormde, half ware heldendaden van anderen uit een ver en dus veilig verleden?

Evenzeer herken ik de nadelen van Consciences kromme mythe.
Eén. Het Graafschap Vlaanderen heeft slechts zeer gedeeltelijk iets te maken met het Vlaanderen dat in de negentiende eeuw in elkaar is gebokst als artificieel nevenproduct in het kwadraat van het eveneens artificiële België. Toch kwam een soort identificatie met het nieuwe wangedrochtje tot stand. Francofoon België heeft daar niet weinig toe bijgedragen.

Twee. We herdenken sinds de negentiend eeuw een middeleeuwse veldslag en die herdenking klinkt ons vast aan de achterhaalde opvatting van de histoire bataille. Onze gewesten hebben meer en andere beschaving te bieden.

Drie. In het kielzog daarvan zitten we opgezadeld met een ongemeen lelijke en agressieve nationale hymne, een slechte kopie van een Duits liedje dat ook al niet veel soeps is. Wij hebben mooiere muziek in huis, ook voor nationale hymnes.

Drie. Door deze mythe aan te kleven, verdonkeremanen we een groot en beslissend tijdvak in onze geschiedenis, de tweede helft van de zestiende eeuw. Onze voorvaderen vochten toen iets uit dat misschien niet helemaal ten onrechte een bevrijdingsstrijd had mogen heten. Geef mij maar de Pacificatie van Gent.

Maar dan is er de tweede mythe en die is al even krom: Hij leerde zijn volk lezen.

Het volk las niet en het leest nog steeds veel minder dan een gemiddelde taalgenoot ten noorden van de rijksgrens. Wie dan toch las, had het niet geleerd van Conscience, maar, ik zei het al, van bescheiden mannen en vrouwen in onze dorpen en stadswijken, uit honderden andere boeken.

Conscience was misschien dan wel een tijdlang de enige die de potentiële Vlaamse lezers aangeboden kregen, maar daar hoeven we niet trots op te zijn. Dat was een gevolg van een diep gewortelde afkeer van emancipatiemogelijkheden die wel uit het noorden moesten komen. Dat kwam omdat men, uitzonderingen niet te na gesproken, weigerde de fundamentele eenheid van de Nederlandse taal echt te aanvaarden, een weigering die van voor tot achter anti-emancipatorisch was en het nog steeds is. Het was Vlaams angstzweet, het was Vlaamse myopie, het was Vlaamse armoede. Machthebbers, zowel geestelijke als wereldlijke, zowel Vlaamse als francofone, hadden daar alle belang bij, machthebbers die hun greep op de kleine man en vrouw niet wilden lossen en die dus als de dood waren voor alles wat maar in de verste verte naar emancipatie zweemde.

Een kromme mythe is altijd een wapen in een machtsspel, groot machtsspel, klein machtsspel, altijd blijft de mythe krom. Hij leerde zijn volk lezen is zo'n kromme mythe.

Wij, Vlamingen, moeten met die mythe leven. Wij kunnen niet ongedaan maken dat ze ooit de wereld betrad, ons onooglijk stukje wereld dat nu door een speling van het lot Vlaanderen heet, en dat die mythe hier tientallen jaren bleef rondwaren.

Maar ze begroeten? Nee.
Ze toejuichen? Nooit.

Dat is wel het minste dat we verschuldigd zijn aan al die duizenden mensen die werkelijk geprobeerd hebben onze voorvaderen te leren lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234