Zaterdag 07/12/2019

Interview

Colombiaan Juan Gabriel Vásquez zoekt plekken "waar de historicus niet bij kan"

De Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez schrijft magnum opus met 'De vorm van ruïnes'. Beeld Karoly Effenberger

Juan Gabriel Vásquez (1973) is een van de meest gelezen jonge auteurs van Latijns-Amerika. In zijn werk wroet Vásquez verbeten in het slijk van de Colombiaanse geschiedenis. "Onze historie verbiedt elke vorm van optimisme."

De vorm van ruïnes is een even indringend als fascinerend werkstuk. De roman van Juan Gabriel Vásquez, de bekendste hedendaagse stem uit literair Colombia, bulkt van de historische en politieke referenties.

Juan Gabriel Vásquez, 'De vorm van ruïnes, Signatuur, 560 p., 24,99 euro. Vertaald door Brigitte Coopmans.' Beeld rv

Hoewel Vásquez’ verhaal ­volharding zal vergen van lezers die minder vertrouwd zijn met het Andesland en zijn conflicten, blijft ook de universele stootkracht ervan overeind. De vraag welke geschiedschrijving we erven, is nu eenmaal bepalend voor onze omgang met heden en toekomst. Meer nog, de wereld die we de volgende generaties nalaten, krijgt gestalte in ons eigen wereldbeeld, of dat nu goed of fout zit.

Van Vásquez, die ooit enkele maanden in België woonde, is eerder al werk in het Nederlands vertaald: De informanten (Signatuur), over een Duitse emigrante die na de Tweede Wereldoorlog in Colombia arriveert, beschrijft hoezeer nazi-Duitsland ook Zuid-Amerika in de ban had. In De geheime geschiedenis van Costaguana, bij dezelfde uitgever, rekent hoofdpersonage José Altamirano af met Joseph Conrad, door wiens roman Nostromo hij zich verraden voelde. Het geluid van vallende dingen behandelt dan weer de moord op ene Ricardo Laverde, die ons binnenloodst in de wereld van drugs en geweld.

Met De vorm van ruïnes schrijft Vásquez een magnum opus waarvoor hij niet over één nacht ijs gegaan is. Hij grijpt de ophefmakende, nooit finaal opgehelderde moorden op generaal Rafael Uribe Uribe (1914) en politicus Jorge Eliécer Gaitán (1948) aan om het hedendaagse Colombia in de ogen te kijken. Vásquez wil bevatten hoezeer zijn land, in zijn verlangen naar vrede, “ook vandaag nog naar een heldere visie op zoek is”. We spraken de auteur in Brussel, een stad waarmee hij een bijzondere band heeft.

De vorm van ruïnes is een lijvig werk dat naast historiografische en journalistieke elementen ook autobiografisch en essayistisch materiaal bevat. Het gaat onder meer over waarheid en leugen, realiteit en fictie, vrijheid en dwang. Was die uitgebreidheid van meet af uw doel?

Juan Gabriel Vásquez: “De vorm wordt in mijn geval altijd gedicteerd door de behoeften van het boek. Het verhaal verschijnt dus naarmate duidelijk wordt wat erin verteld wordt. Ik vat mijn romans nooit als een plan op, ook hier niet: het vermengen van genres was geen doelstelling op zich.

“Bovendien duurt het echt wel lang voor een boek bij mij reëel wordt, zeg gerust een jaar of tien. Dat De vorm van ruïnes vrij volumineus uitgevallen is, beantwoordt dan ook aan de problemen die zich onder het schrijven hebben gesteld. Ik wilde vertellen over twee grote misdaden in de politieke geschiedenis van Colombia.

“Jazeker, ik had hier inderdaad twee verschillende romans over kunnen schrijven, eentje over Uribe Uribe, een ander over Gaitán. Maar dat is het nu net: wat ik te vertellen had, ging niet over twee verschillende verhalen op zich, het ging over het raakpunt en de ontmoeting tussen die twee verhalen, en over de vraag hoe ik die tweevoud in een en hetzelfde werk kwijt kon.”

De vorm van ruïnes gaat niet alleen over Uribe Uribe en Gaitán, maar evengoed over uzelf en over de erfenis waar Colombia mee opgezadeld zit.

“Ziet u, ik ben een verwoed lezer van Cervantes’ Don Quichot. Wel, sinds Don Quichot stelt de roman ons in staat een waaier aan genres en vertelprocedés te bestrijken: de autobiografie, de biografie, de detective, de geschiedschrijving enzovoort. Die veelheid is het resultaat van een proces, dat op zijn beurt het gevolg is van een impuls die ik jaren geleden al voelde, die ‘eerste impuls’ waar ook Nabokov het over heeft...”

In uw geval, en voor wat deze roman betreft, was dat in 2005.

“Dat was het jaar waarin meerdere dingen samenkwamen in mijn leven: de moeilijke geboorte van mijn tweelingdochtertjes, het feit ook dat ik zowel de schedel van Rafael Uribe Uribe in handen kreeg áls een ruggenwervel van Gaitán, twee grote Colombiaanse doden.

“Die bizarre ontmoeting van leven en dood was toen minder helder voor mij als vandaag, maar wat ik me uiteindelijk afvroeg was dit: op welke manier zullen mijn kinderen het geweld van de Colombiaanse geschiedenis erven? Kan ik hun leven vormgeven op een manier dat ze daarmee om kunnen? Kan ik hen beschermen? Die reflecties waren, zeg maar, de kiemen van het boek. Daarna ben ik beginnen vorsen en schrijven. Gaandeweg heeft het verhaal zich gematerialiseerd, volgens eigen meanders, en demonen die zich niet lieten temmen.”

Uw verhaal telt meerdere protagonisten, maar de échte hoofdrol is wat ons betreft weggelegd voor Bogotá, de hoog in de Andes gelegen stad waar het allemaal gebeurt.

“Bogotá heeft dat nevelige karakter altijd al in zich gedragen en ik schrijf veel over mijn stad, ze is de motor van mijn fictie. Als lezer zijn we snel geneigd schrijvers met hun stad te verbinden, zoals Dostojevski met Sint-Petersburg, Joyce met Dublin en Vargas Llosa met Lima. Dan ga je denken: natuurlijk, het gaat om de plekken die die auteurs het beste kennen! Maar neen dus, de steden waar we wonen zijn degene die ons het meest verrassen, die we juist het minste kennen, want wat we denken te kennen is lang niet altijd de werkelijkheid. Die is eindeloos complexer.

“Al schrijvend heb ik Bogotá dus ontdekt op een manier die me volstrekt vreemd was, terwijl ik er wel al een kwarteeuw woonde. Neem mijn roman Los informantes. Daarin heb ik het over een joodse vrouw die nazi-Duitsland ontvlucht maar in Colombia in een gevangeniskamp voor Duitsers terechtkwam, dat bedoeld was om de nazi-invloed in te dammen. Ik had er geen idee van dat zo’n plek in Bogotá bestaan had.

“Wat nu De vorm van ruïnes betreft, ik heb de bevreemdende en mythische sfeer van het stadshart willen weergeven. Een bevriend journalist noemt Bogotá ‘de voorstad van een stad die niet bestaat’. Dat vind ik heel correct uitgedrukt. Zelf ben ik niet in het centrum opgegroeid, zelfs niet in de stad zelf. Ik ontdekte Bogotá pas in de vroege jaren 90, toen ik er studeerde.

“In de oude kern, waar zich zo veel onwaarschijnlijke historische feiten hebben afgespeeld dat ze haast verzonnen lijkt voor toeristen – alleen al de ontsnapping van de 19de-eeuwse vrijheidsstrijder Simón Bolívar – vierde in mijn studietijd het narcoterrorisme hoogtij, Pablo Escobar en zijn kartel. Dat was één episode van vele: Bogotá zit vol bloedige geheimen en fantasma’s. Op vrijwel iedere straathoek is een historische figuur om het leven gekomen. Een parcours aflopen in Bogotá betekent het geweld van Colombia in kaart brengen, maar algauw beseffen dat je onherroepelijk in een labyrint zit.

Generaal Rafael Uribe Uribe, vermoord in 1914. Beeld RV

“Ook mijn roman geeft geen antwoorden, hij stelt enkel vragen. In De vorm van ruïnes botsen meerdere denkwijzen met elkaar: de belangrijkste zijn die van het toeval, waarin de geschiedenis als een reeks lukrake gebeurtenissen wordt omschreven; en die van de dwang, waarin de geschiedenis als het ware opgedrongen wordt en zich als noodzaak voordoet. Dat heb ik dus ook in deze roman willen blootleggen: hoe de geschiedenis afhangt van wie haar vertelt – en hoe.”

Grosso modo kampt Colombia al sinds de onafhankelijkheid in de vroege 19de eeuw met geweld. Is het einde van de huidige cyclus, nu de FARC-guerrilla en de regering na vijftig jaar alsnog vrede gesloten hebben, reden tot optimisme?

“Neen. De Colombiaanse geschiedenis verbiedt elke vorm van optimisme. Maar dat wil niet zeggen dat we daarom fatalistisch zijn. De werkelijkheid, hoe problematisch ook, kán anders worden.

“Wat nu het vredesakkoord betreft: dat heb ik in mijn columns altijd verdedigd, het gaat om een van de ernstigste inspanningen die de laatste jaren wereldwijd geleverd zijn voor vrede. Maar een complex conflict beëindigen is nu eenmaal geen sinecure. Het Colombiaanse geweld is als een boom met talloze takken die alle richtingen uitgroeien maar ook incestueus met elkaar verstrengeld zijn. Het gaat niet om één oorlog, maar verschillende oorlogen die elkaar tot voedingsbodem dienen. Je hebt ook niet één guerrilla maar meerdere, je hebt de paramilitaire doodseskaders, de criminele groepen, de drugsbendes en noem maar op.

“De oorlog heeft ook veel onzichtbare gevolgen. Je kunt rustig stellen dat het Colombiaanse volk na een halve eeuw oorlog aan posttraumatische stressstoornis lijdt. Met mijn dochters in gedachten denk ik vaak aan de talloze jongeren die door het conflict niet gestudeerd hebben, die jaren aan een stuk geen oog dicht hebben gedaan, omdat ze bang waren, omdat er in het diepst van het nachtelijke duister altijd weer bommen afgingen en vuurgevechten plaatsvonden.”

U zegt het zelf: u verdedigt het vredesproces. Is dat uw taak als schrijver?

“Ik vind niet dat een schrijver verplicht is een maatschappelijke rol op te nemen. Een schrijver moet vooral goede verhalen schrijven. Maar wat mijzelf betreft: ik kom uit voor mijn visie. Ik geloof ook in een zekere aanwezigheid van kunst en letteren in het publieke debat. Romans openen nu eenmaal ruimte voor discussie, voor andere of nieuwe perspectieven op de werkelijkheid.

“Wat me vooral interesseerde in de vredesdialoog in Havana, was dat hij een zeldzame mogelijkheid bood om ons over vijftig jaar oorlog te buigen: de gewelddadige geschiedenis zoals ze door de regering wordt gezien, door de guerrilla, door de boeren en de stedelingen. In Havana is met andere woorden een cruciale aanzet gegeven tot het schrijven van een verhaal waar al die versies inpassen, waar elke Colombiaan zich in thuis voelt.”

Is dat moeilijke verhaal gevonden?

“Regeringsonderhandelaar Humberto De la Calle vertelde me daar iets interessants over. Hij had een Indiase mythe in het achterhoofd, zei hij, waarin het over drie blinden en een olifant ging. De eerste blinde raakte de olifant aan en zei dat hij eruitzag als een enorme buis van dikke huid. De tweede blinde had het over ivoren kegels en de derde over een harde, ruwe huid. Alle drie hadden ze een deel van het verhaal begrepen. In Colombia is het net zo: nu komt het erop aan één verhaal te schrijven en elk onderdeel daarbinnen een plaats te geven. Daar kan de schrijver misschien helpen: een roman is een typische vorm waarbinnen verschillende verhalen elkaar kunnen ontmoeten.”

'Zijn Uribe Uribe en Gaitán wel vermoord zoals we geleerd hebben dat ze zijn vermoord?’ Uw werk gaat over complottheorieën op een moment waarop die heel hard opgeld doen in onze samenleving.

“Complottheorieën zijn een symptoom van wat er gebeurt als een samenleving het gevoel heeft dat de geschiedenis niet op een herkenbare manier verteld wordt. Wie in complottheorieën gelooft, is op zoek naar verdediging tegen wat hij of zij als een leugen ervaart. In De vorm van ruïnes wilde ik daar meer over te weten komen, de dode hoeken vinden dus, die plekken waar zelfs de beste historicus om tal van redenen niet bij kan.”

Dat deed ook wijlen uw landgenoot Gabriel García Márquez al, met het magisch realisme. Jonge auteurs in Latijns-Amerika zetten zich vandaag veeleer tegen Márquez’ stijl af.

“In mijn geval klopt dat niet. Het is niet zo dat ik het magisch realisme als een ballast beschouw waaraan ik me wil onttrekken. Integendeel, het is een voorrecht om in de traditie van het magisch realisme te zijn groot geworden. Ik prijs me gelukkig dat ik García Márquez heb mogen ontdekken, hijzelf had dat voordeel niet: hij heeft zichzelf moeten uitvinden.

“Alleszins heeft zijn generatie onze weg bereid. In hun DNA zat de gedachte dat onze geschiedenis vervalst werd en op de een of andere manier opnieuw geschreven moest worden. De Latijns-Amerikaanse roman van de jaren 60, die wereldwijd zo’n succesverhaal werd, ontstond vanuit het bewustzijn dat er, tegenover de officiële versie van de feiten, een andere versie moest worden gesteld. Daar borduur ik in mijn werk op voort.”

Soms citeert u Márquez’ generatie bijna letterlijk, met een roemruchte zin als ‘op welk moment is dit land naar de knoppen gegaan?’

“Die zin komt uit Conversación en la catedral (Gesprek in de kathedraal) van Mario Vargas Llosa. Het is een van de belangrijkste zinnen uit de Latijns-Amerikaanse literaire geschiedenis en ze komt in meerdere werken voor. Ze is de basis van een hardnekkig regionaal probleem, waar maar geen antwoord op komt: op welk moment is het Latijns-Amerika slecht beginnen te vergaan? Voor welke fundamentele misstand betalen we vandaag de rekening?”

Politicus Jorge Eliécer Gaitán, vermoord in 1948. Beeld RV

U hebt alles samen zestien jaar in het buitenland verbleven. In Parijs, de Ardennen en Barcelona. Was dat een zelf opgelegde ballingschap?

“Ik gebruik het woord ballingschap niet. De vraag wordt me wel vaker gesteld, maar ik vind mezelf veeleer een huurder, iemand die tijdelijk op een plek verblijft die eigenlijk van een ander is.

“Het feit dat ik zestien jaar in het buitenland verbleef, heeft natuurlijk te maken met de Colombiaanse geschiedenis, in die zin dat massa’s Colombianen naar het buitenland vertrokken zijn. Maar ik had zo’n vertrek ook nodig als schrijver, om de wereld en zeker ook Colombia beter te begrijpen. Mijn eerste boek ging trouwens helemaal niet over Colombia, wel over een liefdesgeschiedenis die zich tussen Frankrijk en België afspeelde.”

Waarom was u uitgerekend ­daarmee bezig?

“Eerlijk: ik snapte Colombia niet, ik dacht niet dat het geoorloofd was dat ik iets over Colombia schreef. Pas na een jarenlang verblijf in Europa begon ik de geografie en chronologie van mijn geboorteland te doorzien. Ik kwam ook tot het inzicht dat het niet begrijpen van Colombia de beste manier was om Colombia te begrijpen.

“En voorts is er natuurlijk de grijsgedraaide metafoor van de bomen en het bos. De afstand stelde me in staat eindelijk, door de bomen heen, het bos ook waar te nemen. Maar mijn verblijf in het buitenland gaat natuurlijk niet alleen over Colombia, het gaat ook over mezelf: ik voel me pas echt op mijn gemak als ik me een vreemde voel.”

U begon De vorm van ruïnes uitgerekend hier te schrijven, in Brussel, tijdens een gastresidentie bij Passa Porta. Welke indruk laat deze stad op u na?

“Als we het over ballingschap hebben: dit is een stad van schrijvers en denkers in ballingschap. Van Verlaine en Rimbaud, Baudelaire, Hugo, Marx en ga zo maar door.

“Brussel is vooral een erg vreemde plek. Ik heb de stad pas ontdekt nadat ik de Ardennen had leren kennen. Geleidelijk aan is Brussel in mijn beleving een metafoor geworden voor iets heel anders, voor Europa als cultureel territorium, Europa als continent ook waar de roman is uitgevonden.

“Maar nu, plotsklaps, de laatste tijd, is Brussel ook een bron van zorgen geworden. Een stad waar enorme symbolische veldslagen worden geleverd; waarin, door het terrorisme, het geweld terug is van weggeweest; een stad waar strijd gevoerd wordt tegen het oprukkende populisme en tegen de demagogie; een internationale stad waar het zaak is humanistische idealen als levensbeschouwelijke tolerantie gaaf te houden, zeker nu de VS veel moreel leiderschap verloren zijn, nu de naoorlogse orde waar we zo aan gewend geraakt waren onder druk staat.”

Welk werk heeft u vandaag in de steigers staan?

“Ik ben altijd wel ergens mee bezig. Zoals ik al zei, een roman is een proces van lange adem. Een van de dingen waar ik momenteel het hardst mee bezig ben, is een essay over de plaats van de roman in onze wereld.

“Als schrijver hang ik de misschien verrassende overtuiging aan dat de roman níét de beste uitvinding van de mens is om zichzelf te verkennen, maar omgekeerd, dat de mens de beste uitvinding van de roman is. De roman is een van de grootste psychologische, emotionele en politieke overwinningen van de mensheid, en dat inmiddels al ruim 400 jaar lang, sinds Cervantes’ Don Quichot. Neen, ik ben er nog niet klaar mee.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234