Maandag 25/05/2020

Peter FramptonHet definitieve afscheidsinterview

‘Coke, alcohol, pijnstillers, slaappillen: het heeft weinig gescheeld of ik had het niet gehaald’

Bijna 44 jaar nadat ik als puber urenlang aanschoof om voor zijn concert in Vorst Nationaal op de eerste rij te staan, zou Peter Frampton (69) normaal gezien het laatste concert van zijn ‘Farewell Tour’ spelen in diezelfde zaal. Die ‘Farewell’ mag je helaas letterlijk nemen, want Frampton lijdt aan een zeldzame spierziekte, waardoor hij dra minder goed gitaar zal kunnen spelen. ‘Een perfectionist zoals ik stopt er dan liever helemaal mee.’

Toen, in 1976, was Peter Frampton alomtegenwoordig en populairder dan The Rolling Stones of om het even wie. Hij trad op voor 60.000 tot 120.000 fans en stond op festivals hoger op de affiche dan Led Zeppelin of de Eagles. Dat monstersucces was het gevolg van zijn wereldhit ‘Show Me the Way’ en dubbele liveplaat Frampton Comes Alive, waarvan intussen meer dan 18 miljoen exemplaren zijn verkocht. Het zegt iets dat opvolger ‘I’m in You’ werd beschouwd als een flop omdat die ‘slechts’ 4 miljoen exemplaren haalde, een cijfer waar de Neil Youngs van deze wereld nu alleen maar van kunnen dromen.

Jij bent lid van een select groepje rockgitaristen die elke luisteraar al na drie noten kan identificeren. Kun je je het precieze moment herinneren waarop je je eigen unieke stijl vond?

Peter Frampton: “Toen ik 5 jaar was, vond ik op zolder de banjo van mijn grootmoeder. Een maand later zeurde ik al om een gitaar. Eerst heb ik jarenlang de grote gitaristen geïmiteerd die mij waren voorgegaan, vooral in genres als blues, rock en jazz. Toen ik in 1966 bij The Herd ging spelen, was ‘Blues Breakers with Eric Clapton’ net verschenen, en letterlijk iedereen die ik in Londen en omstreken kende, begon Eric te imiteren, zijn uiterlijk, zijn kleren én zijn speelstijl. In die jaren werd overal op muren de slogan ‘Clapton is God’ gekalkt...”

Wellicht door Clapton zélf!

Frampton: “Ha! Dat denk ik niet, hij kon ook niet overal tegelijk zijn. Anyway, ik dacht toen: dat moet ik vooral níét doen. Ik ging doelbewust meer naar jazz luisteren, Kenny Burrell, Wes Montgomery, Joe Pass, George Benson... Maar pas toen ik mijn eerste twee soloplaten maakte, vielen alle puzzelstukken op de juiste plaats.”

Ik weet dat Bill Wyman, toen nog bassist van The Stones, jou onder zijn hoede nam. Wellicht omdat hij besefte dat een knappe jongen zoals jij meisjes zou lokken, van wie er hopelijk ook één aan hem bleef plakken.

Frampton (lacht): “Vergis je niet: Bill kwam niets te kort. Nee, ik denk dat hij gecharmeerd was doordat ik zo jong al zó bezeten was. En ons gevoel voor humor klikte.”

Jullie gingen onder andere samen naar een club waar Jimi Hendrix speelde.

Frampton: “Die avond trad Jimi niet op. Het was een andere groep – ik ben de naam vergeten – maar ze riepen Jimi op het podium en hij speelde een paar nummers mee. Hij speelde toen heel puur, zonder het drama van later – hij stak zijn gitaar niet in brand of zo. Maar zijn single ‘Hey Joe’ was die week uitgekomen, en die sloeg in als een bom. Dat groepje was een trio, en hun gitarist was rechtshandig. Jimi was linkshandig, maar hij draaide die rechtshandige gitaar simpelweg ondersteboven en speelde zo solo’s – dat is aartsmoeilijk! We hebben niet samen gespeeld die avond, maar ik heb hem na afloop een hand kunnen geven. Een halve eeuw later krijg ik nog kippenvel als ik het vertel, dat zegt iets.”

Eén van je latere soloplaten heet Thank You Mr Churchill. Een verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog, maar toch lijkt geen enkele song op de plaat daarover te gaan.

Frampton: “Een paar jaar eerder was ik mijn beide ouders verloren. Hun levensgeschiedenis in acht genomen, is het een wonder dat ik nu tegen jou praat, want de kans dat ik ooit geboren zou worden, was zeer klein. Tijdens de oorlog werkte mijn moeder in Londen voor het Amerikaanse leger. Gedurende the Blitz – die weken in 1940 toen de Duitsers de burgerbevolking van Londen bombardeerden – werkte zij in het hoofdkwartier van de geallieerden. Mijn vader was militair, hij heeft vijf jaar lang gevochten op zowat alle fronten: Montecassino, Afrika, Berlijn... Het is werkelijk een mirakel dat ze allebei de oorlog hebben overleefd. En als, in de eerste plaats dankzij Winston Churchill, de oorlog niet in 1945 was gewonnen, dan hadden ze het waarschijnlijk níét overleefd. Zonder hem was ik er dus wellicht niet geweest. Vandaar: 'Thank You, Mr Churchill.”

Jouw vader, Owen Frampton, werd na de oorlog leraar in het kunstonderwijs in Bromley. Maar ongetwijfeld stond geen van zijn leerlingen ooit stil bij de gruwelen die hij aan het front had gezien.

Frampton: “Dat denk ik ook niet. Twéé generaties hebben les gekregen van onderwijzers wier ziel aan flarden was geblazen. Heel wat leraars waren nét niet genoeg getraumatiseerd om in een gesticht of een ziekenhuis te belanden, maar ze hadden allemaal zenuwtics, of ze misten een arm of een been, of ze barstten soms zonder aanwijsbare reden in huilen uit. Ik weet dat mijn vader vaak gruwelijke nachtmerries had, dan schoot hij ’s nachts brullend wakker.”

RICE-A-RONI

Eén van zijn leerlingen was ene Davy Jones, later bekend als David Bowie. Hij werd jouw boezemvriend. Eerlijk gezegd hoor ik pas talent in Bowie vanaf 1972. Zijn eerste singles klinken nu onnozel en gênant.

Frampton: “Neenee, hij hád het, dat merkte ik al heel vroeg. Ook al speelde hij toen saxofoon en was hij nog niet de charismatische frontman of de begenadigde zanger van later. Maar de manier waarop hij muziek benaderde, was anders. Hij legde verbanden die andere jonge muzikanten niet legden. (Zucht) Ik zie ons nog zitten in de traphal op school.”

Was het, na jouw monstersucces als soloartiest, geen kaakslag om in 1987 ingelijfd te worden als gitarist van Bowie op zijn ‘Glass Spider’-tournee? Plots was je niet langer de ster, maar ‘slechts’ begeleider.

Frampton: “Zo zag ik het niet. Om te beginnen was Bowie een vriend. En hij had zelf ooit ons voorprogramma gespeeld toen wij met Humble Pie meer succes hadden dan hij. ‘Space Oddity’ was toen net uit op single: hij speelde het solo op een twaalfsnarige gitaar en iedereen ging plat. Ik vond zijn muziek spelen heel leerrijk. Ik heb tijdens de ‘Glass Spider’-tournee mijn accenten proberen te leggen, maar ik kon natuurlijk niet te drastisch freewheelen met bijvoorbeeld de riff van ‘Let’s Dance’. En de timing kwam me goed uit: ik had een adempauze nodig om me te herbronnen. Ik was blij dat een ton druk van me afviel. Onderschat het niet, hoor, solo optreden voor 120.000 mensen.

“Maar wat mij in de jaren voorafgaand aan de ‘Glass Spider’-tournee had gefnuikt, was al het gedoe toen mijn entourage had begrepen dat ik vanaf 1975 geen mens meer was, maar een goudmijn die geplunderd kon worden. Er was druk van de concertpromotoren, de platenfirma, de managers, de advocaten, de media én daarbovenop de druk van de perfectionist die ik ben. En ik was zo jong! Toen mijn zoon Julian begin de 20 was, dacht ik: mijn God, hij is nog een kind! Maar toen ík zo oud was, moest ik in stadions 120.000 mensen temmen. Wat ik na Comes Alive had moeten doen, was niet elk jaar een middelmatige plaat uitbrengen, maar om de vijf jaar een hele goeie. En ik had meer foute aanbiedingen moeten weigeren. Remember Rice-a-Roni?”

‘Terwijl iedereen dacht dat ik een superster was die van het ene superfeest naar de andere orgie ging, zat ik vaak alleen in mijn hotelsuite, met twee lijfwachten voor de deur.’

Euh, neen...

Frampton: “Dat was een soort snelkookrijst, een mengeling tussen – de naam zegt het al – rijst en macaroni. Vreselijk. Maar mijn manager zag dollartekens en had, voor ik kon protesteren, al toegezegd dat ze ‘Show Me the Way’ mochten gebruiken voor hun reclamecampagne. Ik heb er goed aan verdiend, maar nu schaam ik me ervoor. Ik heb me ook te zeer in de poppy tienerhoek laten drukken. Zelfs het toen toonaangevende, zogenaamd serieuze muziekblad Rolling Stone stond erop dat ik met ontbloot bovenlijf poseerde voor hun cover. Het is maar een detail, maar het typeert mijn frustratie. In de lobby van een hotel werd ik aangeklampt door een tros hysterische jongedames. Na een soort gesprek van enkele minuten liet één van hen zich plots ontvallen: ‘O, speel jij ook gitáár?!’ Dat was naar mijn gevoel het dieptepunt. Mijn succes en mijn uiterlijk overschaduwden mijn kwaliteiten als muzikant. Dat is natuurlijk een luxeprobleem, maar ik leed eronder.

“Het waren soms ridicule taferelen: ik ben na een concert aan een ijspiste ooit achtervolgd door een horde meisjes op ijsschaatsen (lacht). Ik was zo beroemd dat ik letterlijk niet kon buitenkomen. Terwijl iedereen dacht dat ik een superster was die van het ene superfeest naar de andere orgie ging, zat ik vaak alleen in mijn hotelsuite, met twee lijfwachten voor de deur. Ik heb me dikwijls eenzaam gevoeld, dat mag je gerust weten. Maar: als ik aan die tijd terugdenk, is het alsof alles in gouden zonlicht baadt. Ik werd verafgood en ik had snel blasé kunnen worden, maar ik bleef verbazend genoeg ook onschuldig, puur en spontaan. Ik ben blij dat ik die spontaniteit nooit ben kwijtgeraakt. Ik ken heel wat tijdgenoten die ondanks hun grote succes en hun vele geld nu toch in zichzelf gekeerd en verbitterd zijn. Nee, ik noem geen namen.”

Je bent wel een tijdje verslaafd geweest aan cocaïne. Je bent nochtans een evenwichtig mens, nuchter van aard, je zag er ook zo gezond uit... Hoe begint zoiets?

Frampton: “In 1976 was cocaïne in de Amerikaanse showbusiness alomtegenwoordig. Ik geloof dat mijn manager het me als eerste voorschotelde. Ik had wellicht geklaagd dat ik uitgeput was. Dat wil een manager niet horen, want het ijzer dient gesmeed te worden als het heet is, en een op de valreep afgezegd concert kost fortuinen. Ik was een product. Mijn manager rook geld én macht: (imiteert) ‘I've got Frampton. What’s your best offer?’ Als ik sliep of op vakantie ging, dan verdiende hij geen geld.

“In die jaren zag ik overal mensen snuiven: in de gang, op het toilet, tijdens repetities... Ik moet lang nadenken om mij één iemand uit mijn omgeving voor de geest te halen die níét snoof. Ik herinner me zelfs een vergadering om negen uur ’s ochtends, waar letterlijk alle advocaten eerst een lijntje snoven. It was insane!

“En wat cocaïne in negatieve zin van andere drugs onderscheidt, is dat het vanaf de eerste snuif verslavend is. Ik weet nog goed dat ik twintig minuten na die eerste rush al om méér riep. Ik ben kort nadien ernstig gewond geraakt na een auto-ongeluk in Hawaii, en aan die revalidatie heb ik ook een verslaving aan pijnstillers overgehouden. Doe daar nog overmatig alcoholgebruik en slaappillen bij... Het heeft een tijdje niet veel gescheeld of ik had het niet gehaald.”

NET NIET BIJ DE STONES

Wat me altijd verbaasd heeft, is dat de liveversie van ‘Show Me the Way’ een wereldhit werd, terwijl de vrijwel identieke studioversie een jaar eerder als single was geflopt.

Frampton: “Ik stelde me daar geen vragen bij, ik keek gewoon met steeds grotere ogen naar de cijfers op mijn bankrekening. De liveversie is nog feestelijker, je hoort mij euforisch grijnzen van de eerste noot tot de laatste. Ik vind het zelf niet één van mijn betere songs.”

Je lp na Frampton Comes Alive heette ‘I’m in You’. Voor hoeveel procent was die titel dubbelzinnig?

Frampton (lacht): “Wel, ik was géén monnik, maar ik had helaas minder seks dan je op basis van mijn succes zou verwachten. 120.000 man per stadion, dat zijn 60.000 meisjes, en mijn tournees waren niet kort (lacht). Maar ik had meteen een vaste vriendin die mij subtiel en sluw claimde, op alle mogelijke manieren. Ik had dus geen overtollige energie die ik kon botvieren op bereidwillige groupies. I’m in You betekent dus eerder: ‘Mijn muziek wordt een deel van jullie leven, dus een deeltje van mij zit diep verankerd in jullie ziel.’ Ik bedoelde dat mijn publiek en ik met elkaar versmolten. En zo bleef het een paar jaar duren. Tot mijn succes gedeeltelijk verbleekte. Gaandeweg speelde ik niet meer in monumentale stadions maar in arena's, voor maximaal 15.000 fans. Dan heb je geen recht van klagen, maar toch was dat wennen. Ook het reizen werd meer lowbudget. Laat ik het zo uitdrukken: als je jarenlang in privéjets hebt gevlogen, is de bus nemen geen aanlokkelijk idee.”

Ik neem aan dat indertijd heel wat conculega’s stikjaloers waren op jouw succes. Ik heb smalende uitlatingen over jou gehoord en gelezen. Noem eens iemand die wél aimabel en collegiaal was?

Frampton: “David Gilmour van Pink Floyd was altijd een gentleman. Hij heeft me ook een paar keer instrumenten en versterkers geleend toen de mijne ergens vastzaten of tijdelijk zoek waren geraakt. En David Bowie, natuurlijk. Die behandelde mij steeds exact hetzelfde: toen ik met hem op school zat, toen ik meer platen verkocht dan hij, en toen ik aan de grond zat terwijl hij wereldhits scoorde.”

Je stond op de lijst om bij The Rolling Stones Mick Taylor te vervangen. Ik zie het niet, eerlijk gezegd.

Frampton: “Ik evenmin. Mick Jagger heeft me later verzekerd dat ik een serieuze kanshebber was. Maar zelf vind ik ook dat Ronnie Wood perfect in dat groepje past. Nu, laat ons eerlijk zijn: Mick denkt ook aan de centjes, en een gitarist inlijven die ook in zijn eentje stadions deed vollopen, zou de omzet van de Stones niet geschaad hebben.

“Er was een periode dat zowat elke grote groep mij wilde inlijven. Yes heb ik geweigerd, enkele maanden voor ‘Owner of a Lonely Heart’ hun grootste hit werd. Je ziet, mijn timing is niet altijd feilloos. En Pete Townshend wilde dat ik bij The Who kwam spelen. Dat zou ook niet gewerkt hebben, denk ik. Pete en ik zouden elkaar voor de voeten hebben gelopen. Maar ik was zeker vereerd gevraagd te worden.”

Je bent een onderschat zanger, en de meisjes willen dat hun idool hen toezingt. Het hielp dus niet dat je met Fingerprints in 2006 een instrumentale plaat maakte... Ik zat toen te wachten op de volgende plaat, waarop je evenmin gitaar zou spelen. Mime, anyone?

Frampton (lacht): “Man, ik was drie jaar lang de golden boy, en vervolgens heb ik vijftien jaar lang alle mogelijke foute keuzes gemaakt.”

Roadmanagers zijn de kloekhen, drilmajoor en biechtvader van de artiest. En ze belichamen efficiëntie: zonder hen zou de helft van de concerten niet doorgaan, of zes uur te laat beginnen. Noem eens een voorval waarbij jouw roadmanager een serieuze steek liet vallen?

Frampton: “Zomer 1976. Mijn liveplaat breekt alle records. Niemand lokt meer fans dan ik. Ik treed op voor 80.000 mensen, in een stadion in Austin, Texas. Ik ben even, zoals The Beatles het formuleerden, the toppermost of the poppermost. Als ik ergens mijn kop laat zien, worden mijn kleren van m’n lijf gescheurd en trekken hysterische meisjes mijn haar uit, of ze gaan achter me staan en knippen ongemerkt een lok haar af. Létterlijk. Ik moet dus meer vluchten en onderduiken dan wat anders. Mijn roadmanager heeft helikopters besteld om ons naar het stadion te vliegen en om minder dan een minuut na de laatste noot weer weg te vliegen. Het podium was overhaast en slordig geplaatst, en tijdens het laatste nummer begon het te trillen. We lieten onze instrumenten vallen en renden naar de helikopter. Maar eenmaal in de lucht bleek dat de piloot van de terugvlucht iemand anders was dan die van de heenvlucht. Na een minuut of wat vliegen vraagt de piloot, die overduidelijk apestoned is, lijzig: ‘So, man, where would you like to go’ De roadmanager was in het stadion achtergebleven, en gaandeweg werd duidelijk dat geen van ons wist waar we heen moesten.”

Neil Finn van Crowded House vertelde me ooit dat hij eens in een lift stond toen het licht uit ging. Hij raakte in paniek. Maar wat bleek? Hij had niet op de knop voor een bepaalde verdieping gedrukt. Dus deed de lift niets en ging het licht uit. Want de roadmanager drukte altijd op de knop, en die was er toen niet bij.

Frampton (lacht): “That’s it, zo is het precies. Je bent het zo gewoon dat je entourage alles voor je doet... De piloot vroeg toen: ‘Hoe heet jullie hotel?’ Geen flauw idee. Uiteindelijk landde hij op de parking van een groenteboer. We droegen in die tijd ridicule, té kleurige satijnen broeken en hemden. We waren bezweet, gedesoriënteerd... Mijn plaat stond toen wereldwijd op nummer één, maar de Texaanse medewerkers van die groenteboer waren duidelijk geen muziekliefhebbers: ze keken vijandig, alsof we aliens waren die een invasie voorbereidden. Uiteindelijk hebben we op straat een pick-uptruck tegengehouden en zijn we in de laadbak geklommen. De chauffeur had die dag ook flink geblowd – in die dagen kon je stoned worden door tijdens een concert door het stadion te lopen, zélfs als er rukwinden waren. Hij keek ons verbijsterd aan: ‘Man, ik heb jullie daarnet op het podium gezien, en nu zijn jullie plots hier?! Zijn jullie dubbelgangers of zo?!’ Ook typisch: hij wist wél in welk hotel wij logeerden.”

Wanneer ving je het laatst een echo op van je hoogdagen in de seventies?

Frampton: “Dat gebeurt nog elke dag. Daarstraks vertelde nog iemand dat ‘Baby, I Love Your Way’ de openingsdans op haar huwelijk was. Wat een tikje contraproductief is, want probeer dáár maar eens op te dansen (lacht).”

Je bent zelf drie keer gescheiden. Wat waren de openingsdansen op jouw huwelijken?

Frampton (lacht smakelijk): “God... Euh... Man, ik herinner me totaal niet wat de openingsdansen waren... Van geen van mijn huwelijken. Dat zegt ook iets, wellicht heb ik het verdrongen (lacht). Te lang geleden. Te veel huwelijken. Maar mijn exen waren alle drie aanwezig op het laatste concert van het Amerikaanse deel van mijn afscheidstournee, dat was wel mooi. Ik was ontroerd.”

‘Er bestaat geen behandeling voor mijn ziekte, maar ik blijf positief. Ik sluit een belangrijke periode in mijn leven af, maar er komen ook nieuwe dingen aan.’

FULLTIME IN DE FITNESS

Nog even over jouw ziekte: wanneer had je door dat er iets fout was?

Frampton: “Een achttal jaar geleden merkte ik ’s ochtends dat mijn enkels altijd pijn deden. Ik dacht dat ik gewoon ouder werd, maar gaandeweg verspreidde de pijn zich naar mijn benen. Ik heb lang alles kunnen negeren, maar vier jaar geleden gooide een fan tijdens een concert een bal op het podium, en toen ik die wilde terugschoppen, viel ik. Mijn benen gaven het even op. Twee weken later struikelde ik over een kabel en ging ik opnieuw onderuit. Dus maakte ik een afspraak met een dokter, en daar kreeg ik de diagnose te horen: inclusion body myositis, een zeldzame spierziekte. En, erger nog, de dokter zei dat die ook mijn vingers zou aantasten.”

Je hebt het daarna nog vier jaar geheimgehouden.

Frampton: “Mijn kinderen en bandleden wisten het, maar ik vond het niet nodig om het ook meteen aan de crew te vertellen. Toen we besloten om een afscheidstournee te houden, heb ik dat natuurlijk wel gedaan. Ik wil stoppen terwijl ik alles nog kan. I want to rock it. Ik wil niet dat iemand komt kijken en zegt: ‘Hij speelt minder goed dan vroeger.’ Daar ben ik te perfectionistisch voor.”

Wat voor behandeling krijg je?

Frampton: “Er bestaat geen behandeling. Het enige wat helpt, is je spieren sterk houden. Ik fitness me te pletter (lacht).”

Hoe is je gemoedstoestand?

Frampton: “Ik ben een positief persoon, altijd geweest. Ik sluit een belangrijke periode in mijn leven af, maar er komen ook nieuwe dingen aan. Met John Hopkins, het ziekenhuis waar ik behandeld word, heb ik bijvoorbeeld het Peter Frampton Myositis Research Fund opgericht, waar een deel van de opbrengst van deze tournee naartoe gaat.”

Het zou grappig zijn als je het laatste nummer van je laatste concert van deze afscheidstournee speelt op banjo.

Frampton: “Ha! Dat zou, in theorie, amusant zijn. Dan is de cirkel rond. Ik ben geen gokker, maar ik wil er al mijn geld om verwedden dat niemand daarop zit te wachten.”

Tot slot: op YouTube postte iemand bij één van jouw clips: ‘Peter Frampton has more talent in his left nut than the combined so-called artists of the present day Top 40.’ Heb je dat zélf gepost?

Frampton: “Ja! Betrapt (lacht). Nee, maar wie ben ik om hem tegen te spreken?”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234