Zondag 18/08/2019

Interview Boeken

Claude Blondeel schreef boek over Oostende: ‘Het bougeert weer. Je kunt hier weer uitgaan tot het gaatje’

‘Het is vreselijk, maar de grandeur van Brussel en Oostende hebben we te danken aan de afgehakte handen van onze zwarte vrienden.’ Beeld Illias Teirlinck

Van Ensor tot Arno: Claude Blondeel schreef een Brusselse stoemp, maar dan wel over Oostende. Zijn boek Oostende & Compagnie sluit wonderwel aan bij de relance van de kuststad. ‘Het bougeert er weer. Je kunt in Oostende weer uitgaan tot het gaatje.’

“Ik sta graag in de belangstelling. Ik ben ijdel. Ik geef dat toe. Anders zou ik niet hebben gedaan wat ik heb gedaan. Dat is al zo van kinds af aan. Bij familiebezoek zetten mijn ouders mij bovenop de tafel en Claude mocht zijn showke opvoeren.”

Nee, ex-radiomaker Claude Blondeel (°1948) behoort niet tot het soort lieden dat schoorvoetend aan een interview begint. Integendeel. Hij popelt. Oreren en converseren, het is zijn tweede natuur. “Mijn collega’s bij Klara zeiden altijd: ‘Ge steekt een euro in Claudes jukebox en hij is niet meer te stoppen.’ Als ik maar kan vertellen. Ja ja, ik ken mijn zwaktes”, lacht hij. Dat hij de Klara-microfoon nog steeds mist, daar doet Blondeel niet flauw over. “Ik ben nergens in mijn leven professioneel gelukkiger geweest dan bij Klara. En ik mis mijn vrienden én vooral mijn vriendinnen op de VRT. Zoals Chantal Pattyn. Die ik gelukkig nog regelmatig zie. Want Chantal is toch werkelijk overal waar er cultureel iets te beleven valt.”

Toch heeft het zwarte gat nooit gewenkt voor de ex-radiomaker, tv-producer, culturele omnivoor en smaakpaus. Blondeel vond zichzelf gewoon opnieuw uit. Als essayist, als warmmaker op papier. Zes jaar na zijn pensionering is de immer enthousiaste Blondeel aan zijn derde boek toe. Na zijn afscheidscadeau Bazaar België (met bijbehorende expo) en Train World, richt de ras-Brusselaar nu het vizier op Oostende. “Mijn boeken moeten de mensen goesting doen krijgen”, verzekert Blondeel op zijn favoriete terras aan de Luchtvaartsquare, in de luwte van Brussel-Zuid. Daar ontvangt hij vrienden, leest hij, broedt hij op plannen en maakt hij notities.

Zijn Oostende & Compagnie is een genereus geïllustreerd bladerboek, ‘een tongzoen met 60 wereldfiguren die thuiskwamen aan zee’, een boek van stad en strand, van jazz en jive, van muzikanten en passanten, vol belgitude ook. Een alfabet van grote Oostendenaren met Arno op kop, ‘met copains en helden’, en natuurlijk ook James Ensor, Léon Spilliaert, Herr Seele & Kamagurka, Raoul Servais. Met talloze aangespoelde beroemdheden als Georges Simenon, prinses Astrid, Marvin Gaye, Joseph Roth en Marcel Proust. En uit de vergetelheid gerukte figuren als stadsfotograaf Maurice Antony of bokser Karel Sys.

Blondeel voert ze op in – soms al te summiere – stukjes en voorproeverijen, dan weer in langere essays. Gretig beoefent hij het ritueel van de bewondering. “Wie ik niet lustte, kwam niet in mijn boek”, poneert hij stellig. Blondeel zet graag uitroeptekens achter zijn woorden, we zullen het gauw genoeg merken.

Herr Seele en Kamagurka (hier in 1982) zijn natuurlijk ook van de partij in het boek van Blondeel. Beeld Michiel Hendryckx © Wiki Commons

‘Ik voel me een Brusselaar tot in de tippen van mijn tenen’, hebt u regelmatig gezegd. Wat heeft een volbloed Brusselaar in Oostende te zoeken?

“Brussel is dé zusterstad van Oostende. En in mijn geval valt dat letterlijk te nemen: ik heb een zus in Oostende wonen. Ook mijn ouders trokken aan het eind van hun leven naar de kuststad. Mijn vader was ziek en hoopte op herstel door de zeelucht. Het mocht helaas niet baten. Mijn beide ouders zijn in Oostende begraven. Daarnaast ben ik van de generatie die nog geen citytrips maakte. Op vakantie, dat was gewoon naar de Belgische kust gaan. In ons gezin waren we met z’n vijven, we huurden een groot appartement in Oostduinkerke. Maar op m’n 14de, 15de begon Oostende te lonken.”

U voelde dat daar iets te gebeuren stond. Niet voor niets werd Oostende ‘le petit Bruxelles’ genoemd.

“A ja! Daar was het bezig, ik peddelde er met mijn fietsje naartoe. ’s Avonds vanaf zeven, acht uur was het al vollen bak in de Langestraat, met erg luide muziek, die ik kende van de radio en piratenzenders als Radio Caroline: The Stones, The Kinks, The Small Faces, The Animals... noem maar op. Muziek waar ik verzot op was. Vergeet niet dat er geen Spotify was, hè. Om muziek te horen moest je naast je transistor zitten of een café binnenstappen. En bovendien wemelde het in Oostende van de heel schone meisjes en de wilde jongens.”

Daar wilde u bij horen, natuurlijk?

“Die rock-’n-roll, dát was het. Wellicht zat mijn trawant Arno daar toen ook ergens in een kroeg. Ik durfde nergens binnen te gaan. Ik stond daar als een ordinaire voyeur met mijn vélo in de hand te kijken naar die ruige jongens en die mooie mokkes.”

Oostende, de stad van de zonde?

“Absoluut. Dat was Babylon! Terwijl Oostduinkerke heel clean en braaf was, zonder discotheek. De andere swingende stad aan de kust was Blankenberge. Als je een zomerliefje wilde, dan moest je daarheen. Pas op, ik vind Blankenberge ook interessant, er stonden een paar fraaie art-nouveaugebouwen. En het is de stad van Frans Masereel. Blankenberge is volkser, natuurlijk. Maar Oostende, dat had op mij een ware erotische aantrekkingskracht.”

Je hebt mensen die liever de bergen of de bossen intrekken. U bent – zo blijkt uit uw boek – een uitgesproken zeemens.

“Ja, dat is overduidelijk. Op het platteland of in de bossen, daar word ik doodnerveus. Niet voor niets opent het boek met een citaat van Marguerite Duras. ‘Er is één ding dat ik goed kan, en dat is naar de zee kijken.’ Dat doet mij altijd deugd. Ik woon vlak bij het Brusselse Zuidstation, ik neem de trein en hup, zeventig minuten later stap ik af in Oostende. En voilà, daar ligt de zee in al zijn glorie op mij te wachten. Ik moet die zee zien. Vooral in de winter. De zee heeft iets oneindigs.”

Arno, aan wie het boek is opgedragen, zei ooit: ‘Aan zee zie ik iedere dag tien schilderijen, helemaal gratis.’

“Dat is waar. Arno is de grootste ambassadeur en pr-man van Oostende die er bestaat. Hij is ook de aanleiding voor Oostende & Compagnie. De Oostendse toeristische dienst wilde voor Arno’s 70ste verjaardag een tv-documentaire over de grote figuren van Oostende. Ik heb jarenlang rock-’n-rollprogramma’s met Arno gemaakt en leerde hem kennen toen hij nog optrad met Tjens Couter. Ik zou het scenario schrijven en de research doen. Maar toen dacht ik: waarom zou ik er geen boek van maken? En Arno een prominente plek geven? Zo ging de bal aan het rollen. Arno is nu heel blij, het is ook een beetje zijn boek. Hij gaat rondkijken in de boekhandels of het wel overal ligt. Hij heeft wel drie keer mijn tekst over hem herlezen.” (lacht luidkeels)

Blondeel: ‘Arno is de grootste ambassadeur en pr-man van Oostende die er bestaat. Hij is ook de aanleiding voor mijn boek.’ Beeld Danny Willems

Oostende is plots bijzonder en vogue. Er gaan heel wat BV’s, artistiek volk én dertigers wonen. Koen Peeters schreef het succesrijke Kamer in Oostende… Enfin, uw boek komt op het juiste moment?

“Er is een nieuwe dynamiek in Oostende. Ook de Dienst Toerisme pakt de promotie slim aan. Dit boek zou tien jaar geleden niet mogelijk zijn geweest. Neem nu het succes van Theater aan Zee. Alles is lang op voorhand uitverkocht. Dat is stilaan een klein festival van Avignon. Voorts heb je het niet onaardige Filmfestival. Je hebt plekken als cultureel centrum De Grote Post. De programmatie is de moeite, het eten is oké en de bediening is fantastisch, dat gaat razendsnel. Voor de kust is die combinatie ongelooflijk.” (knipoogt)

Het is toch meer dan enkel een culturele dynamiek? De hele stad lijkt er langzaam weer bovenop te komen.

“Absoluut. Het bougeert ook weer ’s avonds. Je kunt er opnieuw volop uitgaan. Ik ben na mijn boekvoorstelling onlangs doorgezakt met Arno. Mijne brave jongen, ik kan u zeggen, dat was dik in orde! Oostende was, na het afschaffen van de ferry en het wegblijven van veel toeristen, lange tijd ingezakt. Wie destijds de mailboot ’s avonds nam, hing overdag nog wat rond in Oostende. De mensen verdienden toen goed hun brood, de Oostendenaren konden al eens een fles whisky of een slof sigaretten scheefslaan. Dat failliet betekende een zware klap.”

Oostende & Compagnie is uw hoogstpersoonlijke selectie van zestig figuren die allemaal iets met de stad hadden, een alfabet van beroemde Oostendenaren en Oostendse passanten. Welke criteria hanteerde u?

“Kijk, ik ben een radioman. Ik denk altijd in formats. Van Arno tot Stefan Zweig, dat was het alfabetische basisidee. Er waren des incontournables: de schilders James Ensor, Léon Spilliaert, de cineasten Henri Storck en Raoul Servais, Herr Seele & Kamagurka, boekhandelaar Mathieu Corman… In Oostende vond ik veel mensen terug die mijn leven diepgaand hebben beïnvloed. Qua literatuur en levensstijl zijn dat Hugo Claus en Eric de Kuyper, die ik als student aan het RITCS heb leren kennen. We hebben elkaar nooit meer losgelaten.

“Naast die certitudes begon ik te exploreren. Ik stuitte op de briljante stadsfotograaf Maurice Antony. Die man verdient een eigen expo! Ik ontdekte dat Honoré de Balzac een Oostendse novelle schreef, een verhaal over Christus die een storm bedaart en een Oostendse boot redt. Als je dan weet dat Ensor een Balzac-lezer was en in 1891 het schilderij Christus die de storm bedaart maakte, dan heb je een mooie kruisverbinding. Of ik las dat mijn lievelingsschrijver Marcel Proust als 18-jarige zijn vakantie doorbracht in Oostende. Dat bewijst dat Oostende destijds een chique badplaats was.”

Wanneer werd de vroegere garnizoensstad Oostende eigenlijk een écht mondaine plek?

“Dat heeft alles te maken met de impact van koning Leopold II. Je kunt die man niet wegcijferen, ondanks de verschrikkelijke dingen die hij heeft uitgespookt. Ik durf hem ronduit een crapuul te noemen. De afgehakte handen van onze zwarte medemensen, de Red Rubber, de roof van Congo…Maar tegelijk hebben we de grandeur van Brussel en Oostende te danken aan de afgehakte handen van onze zwarte vrienden. Het is vreselijk.”

Waarom liet Leopold II zijn oog vallen op Oostende?

“Hij kwam er graag met zijn talloze maîtresses, zoals Cléo de Mérode. En hij nodigde er voortdurend andere vorsten uit. Hij gaf de stad een soort brille en renommee. De koningshuizen zaten ofwel in Nice ofwel in Oostende. De Belgische koninklijke familie bleef lange tijd naar Oostende komen. Nu zijn ze afgehaakt. De rechtstreekse trein vanuit Brussel speelde een grote rol in de bloei van Oostende. En ook de Engelsen die op bedevaart gingen naar Waterloo en bleven hangen in Oostende.”

Blondeel met zijn boek: ‘‘Als 14-jarige stond ik al als een ordinaire voyeur met mijn vélo in de hand te kijken naar die ruige jongens en die mooie mokkes in de Langestraat.’ Beeld Illias Teirlinck

Als u in Oostende rondloopt, stoort u zich dan niet aan de standbeelden en voetafdruk van Leopold II, zeker nu de discussie over de dekolonisering oplaait?

“Herschrijf je de geschiedenis met een beeldenstorm? Ik denk van niet. Een van de grootste misdadigers uit de Belgische geschiedenis, de kruisvaarder Godfried van Bouillon, heeft hier in Brussel ook een standbeeld. Ik denk dat je dan zeer veel moet afbreken. In het Oosten hebben ze de beelden van Stalin en Lenin vernietigd. Maar wie is de populairste figuur in Rusland? Niet Poetin, maar Stalin! Kortom, door een beeld van Leopold II te verwijderen, los je de onwetendheid niet op. De enige oplossing is jongeren weer diepgaand geschiedenis te onderwijzen.

“Maar ik geef toe, het monument van Leopold II aan de Drie Gapers is van het grootste cynisme dat je je kunt indenken. Aan de ene kant zie je het Oostendse vissersvolk, dat de vorst bedankt omdat hij zoveel goeds deed voor Oostende. Aan de andere kant de zwarten die Leopold II danken omdat hij hen heeft bevrijd van de Arabische slavernij. Komaan zeg! De zwarten danken Leopold II. (schreeuwt het uit) Allee, dat is pure Kamagurka!”

Laten we – als tegenwicht tegen Leopold II – eens naar uw lievelingen kijken. Zo spat uw bewondering voor James Ensor regelmatig van de pagina’s.

“België beseft nog altijd onvoldoende hoe geniaal James Ensor was. Als je nu naar Mu.ZEE gaat, hebben ze die prachtige Ensor-vleugel met zijn werk en dat van Léon Spilliaert en Henri Storck. Voor mij is dat een bedevaart. Daar zie je drie genieën samen: die zee van Ensor, die introspectie en dat schizofrene van Spilliaert en Henri Storck, de vader van de documentaire, die zelfs de gebroeders Dardenne inspireerde.

“Wat Ensor betreft: ik was ooit toevallig in New York op het moment dat er een Ensor-expo in het MoMa liep. Fier dat ik was. De Amerikanen hadden zijn genialiteit wél begrepen! Dat was kicken, hoor, Ensor overal in de stad op banieren te zien hangen. (zwaait met de armen) Ik had zin om uit te roepen: ‘Yes! He is from Belgium! He is my friend! I know him!’”

Stefan Zweig schreef over Ensor: ‘Een zeer excentriek man, die veel trotser was op de slechte polka’s die hij voor militaire kapellen componeerde dan op zijn fantastische schilderijen.’

“Dat is natuurlijk een mooie boutade van Zweig. Maar er zit een fond van waarheid in. Ensor was zot van muziek. Hij had een harmonium, hij speelde alleen op de zwarte toetsen. Hij lachte graag met de mensen. Maar slechts zijn muziekstukjes en poppenkastjes vond hij kunst. En daarmee relativeerde hij zijn schilderijen.

“Toch zijn er in België schandalige dingen gebeurd met zijn oeuvre. Denk maar aan het verkwanselen van zijn beroemde schilderij De intrede van Christus in Brussel. Met Jan Hoet zou dat nooit waar zijn geweest. Wij stomme Belgen hebben dat doek gewoon naar Amerika laten gaan, terwijl we het recht op eerste bod hadden. Zelfs Bob Dylan had het in de gaten: op de cover van zijn plaat Desolation Row staan afbeeldingen van De intrede van Christus in Brussel. Arno beweert zelfs dat Dylan het nummer schreef nadat hij het doek zag. Ensor-kenners zeggen dat dat onmogelijk is. Mais bon, een mooi verhaal, dat geloof je toch?”

Van een ander kaliber was Léon Spilliaert: veel duisterder, veel getormenteerder. Ook hem draagt u hoog in het vaandel.

“Spilliaert is de Edgar Allan Poe van de Vlaamse schilderkunst. Je mag niet vergeten: die man bestond uit pijn. Hij was een maaglijder, had voortdurend hoofdpijn, was zenuwziek. Een neurasthenicus, die bezeten was van Nietzsche. Nu zouden ze die man Prozac geven. Gelukkig voor ons cultureel erfgoed bestond dat toen nog niet. Kijk naar zijn vreselijke zelfportretten, al dat torment. Ook als hij de Oostendse gaanderijen schildert, merk je: dit is het werk van iemand die afziet. Daarvoor moet je bijna naar Van Gogh teruggaan. De pijn van het zijn.”

‘De intrede van Christus in Brussel’ van James Ensor, 1888. ‘Wij stomme Belgen hebben dat werk gewoon naar Amerika laten gaan.’ Beeld James Ensor/Getty Museum

En er is die andere grote held van u: Hugo Claus. Hij leerde in Oostende zijn eerste vrouw Elly Overzier kennen en schreef er De metsiers.

“Claus woonde in zijn eentje in Hôtel de Londres. Nadien schreef hij er het memorabele gedicht ‘Oostende’: ‘Daar is mijn bestaan begonnen te vergaan/ Negentien was ik, ik sliep/In het Hôtel de Londres op het hoogste verdiep/De mailboot voer onder mijn raam.’

“Ook in zijn latere roman De verwondering speelt Oostende een grote rol. Het Bal du rat mort, de maskerades… Claus speelde niet voor niets graag komedie, hè. Je merkt hoe hij dat spottende, dat dubbelzinnige, van Ensor mee heeft. Kijk ook eens naar de covers van zijn boeken. Ensors De intrede van Christus in Brussel prijkt op Het verdriet van België. En Spilliaert ontdekken we op de cover van Belladonna.”

Was u nauw bevriend met hem?

“Dat is een groot woord. Ik ben altijd Meneer Claus blijven zeggen. Maar ik had het geluk de gouden cultuurjaren op de Vlaamse tv te mogen meemaken, met uitzendingen als Eiland en Wie schrijft die blijft. Wanneer ik als producer Claus uitnodigde, dan wist ik dat het goed zat. Hij had zoveel charisma. Hij was ontzettend professioneel, hij was vriendelijk met alle cameramannen. Een soort literaire tv-ster avant la lettre. Claus was een alleskunner. Ken je zijn reclamespot voor Belgische kazen? Zelfs zoiets deed hij met flair. Of in een damesprogramma een modeshow becommentariëren. Hij fikste dat allemaal. Behalve schilderen, dat kon hij niet.”

In Oostende & Compagnie schuilt veel vergane glorie en melancholie. Hoe kan het anders in een stad waarin menige kaalslag plaatsvond én de zee als vanzelf uitnodigt tot loos gemijmer. Blondeel bekent: “Ik schuw de melancholie niet. Victor Hugo heeft ooit gezegd: ‘La melancholie, c’est le bonheur d’être triste.’ Ik onderschrijf dat, zonder in depressies te vervallen. Ik kijk graag naar wat voorbij is en naar wat afbladdert. Er mag patine op zitten.”

Toch is Blondeel verrassend genoeg geen rabiaat tegenstander van de hoogbouw die de kustlijn zo drastisch heeft toegetakeld. “Goh, ik ben daar genuanceerd over”, zegt hij. “Oké, er is gerommeld met het stadsbeeld. Maar ik zie de hoogbouw ook als een democratisering van de zee. In Knokke hebben de rijken een chique villa. Maar in Oostende hoef je niet schatrijk te zijn om je een appartement met zicht op zee te kunnen permitteren. De wildgroei van de ‘blokken’ moet je erbij nemen. Iedereen wil die zee zien. Misschien moet je dat de mensen wel gunnen.”

Nooit overwogen om zelf naar Oostende te verkassen?

“In mijn vriendenkring kochten ontzettend veel mensen een appartement aan zee. Ze vragen mij vaak: ‘Maar Claude, waarom koop jij er geen?’ Dan antwoord ik: ‘Ik heb het beste van beide werelden. Ik heb Brussel. En als ik wil ga ik naar Oostende en neem ik een hotel.’ Sorry, hè, ik kan Brussel niet zomaar achterlaten. Ik kan Brussel misschien alleen maar verlaten voor Parijs, Berlijn of New York. Wel verbleef ik voor dit boek geregeld in hotel Thermae Palace. Dat was ideaal. Want daar recht tegenover zat de Bibliotheek Lambert, waar ik de afdeling Oostendiana kon uitpluizen.”

Van magische plekken gesproken: u noemde daarnet De Grote Post. Minder bekend is de tragische geschiedenis van architect Gaston Eysselinck. Het gebouw werd eerst nogal verguisd. ‘Het nieuwe postgebouw, zoals het uit de grond verrijst, lijkt meer op een lokaal voor lijkbidders dan op een postgebouw’, schreef De Zeewacht.

“Gaston Eysselinck zat tijdens het bouwen van De Grote Post gemangeld tussen de socialisten en de katholieken. De strubbelingen werden hem te veel. Aan het eind van de werken mocht hij zelfs zijn eigen gebouw niet meer betreden. Een drama! Ondertussen was zijn vrouw zwaar ziek geworden. En toen ze stierf voelde hij zich schuldig omdat hij haar niet genoeg had verzorgd. Kort daarna pleegde hij zelfmoord door zich te vergassen.”

En voor we het vergeten: Oostende was ook een tijdlang de échte hoofdstad van het Duitse exil, met Joseph Roth, Irmgard Keun en Stefan Zweig.

“Dat was een bijzondere periode. Ze zaten daar allemaal samen te drinken en te schrijven onder het juk van de nakende oorlog, met Stefan Zweig als succesauteur. Toch was Joseph Roth de betere schrijver. Komaan, zijn Radetzkymars, wat is me dat, zeg! En ook zijn reportages. Ongelooflijk, jong, dat was New Journalism avant la lettre! Hij schreef zowel over de croupiers als de cokedealers van zijn tijd. Nu zou hij minstens in Rolling Stone of in The New Yorker publiceren. En er is de drinkebroer Roth: ‘Waarom zou ik gaan zwemmen in de zee, de vissen zitten toch ook niet op café?’, zei hij eens. Het voordeel van Oostende was dat Roth er geen jenever meer dronk maar wijn. Die man zoop als een huzaar maar bleef doorschrijven. Met de hand!”

Bent u vooral een bewonderaar? Echt kritische stukken tref je in dit boek niet aan.

“Als een persoon mij niet boeit, dan schrijf ik er liever niet over. Je merkt bijvoorbeeld dat de Oostendse schrijver Karel Jonckheere ontbreekt. Ik kreeg nochtans les van hem als literatuurprofessor aan het RITCS. Maar ik vond hem altijd een saaie man. Hij deed toen niet veel meer dan wat moppen en anekdotes vertellen over Hendrik Conscience of Lodewijk van Deyssel. We hebben hem daar letterlijk weggekoeioneerd. Hij was daar heel verbolgen over. Want in zijn plaats is Ivo Michiels gekomen.”

Ook naar Charlotte Mutsaers, Harry Gruyaert of Paul Snoek is het vergeefs zoeken.

“Het grootste gemis is Paul Snoek. Daar heb ik spijt van. Snoek is een hele goeie dichter en heeft ook – vanwege zijn dodelijk verkeersongeval – een zeker Albert Camus- of James Dean-gehalte. Hij had een plaats verdiend. Charlotte Mutsaers… Ach, die is weleens stout geweest. Op een avond in Passa Porta ging ze hevig in de aanval tegen Eric (de Kuyper) en mij over Marcel Proust. Toen dacht ik: ooit heb ik jou nog wel! Jij komt niet in mijn boek. (met pretoogjes) En ik vind haar werk overroepen.

“Mijn vriend Eric de Kuyper wees me er trouwens nog op dat ik ook zangeres Vera Lynn ben vergeten.”

Zitten er al volgende schrijfplannen in de pijplijn?

(lichtjes aarzelend) “Ik kan zeggen: ik ben tot 2021 volgeboekt. Volgend jaar doe ik een performancehappening in Flagey, een soort vertelshow naar aanleiding van Piano Days. Ik ben aan het schrijven over filosofen en schrijvers die ook piano speelden: Jean-Paul Sartre, Roland Barthes, Friedrich Nietzsche...

“Het andere grote project wordt een boek over Marcel Proust, ontstaan uit lezingen bij Amarant en uitmondend in een Salon Proust bij Flagey. Dat wordt mijn hoogstpersoonlijke ‘Marcel’, mijn visie op A la recherche du temps perdu, die ik integraal herlees in de Pléiadereeks. Ik wil een aantal vooroordelen uit de weg ruimen. Proust is méér dan de madeleine in de thee. Je moet Proust benaderen vanuit zijn Jood-zijn en vanuit zijn homoseksualiteit. Hij was een van de eersten om in de bres te springen in de Dreyfusaffaire. En is er één homoseksuele schrijver die zo mooi over vrouwen heeft geschreven als Proust? Hij is veel sensueler dan wij denken en hij schrijft zeker niet altijd omfloerst.”

Er nooit aan gedacht om uw memoires te schrijven?

“Ik denk niet dat mensen geïnteresseerd zijn in de herinneringen van Claude Blondeel. (lacht) Ik heb wel ontdekt dat ik heel graag schrijf. Maar memoires? Dan schrijf ik liever over mezelf via de omweg van Arno, Hugo Claus of Eric de Kuyper. Dat is veiliger. Ook daar leg ik mijn ziel in. Of misschien moet ik eens schrijven over de boeken die mijn leven hebben bepaald? Dat lijkt me wél wat.”

Er is ook een podcast gemaakt, te beluisteren via visitoostende.be/nl/podcast

Claude Blondeel, ‘Oostende & Compagnie,’ Lannoo, 226 p., 19,90 euro. Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden