Zaterdag 21/09/2019

Interview Boeken

Christophe Vekeman is aan zijn tiende roman toe: ‘Ik schrijf de jonge generatie nog steeds onder tafel’

Christophe Vekeman: ‘Ik wil het leven van mijn lezers om zeep helpen. Maar ze moeten wel al schaterend ten onder gaan.’ Beeld Francis Vanhee

In zijn nieuwe roman Cruise gooit Christophe Vekeman (46) alle trossen los. Hij stuurt veertien dolgedraaide personages op een zesdaagse bezinningscruise op de Noordzee. ‘Ik vind de medemens soms vertederend, maar meestal ridicuul.’

“Twintig jaar auteur. Zestien boeken. Tiende roman.” Christophe Vekeman telt het nog even trots na op de vingers van zijn hand. “Denk nu niet dat ik hier elke dag vreugdevol mezelf op de borst sta te kloppen”, voegt hij er relativerend aan toe. Maar zeggen dat hij gebukt gaat onder twee decennia schrijflabeur? Nee, dat nu ook weer niet.

BIO • geboren in 1972 in Temse • debuteerde in 1999 als romancier met Alle mussen zullen sterven • oogstte veel bijval met romans als Hotel Rozenstok, Marie, Mensen als ik • is een countryfan, en schreef een biografie over muzikant Johnny Paycheck • schrijft ook columns, essays en gedichten, en treedt regelmatig op • viert twintig jaar schrijverschap met de nieuwe roman Cruise

Men dicht Vekeman weleens een pessimistisch wereldbeeld toe. Toch pareert hij steeds weer de rondspokende donkerte met ruimhartige porties zelfspot en ironie, gevat in een opulente taal. “Ik vind de medemens soms vertederend, maar meestal ridicuul”, vertelt hij met gevoel voor boutades, terwijl we ons neervlijen in de achtertuin van zijn stemmige woning in de Gentse Sint-Machariuswijk. De schrijver staat op scherp, pas terug van een deugddoende Texaanse vakantie in het teken van de country, “mijn ultieme uitlaatklep”. De cowboyhoed ligt op grijpafstand, net als een half aangebroken Cubaanse sigaar (“Ik rook er nooit meer dan één per dag, dat zijn sublieme momenten”). Algauw zal hij de meningen als geniepige brisantbommetjes in het rond laten spatten. Want Vekeman maakt zich ook zorgen. “Ik ben bang dat schrijvers steeds meer op hun tellen zullen moeten passen.”

In zijn nieuwe, merkwaardige roman Cruise is daar nog weinig van te merken. Alle remmen gaan los. Het boek bespeelt de lachspieren maar schudt je ook deerlijk door elkaar. Vekeman dropt veertien personages op een zesdaagse bezinningscruise op de Noordzee, waar ze op het schip Calm Sea elkaar algauw het bloed onder de nagels vandaan halen. Hoe kan het ook anders, als je onder meer een progressieve journalist met racistische kwelduivels confronteert met een oversekste priester, een would-bedetective, een wulpse deerne en een hamburgerkramer die niet tegen de geur van gebakken uien kan? Vekeman laat het knallen in een groteske, balorige roman waarin hij zijn dolgedraaide hoofdfiguren scabreuze meningen in de mond legt. “Stilistisch ga ik deze keer toch niet al te uitzinnig uit de bocht?”, vraagt hij met een uitgestreken gezicht.

Cruise is ontstaan in een roes. Kijk, je hebt zogenaamde dipsomanen – kwartaaldrinkers die driekwart van het jaar braaf liggen te lurken aan een limonadestrootje, om dan plots, zonder dat ze het zelf willen, de hort op te gaan en zichzelf drie maanden lang aan de toog te bezatten. Zo’n schrijver ben ik: een kwartaalschrijver, een literaire dipsomaan. En de rest van het jaar zorg ik voor brood op de plank.”

Vekeman is er trots op dat hij al twintig jaar zijn eigen boontjes dopt: “Ik ben de James Brown van de Vlaamse letteren, the hardest working man in show business.

Een roman die zich afspeelt op een cruiseschip, dan moet ik onmiddellijk denken aan Bittere bloemen van Jeroen Brouwers. Wilde u eindelijk uw grote idool naar de kroon steken?

Christophe Vekeman: “Een cruiseschip is in zekere zin een ongewone setting. Tegelijk geldt het als een klassiek decor, zeker als je gaat grasduinen in het detectivegenre. Het is een strikt afgebakende ruimte zonder ontsnappingsmogelijkheden. Dat heeft het gemeen met rijdende treinen en onbewoonde eilanden. Maar dit boek heeft een nogal aparte ontstaansgeschiedenis. Vorig jaar was ik met vakantie op het strandparadijselijke eiland Lesbos. Daar bevond ik me, zoals dat hoort, aan de rand van het hotelzwembad. Zoals steeds had ik een Agatha Christie bij, die ik net uit had. Uit lamlendigheid begon ik in een notitieboekje wat aantekeningen te maken. Binnen een uur had mijn loomheid plaatsgemaakt voor het vuur van de geestdrift. Weer een uur later was dat notitieboekje grotendeels gevuld met een schets van de veertien personages van de roman.”

En toen?

“Als een razende roeland ben ik naar een buurtwinkeltje gelopen en kocht er alle schoolschriftjes op. De uitbater stond verbaasd te kijken. Iemand die in volle vakantie zijn hele voorraad insloeg. ‘Wat ga je daar in godsnaam mee doen?’, vroeg hij. ‘I’m gonna write a masterpiece’, zei ik.”

Sprak hij slechts lichtjes onbescheiden.

“Goede voornemens zijn altijd belangrijk. (lacht) Zeven weken later was het boek af. Op reis schreef ik met de hand de eerste dertig pagina’s. Later, hier aan deze tafel, de rest. In openlucht, tijdens die prachtige zomer van 2018. Wacht, ik haal de schriftjes even.”

Vekeman spoedt zich naar zijn werkkamer en tilt vervolgens zestien volgekrabbelde helblauwe cahiers uit een metalen doos. Dichter bij het embryo van een roman kun je moeilijk komen. Het Letterenhuis zou ongetwijfeld watertanden bij deze verbazend goed leesbare schriften, vergezeld van een blauwe balpen. “Ziehier, zelfs een mix van lesbisch strandzand en zonnecrème op mijn bic”, lacht hij naar de fotograaf.

Kortom, een schrijver neemt nooit vakantie?

“Ik ben een schrijver die het moet hebben van het moment. Blijkbaar word ik ook op vakantie door de grote drang geplaagd om me te laten wegvoeren door mijn verbeelding. Niets staat verder van mij af dan het idee van een conceptueel kunstenaar die een idee uitwerkt. Alles begint bij mij met de onweerstaanbare behoefte om in mentaal opzicht elders te zijn. Alsof je in het wilde weg op een trein stapt, zonder vooraf de bestemming te kennen. Maar bij aankomst merk je toch dat je precies dáár bent beland waar je onbewust wilde zijn.”

Cruise is misschien geen billenkletser, maar op satire en humor is geenszins bespaard. Bijna elk personage kampt met een dolgedraaide geest of heeft een flinke steek los.

“In mijn recentste boeken, zoals Hotel Rozenstok of Mensen zoals ik, zette ik mezelf te kijk. Nu zet ik de mensheid in haar blootje. Wat ons kenmerkt, is dat we voortdurend iets anders willen worden dan wat we daadwerkelijk zijn. Dat is een lachwekkend, zelfs belachelijk streven. Deze keer voerde ik niet met het grote mededogen de pen. Vroeger mikte ik weleens op herkenning en de daaruit voortvloeiende troost bij mijn lezers. Nu had ik een minder fraai oogmerk: de lezer moest in paniek raken en constateren dat hij – net als de personages – zijn leven leidt in een wolk van waanzin en zelfbedrog. Ik wil het leven van mijn lezers om zeep helpen. Maar ze moeten wel al schaterend ten onder gaan. Dat vind ik wel zo hoffelijk.” (lacht)

De maritieme omgeving is een dankbare biotoop, temeer omdat u uw personages op een bezinningscruise stuurt. Wilde u ook de uitwassen van het cruisetoerisme hekelen?

“Ik steek eerder de draak met een bepaalde softe cultuur van bezinning en meditatie. Ik viseer niet zozeer het doorsnee-cruisepubliek, al wil ik gerust geloven dat het cruiseverkeer een schadelijke toeristische bezigheid is. Anderzijds is het een symptoom van deze tijd: alles wat neigt naar plezier en genot moet beladen worden met een soort schaamte of een zondebesef. Zelfs als je tegenwoordig argeloos op Facebook meldt dat je het vliegtuig neemt naar Texas – zoals ik laatst – dan oogst je onbedoeld heel wat verontwaardiging. Daar heb ik het moeilijk mee. Vooral omdat veel van die verongelijktheid en dat idealisme erg gespeeld en selectief lijkt.”

Die thema’s bespeelt u vol op het orgel in Cruise. Uw personages mogen zich uitleven in boude en tegendraadse meningen.

“Alle veertien personages voelen een enorm verlangen naar een afgebakende, ondubbelzinnige identiteit. Denk aan de homoseksuele psychiater die vreest latent heterofiel te zijn. Of de progressieve journalist en zelfverklaard Afrikaliefhebber die tot zijn ontzetting geplaagd wordt door racistische dromen en gedachten. Of de vader van een debiel die de vader van een wonderkind wil zijn.

“Die nood aan een vaste identiteit hebben mijn personages gemeen met heel wat zogenaamde idealisten. Mensen die achter de ene vlag aanlopen zijn voor mij vaak precies hetzelfde als hun vijanden die met een andere vlag zwaaien: meestal is het hun er in de eerste plaats om te doen zichzelf te doen gelden. Een individu te zijn door tot een groep te behoren. Helaas is de wereld niet zo overzichtelijk als veel idealisten beweren. Ik mis zelfrelativering bij veel mensen met het opgestoken vingertje.”

Is uw wereldbeeld zwarter geworden in de loop van de jaren? Of spotlustiger?

“Ik zou het geen pikzwart wereldbeeld willen noemen, zeker omdat ik de lach heel hoog in het vaandel blijf voeren. Ik hou ook helemaal niet van sikkeneurige misantropen die klagen dat de zon schijnt. Ik vind het reilen en zeilen in de wereld vooral ongemeen komisch. En hoe meer de mensen zichzelf serieus nemen, hoe grappiger ik ze vind. Vandaag de dag lijkt er bovendien een opbod te ontstaan inzake betweterij, goed leven en het juiste gedrag, wat al helemaal een ridicule indruk op mij maakt.”

Beeld Francis Vanhee

Hoe moeilijk was het om u te verplaatsen in de geest van die vaak doorgeflipte personages?

“Ik besteed nogal wat aandacht aan de verwording van Barteke Courtois van Israëlcriticus en antiklerikaal tot een echte Ku Klux Klanner. Ik moest hem dus allerlei enge racistische theorieën in het hoofd leggen. En zeker, het was raar om zulke ideeën in jezelf te moeten opgraven. Nog onthutsender is het als je moet vaststellen dat je zulke verschrikkelijkheden toch vrij makkelijk kunt opdissen. Zoals het me ook altijd vlotjes afgaat om op papier iemand te vermoorden.”

Mag een schrijver zich geen grenzen opleggen?

“In feite niet. Maar ik merk wel dat je moet uitkijken. Afdalen in de krochten van een seriemoordenaar, dat is een doodgewone zaak in de literatuur en al zeker in de thrillerwereld. Maar je verplaatsen in de geest van een racist, dat is op een haar na not done. Dan word je als schrijver algauw geïdentificeerd met dat personage en ben je zelf antipathiek.”

Vekeman steekt het niet onder stoelen of banken: hij is wel degelijk beducht voor de toenemende politieke correctheid. Hij ziet alsmaar meer auteurs die ermee worstelen. En het achtervolgt ook hem tot aan zijn schrijftafel, zegt hij, terwijl hij zijn cowboyhoed met luchtgaatjes op de kruin schuift.

“Ik ben zeker niet van plan me aan te passen”, verzekert hij. “En ook mijn uitgever heeft me nooit afgeremd. Maar geef toch toe dat het rare tijden zijn? Politieke correctheid in de kunst en de literatuur heeft angstaanjagende vormen aangenomen. Denk maar aan Bret Easton Ellis en zijn essaybundel White. De titel werd in het Nederlands vertaald als Wit. Oké, dat kun je nog door de vingers zien, omdat hij ook refereert aan het essayboek The White Album van Joan ­Didion.

“Maar als je in een boek dat handelt over de kleinzerigheid van progressieve moralisten ‘white’ als ‘wit’ gaat vertalen in plaats van het – volgens Van Dale – veel correctere ‘blank’, ja, dan voel ik bijna de plaatsvervangende ergernis van Ellis. Precies omdat het een boek is dat dergelijke taalpraktijken en kwesties aanklaagt. Dat begint op censuur te lijken.”

Vekeman schakelt een tandje bij. Voor het eerst tijdens het gesprek windt hij zich op. “Nu ja, ik maakte het onlangs echt mee in een discussie. Ik haalde een boek aan van Jef Geeraerts uit 1962: Ik ben maar een neger, een titel die je tegenwoordig dubieus van strekking zou kunnen noemen. Plots wierp iemand me voor de voeten: ‘Hé, jij gebruikt het woord neger!’ Is dat geen vorm van overgevoeligheid die aan het pathologische grenst?”

Van politieke correctheid gesproken, u bent net terug van uw geliefkoosde Texas in de Verenigde Staten. Hoe percipieert u dan president Trump, die toch alle grenzen van het fatsoen met de voeten treedt?

“Laten we vooropstellen dat ik zeker geen fan van Trump ben. Er is dat gedoe met de muur aan de Mexicaanse grens, zijn hele stijl en esthetiek... Anderzijds valt mij met regelmaat op dat een politieke maatregel van een hier te lande minder goed in de markt liggende politicus als Trump soms nauwelijks verschilt van die van een beleidsman die wel een wit voetje heeft bij de publieke opinie. Toch oogst diezelfde maatregel of stelling bij Trump een hoop meer verontwaardiging. Ik denk dat heel wat mensen nood hebben aan een mikpunt om hun agressie en haat op te richten. En dan is Trump natuurlijk in veel opzichten een gedroomd doelwit.”

Wat verontrust u momenteel het meest in het hedendaagse politieke en maatschappelijke debat?

“Goh. Dan toch het gebrek aan mogelijkheden om tot een heldere, beleefde en niet-hysterische uitwisseling van gedachten te komen. Blijkbaar is dat tegenwoordig erg lastig. Alles escaleert meteen. Ik ben verder ook niet zo intens met politiek bezig. Voor mij is het toch vooral een tijdverdrijf voor enkele al dan niet fijne lieden. Ik zeg weleens bij wijze van boutade: ‘Politiek is opium voor het volk, and I don’t do drugs.’ Maar toch: zowel in de Verenigde Staten als bij ons kun je bepaalde stellingen niet meer innemen. De knuppel die je in het hoenderhok gooit, wordt algauw een wapen waarmee je jezelf onwillekeurig voor de kop slaat.”

Christophe Vekeman: ‘Mijn boeken moeten mij overkomen. Ik breng ze ter wereld in een onbedaarlijke barenswee van enkele weken.’ Beeld Francis Vanhee

Geef eens een voorbeeld?

“Het is misschien paradoxaal dat ik dat nu in de krant zeg. Maar als ik soms met mezelf zit te praten, kan ik me bijvoorbeeld niet zo makkelijk overtuigen van de volstrekte onredelijkheid van de doodstraf. Het argument, bijvoorbeeld, dat niemand het recht heeft iemand anders van het leven te beroven, vind ik weinig doorslaggevend. Want niemand heeft toch ook het recht iemand achter de tralies te zetten? Kortom, als je probeert op een filosofische manier in het openbaar na te denken, krijg je meteen gefronste wenkbrauwen of een gesprek met verhitte allures. Napraten staat vandaag in hoger aanzien dan nadenken. En je wordt algauw bedacht met weinig flatterende etiketten.”

Bedoelt u dat u in het rechtse kamp terechtkomt?

“Terwijl ik helemaal niet links of rechts wil zijn. Sterker nog, mensen die zichzelf met nadruk links of rechts noemen, zijn voor mij zelden erg sympathiek. Maar dat zwijgen over penibele kwesties, dat stoort me. Over de Verenigde Staten gesproken: aan een aantal universiteiten is de open debatcultuur al gewoonweg afgeschaft. Je hebt er safe rooms waar studenten zich kunnen verschansen wanneer ze tijdens de les niet geconfronteerd willen worden met afwijkende meningen, of ideeën die ze als beledigend zouden kunnen ervaren. Dat is toch volkomen van de pot gerukt?”

Terwijl democratie uiteindelijk gedijt met een botsing van meningen?

“Ja, want denken volgens algoritmen of volgens een door anderen uitgezette bedding staat haaks op een florissant intellectueel leven. En het wringt zeker met de taak van een schrijver. Die mag – of moet, voor mijn part – in zijn werk de wereld op zijn kop zetten en hem ontwrichten. Zoals ik doe in Cruise: een progressieve journalist die zich ontpopt tot een vuile racist.”

Wilde u vooral aantonen dat denkbeelden van mensen soms drastisch en plotsklaps kunnen veranderen?

“Ik zou willen dat het wat vaker gebeurde. Dat mensen niet zo halsstarrig zouden vasthouden aan hun eigen gelijk. In de jaren 80 las ik als jonge snaak een Humo-interview met de roemruchte VMO-leider Bert Eriksson. Meer dan dertig jaar later moet ik daar soms nog aan terugdenken. ‘Kijk,’ zei hij, ‘toen ik tien jaar was, ging ik bij de Hitlerjugend. Waarom? Omdat ik dat uniform mooier vond dan dat van de scouts.’ Daarom ben ik nu rechts en ben jij links, zo vertelde hij aan de interviewer. Dat is uiteraard geweldig kort door de bocht. Maar wat mij frappeerde, was de zelfrelativering van zo’n uitspraak, die niettegenstaande – over vuile racisten gesproken – uit de mond van een staatsgevaarlijke fanaticus kwam.”

Iets helemaal anders nu. Er schuilen opvallend veel dik aangezette seksscènes in Cruise. Hoe bevalt dat u, erotische taferelen schrijven?

“Er hangt natuurlijk veel af van wat je precies beoogt met een seksscène: wil je voor echte opwinding zorgen of wil je het personage figuurlijk in zijn onderbroek zetten? De seksualiteitsbeleving van Barteke Courtois valt samen met de verschrikkelijke eikel die hij is. Hij wil alleen maar indruk op de buren maken. Thuis verschuiven de pootjes van zijn bed luidruchtig over de natuurstenen vloer terwijl hij aan de gang is. Het frustreert hem dat dit op een schip niet zomaar kan, aangezien de bedden vastgeschroefd zitten. Barteke blijft maar beuken, rammen en stoten… (lacht) Maar het bed blijft zo stil als een wolk. Het is hilarische seks, hoop ik.”

En tegelijk ook terneerdrukkend.

“Wat mij intrigeert, is de macht van seks. De mate waarin seks beslag kan leggen op een geest. Hoe verwoestend, obsederend en vernietigend seks kan zijn. Dat is van een schoonheid die aanleunt tegen de waanzin.”

Niet voor niets zijn er rondom seks complete industrieën gebouwd.

“Toch is het iets dat zich blijft afspelen in de donkere hoeken van ons bestaan. Iedere mens leeft in zijn eigen kleine wereld en heeft uiteindelijk weinig uitstaans met die van de ander. We zijn allemaal mentale kluizenaars, opgesloten in onze eigen geest en lichaam. Daarom geef ik seks ook zo’n grote plaats in mijn boeken. Mocht seks van geen tel zijn in ons leven, dan zouden mensen amper eenzaam zijn. Ik moet nu weer denken aan Houellebecq, met wie ik in 2000 op tournee was tijdens Saint Amour. De immense eenzaamheid die hij toen uitstraalde, ook al had hij een vrouw of zelfs twee aan zijn zijde! Wel, die verklaar ik door het feit dat zijn kop vol seks zat. Bovendien is de tragiek van seks: hoe meer bevrediging, hoe rampzaliger en troostelozer het allemaal wordt. Want geen enkel orgasme is definitief.”

Beeld Francis Vanhee

Het is al vaak geschreven over Vekeman: zijn stijl doordesemt elke zin, elke pagina. Hij is een van die Nederlandstalige schrijvers die je na een paar alinea’s meteen herkent, zoals Jeroen Brouwers, Gerard Reve, Dimitri Verhulst of Herman Brusselmans. “Dat is natuurlijk een compliment”, knikt hij met een monkelende glimlach.

“Ik vind het vanzelfsprekend dat je stilistische herkenbaarheid nastreeft. Ik heb een gouden stelregel: ik kan niet aan een volgende zin beginnen als de zin ervoor niet volmaakt is. Die stuwkracht probeer ik over te brengen op de lezer.”

Hoe groot is het risico om in maniertjes te vervallen? “Ik wil dat mijn trukendoos kamergroot is. Zodat ik niet opnieuw doe wat ik al kan. Door telkens een geheel ander boek te schrijven, probeer ik dat met man en macht te vermijden.”

Elke schrijver wil natuurlijk met elk nieuw boek hoger reiken, een stapje vooruitzetten. Is dat gelukt, vindt u, wanneer u terugblikt op twintig jaar schrijverschap?

“Daar denk ik vaak over na. Natuurlijk nemen je technische vaardigheden almaar toe en kweek je ervaring. Maar dat is niet voldoende. Mijn eerste romans waren vooral genreoefeningen. Later had je de huwelijksromans, en daarna Een uitzonderlijke vrouw, mijn enige boek met een vrouwelijk hoofdpersonage. Om de laatste jaren uit te komen bij de meer autobiografisch geïnspireerde romans als Hotel Rozenstok of Mensen als ik. Toch zat ik op een bepaald moment op een alles-of-nietspunt. Na Een uitzonderlijke vrouw, in 2012, wilde ik mijn pen aan de wilgen hangen.”

Waarom toen precies?

“Acht maanden lang had ik dag en nacht aan dat boek gewerkt. Het was de roman die ik altijd al had willen schrijven. Meteen na verschijning kreeg Een uitzonderlijke vrouw vijf sterren in De Standaard. En daarna gebeurde er helemaal niets meer. Zes weken later verscheen er een kleine recensie in De Morgen, niet bijster positief. In Nederland bleef alle respons uit. Ik dacht: ‘Wat nu? Want ik kan dat boek niet meer overtreffen, mijn vakmanschap zal niet meer aanzienlijk toenemen.’ Ik was pas veertig geworden en stelde alles in vraag.

“Maar net toen ik had besloten de boel de boel te laten, kwam er uit die explosie van teleurstelling, woede en frustratie weer iets opborrelen. Dat werd mijn roman Marie, geschreven in zes weken tijd. Die werd veel beter onthaald, ja, zelfs in een open brief in De Standaard opgehemeld door Jeroen Brouwers. Van een heel vruchtbaar dieptepunt gesproken! Toen heb ik besloten nooit meer acht maanden aan een boek te werken. Ik schrijf geen boeken meer. Mijn boeken moeten mij overkomen. Punt. Ik breng ze ter wereld in een onbedaarlijke barenswee van enkele weken tijd, als een kwestie van bittere noodzaak.”

Toch bent u ook een echte broodschrijver: u staat veel op het podium, u schrijft recensies, u presenteert… Hoe belangrijk is dat aspect voor u?

“Het is een onlosmakelijk deel van mijn schrijverschap. In april 2005 ben ik zelfstandige geworden en nog steeds leef ik van mijn pen. In die zin spiegel ik me aan John Updike: hij schreef romans in de voormiddag en recensies in de namiddag. Of aan mijn betreurde vriend Joost Zwagerman en zijn enthousiasmerende essays. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat het schrijverschap voor de helft uit lezen bestaat. Ook mijn Klara-recensies getuigen daarvan. En voorts zeg ik weleens bij wijze van boutade, wanneer ik weer eens gelegenheids-dj ben: ‘Zelfs de platen die ik ten gehore breng, behoren tot mijn oeuvre.’”

Nu u het toch over muziek hebt: de laatste jaren ontpopte u zich tot een ware sandwichman van de country, een genre dat vaak meesmuilend wordt bekeken.

“Met mijn biografie van Johnny Paycheck heb ik gepoogd om van country literatuur te maken. Voor mij is country de ultieme, onbezoedelde uitlaatklep. Als beginnende schrijver denk je blindelings dat de literatuur een heiligdom is, vol schoonheid en zuiverheid, een ver boven het alledaagse verheven wereld. Literatuur was destijds mijn redding, mijn eiland. Een alternatieve, betere wereld waar ik bij wilde horen. Ik heb er veel aan te danken. Maar ik ontdekte ook dat literatuur geen idyllisch universum is. Daarom ben ik blij dat ik in de country een nieuw toevluchtsoord vond.”

Hoe hebt u de literaire wereld dan zien evolueren?

“Ik heb de neiging het leven te ervaren als een groot geschenk dat ik helaas niet uitgepakt krijg. Maar los daarvan ben ik erg dankbaar voor mijn loopbaan tot nu toe. Om de simpele reden dat een dergelijke schrijverscarrière vandaag niet meer tot de mogelijkheden behoort.”

Waarom niet?

“Omdat mijn oeuvre bestsellerloos is en ik dus allesbehalve een goudhaantje ben. Het mag heden ten dage dan veel gemakkelijker zijn om te debuteren, maar als je na een boek of drie, vier op commercieel vlak geen potten hebt gebroken, is het vanwege de uitgever algauw dag met het handje. Toen ik in 1999 debuteerde, moest je als debutant nog echt vechten voor je plaats. Er was lang niet zoveel aandacht voor beginnende auteurs. Mijn lichting was zogenaamd een wonderjaar met Erwin Mortier, Dimitri Verhulst, Yves Petry, Jef Aerts... We waren zelfs met zijn tienen, wat ongezien was. Nu debuteren bij wijze van spreken elke maand tien auteurs.”

Christophe Vekeman: ‘Afdalen in de krochten van een seriemoordenaar, dat is doodgewoon in de literatuur. Maar je verplaatsen in een racist, dat is bijna not done.’ Beeld Francis Vanhee

Maar na twintig jaar hebben ze u er niet onderdoor gekregen.

“Het is nu ook weer niet dat mijn uitgever zijn broek aan mij scheurt, hoor. Maar zonder morren Johnny Paycheck uitgeven, een biografie over een countryfiguur over wie niemand ooit had gehoord? Chapeau. Als je commerciële zelfmoord aan een marsmannetje wilt uitleggen, dan is dat boek een goed voorbeeld. Overigens wordt, na twintig jaar schrijverschap, mijn hoop op een bestseller wel erg schraal.”

Tja. Stefan Hertmans en Alfred Birney zijn schrijvers die dat zullen tegenspreken. Steekt het dat u nooit een shortlist haalde?

“Zoals ik al zei: ik heb een paar weken heftig gekampt met dat gevoel van miskenning. Een gewaarwording die iets harder beet dan ik het zelf graag had. Maar het troostte me enorm dat mijn lezerspubliek en de literaire wandelgangen regelrechte schande spraken over het feit dat ik nog nooit genomineerd was. Door juryleden zo flagrant miskend worden, begint dat niet naar cult te ruiken?” (lacht)

Ziet u een aflossing van de wacht bij de nieuwe generatie?

“Neen. Want ik meen het: ik schrijf ze nog allemaal onder tafel. Maar als ik me ga spiegelen aan tenoren als Willem Frederik Hermans, Harry Mulisch, Jeroen Brouwers en Gerard Reve, dan voel ik me klein. En dan is mijn oeuvre met zestien boeken nog aan de karige kant. Jonge Nederlandse auteurs hoor ik ook weleens zeggen: de tijd van ‘witte mannen’ als Willem Frederik Hermans is definitief voorbij. Ja, dat mag dan wel zo zijn. (schamper) Maar wat hebben we ervoor in de plaats gekregen?”

Boekvoorstelling op 6/9 in Tinnenpot, Gent. Inschrijven via inge@lmbooks.be.

Christophe Vekeman, CruiseDe Arbeiderspers, 222 p., 18,99 euro. Verschijnt op 3/9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234