Donderdag 24/10/2019

Literatuur

Charlotte Mutsaers: "Euthanasie bij een voltooid leven: wat is dat nu voor onzin?"

"Mijn broer Barend had net als ik een goede opvoeding gehad, woonde in een mooi huis... Hoe is het zo kunnen lopen?" Beeld Karoly Effenberger

Als hun vereenzaamde broer Barend overlijdt, moeten de gezusters Mutsaers het ouderlijke huis leegmaken waar hij woonde, wat veel herinneringen maar ook vragen losmaakt. In haar nieuwe roman Harnas van hansaplast probeert schrijfster Charlotte Mutsaers vat te krijgen op zijn, en dus ook haar leven. Hoe is het ooit zover kunnen komen?

Dit interview vond plaats op 17 oktober 2017. Ik had het boek gelezen - uiteraard - en ja, die passage waarin Charlotte Mutsaers de kinderporno van haar broer ontdekt is grotesk. Maar dit boek is een roman. Een roman bovendien die over waanzin gaat, en zich voor een groot deel afspeelt op de rand van de hyperbool. ‘Harnas van hansaplast’ zit vol beelden waarvan ik aanneem dat die ontsproten zijn aan de fantasie. Ik heb de auteur dus wel gezegd dat ik het moeilijk had met die passage, maar ik heb haar niet gevraagd of dit echt, dan wel verzonnen was. Omdat auteurs liegen als je hen vraagt naar het waarheidsgehalte van wat ze hebben geschreven - waarom is het anders een roman? Het boek is een spiegelpaleis, het staat bol van vertekening. En met die instelling ben ik aan dit interview begonnen.

We zitten op haar werkkamer, een gezellige studio die uitkijkt op de Amsterdamse grachten, en smullen van de broodjes kaas die ze daarnet voor ons smeerde. 75 jaar oud wordt ze donderdag. Wat betekent dat getal voor haar? “Het is een prachtige leeftijd”, antwoordt Mutsaers, “maar dat de horizon nadert, vind ik vreselijk. Ik leef doodgraag. Al besef ik ook dat ik verdomd blij mag zijn dat ik nog vitaal ben en in goede gezondheid verkeer. Dat het nog maar lang zo moge blijven.

(denkt na) “Aan de andere kant vind ik het geen item. Ik heb nooit mijn leeftijd benadrukt, vond puber al een verschrikkelijk woord. En ik wil ook niet treuren omdat mijn tijd korter wordt. Dat zou betekenen dat ik niet aanvaard hoe het leven loopt. We moeten er allemaal aan geloven. Daar word ik vaak genoeg op gewezen. Steeds meer mensen om me heen leggen het loodje. Ik heb nooit het leeftijdsverschil tussen mij en mijn oudere vrienden gevoeld, tot ze doodgingen. Hoe onbehoorlijk van ze om er zomaar van tussen te sluipen. En ook: hoe akelig.

“De dood heeft me altijd al beziggehouden. Als klein kind dacht ik dat de wereld verdeeld was in kinderen, volwassenen en oude mensen, en dat dat niet veranderde. Ik voelde me veilig in dat permanente kind-zijn. Het besef dat je die fases zelf ook moet doorlopen, kwam op mijn 8ste, toen mijn opa overleed. Het was mijn eerste begrafenis, al kreeg ik toen een vertekend beeld van begrafenissen. Mijn opa woonde op kasteel Plantijn in Kapellen, bij Antwerpen. Hij had tijdens zijn leven veel mensen geholpen, die allemaal stonden te wachten toen we de grote trap van dat gigantische huis afdaalden. De padvinders, verschillende fanfares, iedereen sloot zich aan bij de rouwstoet.

"Wij, de kinderen, mochten niet mee naar de dienst. Dat vonden ze te zwaar voor ons. We werden gedropt bij onbekende mensen. Een dienstmeisje leidde ons naar een grote kamer met het prachtigste speelgoed, verder was er geen kind te zien. Mijn zusje en ik durfden nergens aan te komen. Uren hebben we op die stoel gezeten. Net die geheimzinnigheid rond de begrafenis zorgde ervoor dat ik me allerlei voorstellingen ging maken. Wat gebeurde daar voor griezeligs?”

Haar ogen worden groot, alsof ze opnieuw vertwijfeld in die speelkamer zit. Hoelang geleden ook, elke gebeurtenis die ooit indruk maakte, kan ze zo weer oproepen en herbeleven. Haar jeugd is nog steeds dichtbij. Dat voel je ook in haar oeuvre, waar haar persoonlijke geschiedenis vaak opduikt. Je zou het een Charlotte Mutsaersmuseum kunnen noemen, waarin de schrijfster rondwandelt als een curator. Ze verzamelt, bewaart en exposeert. Niet alleen wát ze toont, maar ook hóé ze dat doet, vertelt veel over haar. Dat een zeker surrealisme haar niet vreemd is, dat ze graag als een detective raadsels uitpluist, patronen en verbanden blootlegt die voor anderen onzichtbaar, en soms bizar zijn.

Morbide fascinatie

Harnas van hansaplast is geen nieuw parcours in dat museum. Het is de deconstructie ervan. Het dak gaat eraf, de fundamenten komen bloot te liggen. Als een archeologe borstelt Mutsaers haar verleden grondig af, met als aanleiding het curieuze overlijden van haar zeven jaar jongere broer Barend, tussen kerst en nieuw van 2001.

Barend leidde een kluizenaarsbestaan in het ouderlijke huis, en werd pas na een paar dagen gevonden. Hij lag in bed zonder broek aan en met een beduimelde pornofoto, de man had zich kennelijk dood gemasturbeerd. De kleine en de grote dood verenigd: die omstandigheden ­zetten de toon van de roman.

Na de eenzame begrafenis van Barend krijgen Charlotte en haar zus A. van de huisbaas twee maanden om het huis leeg te maken. Op Mutsaerse wijze maakt ze een inventaris op. Dat wil zeggen: ze beschrijft niet alleen wat er is (de monsterlijke afvalbergen, de stofnesten, de serviezen en de erfstukken), maar ook wat die woordloze objecten bij haar oproepen.

De lezer reist dus tussen het jaar 2002 en langer vervlogen tijden. Met elke kamer krijg je een rijker beeld van Barend, maar ook van Charlotte Mutsaers zelf en de familie waar beiden in opgroeiden.

Met een morbide fascinatie beschrijft Mutsaers de lijkvlekken op het matras, besnuffelt ze de ­stapels vuilgoed (Barend bleek een hoarder), leest ze zijn maniakale lijstjes, monstert ze zijn porno­collectie. Elk voorwerp, elke snipper papier roept associaties op. Ook het mannetje van hansaplast dat ze op een zolderkamer vindt, en waar Barend ‘ik’ op heeft geschreven.

Door het labyrint van levendige en verstoten herinneringen, het stoffelijke en het onstoffelijke heen, zoekt Mutsaers bedachtzaam een weg, of beter, betekenis. Dat maakt van Harnas van hansaplast misschien wel haar ‘gevaarlijkste’ werk: ze kan het levensverhaal van haar broer niet schrijven zonder zich aan hem te spiegelen. Hoe komt het dat de getalenteerde en excentrieke Barend Mutsaers de dieperik in sukkelde, terwijl zij, ook getalenteerd en ook wel excentriek, erin slaagt om wat zij beschrijft als te ‘gedijen op die onzichtbare grens tussen mainstream en borderline’? Hoe komt het dat broer en zus, twee takken van eenzelfde genetische struik, zo’n verschillend leven hadden? Dat levert zowel heldere, maar bij momenten ook duistere parels op. Niets wordt verbloemd. Daar wordt de lezer alvast voor gewaarschuwd in het eerste hoofdstuk: ze belooft om wat ze vindt met open vizier en zonder oordeel te benaderen. Ze hield woord.

Beeld Karoly Effenberger

Kasteel van Doornroosje

Deze constructie levert een monument op voor Barend Mutsaers, dat misschien wel wat op hem lijkt: intelligent, prikkelend, diepmenselijk en bij momenten grimmig zoals alleen sprookjes dat kunnen zijn.

Het begint al met het beeld van het interieur, als Charlotte en haar zus A. het pand voor de eerste keer betreden, waar alles grijs is van de lagen stof. Mutsaers: “Net het ­kasteel van Doornroosje!” Niet de suikerzoete Disneyversie, maar de wilde, gevaarlijke soort, waar ook plaats is voor de lelijke kanten van het leven. Een plek van nakend onheil dus, zoals je bijvoorbeeld in
Blauwbaard vindt, het sprookje waarvan haar grootmoeder de ­pagina’s dicht had gekleefd om de onschuldige meisjesgeesten niet te bezoedelen.

Eerlijk: dat zouden we ook willen doen met de pagina’s 230 en 231 van Harnas in hansaplast, waar de schrijfster in de pornocollectie van haar broer kinderporno vindt, en een aantal foto’s beschrijft. Toen heb ik dat boek even moeten wegleggen, zeg ik. “Ik wilde het taboe niet handhaven door er omheen te draaien”, pleit Mutsaers. “Liever het beeld beschrijven dan erover te jammeren of mijn verontwaardiging tentoon te spreiden...”

En dan, bezorgd: “Vind je dat ik mijn broer onaangenaam heb neergezet? Want dat was niet mijn bedoeling. Uiteraard heb ik in het begin mijn vijandigheden tegenover hem. Maar naarmate je meer in het verhaal komt, laat ik toch ook zien dat hij een interessant mens was met wie je fijn kon praten?”

Dat het schrijven ervan een worsteling was, bekent ze. “Ik heb er erg lang over gedaan. Ik was er al mee bezig voor Koetsier Herfst (2008). Ik had zo veel mappen met materiaal, maar telkens als ik die raadpleegde, raakte ik in de war. Ik was er duidelijk nog niet rijp voor, dus heb ik het weggelegd. Toen ik er Das Mag over vertelde, raadden ze me aan om opnieuw te beginnen. Dat werkte. Hun enthousiasme sloeg op mij over.

“Dat neemt niet weg dat ik tijdens het schrijven meer over de dood ging nadenken, ook over Barends dood. Het is toch ongelooflijk triest en onnodig dat hij zo aan zijn eind is gekomen. Hij had net als ik een goede opvoeding gehad, woonde in een mooi huis... Hoe is het zo kunnen lopen?

“Intussen ben ik ervan overtuigd dat eenzaamheid het allerergste is. Waarom zou je nog decorum ophouden als je geen contact hebt met anderen, als je geen weerklank meer hebt? We hadden nochtans veel met elkaar gemeen. Hij was stukken asocialer dan ik, maar ook ik ben niet echt een groepsmens. Tenzij het om een groep gaat waar ik me veilig voel. Net als hij heb ik ook een afkeer van goede raad. Geef mij maar zelfredzaamheid. Maar mijn broer was veel eigenzinniger en radicaler dan ik. We leven nu eenmaal samen met anderen, ik zoek daar een middenweg in. Als je dat niet doet, kom je moederziel alleen te staan. Dat is gevaarlijk.”

Wat maakte dan dat Charlotte een redelijk normaal leven leidt, en Barend een outsider was? “Ik ben geboren met een vrolijke aard, kan genieten van de kleine dingen. Dat had mijn broer niet. Er bestaat een geestelijke toestand die anhedonie heet: niet in staat zijn tot genieten. Stel je even voor dat je dat hebt. De kunst van het genieten is het fijnste wat een mens kan hebben. Dat kost ook geen geld. Een wandeling van het strand naar het Maria-Hendrikapark in Oostende, en dan lekker iets eten, daar krijg ik nooit genoeg van. Als je dat kunt, dan heb je de wereld in een zandkorrel.

“Maar daartoe in staat zijn, is geen verdienste. Je kunt het namelijk niet leren of in een imperatief zetten. Kreten als ‘geniet nu toch eens!’ of ‘don’t worry, be happy!’ vind ik irritant. Dat soort van vriendelijke bevelen maken het niet beter voor iemand die op dat moment niet kan genieten. Krijgt-ie nog een verwijt naar z’n hoofd ook."

Blijven groeien

Ondanks de zware thema’s is Harnas van hansaplast een plezierige leeservaring. Mutsaers roept absurde beelden die je luidop doen lachen, of je van de wijs brengen. Overtreft de werkelijkheid de fictie of neemt ze toch een loopje met de lezer? Ondanks alle autobiografische elementen staat er op de cover niet dat het over een memoire gaat. Harnas van hansaplast is in de eerste plaats een roman.

“Het boek is literair opgebouwd. Een heleboel feiten kloppen, inderdaad, al is het maar wat je onder kloppen verstaat. Het gaat erom hoe ík die dingen heb beleefd. En daarbij speelt de verbeelding een rol.”

Ik herinner haar aan de scène waarin een psychiater haar op 25-jarige leeftijd hoogsensitief verklaart – wat in theorie niet kan, want de term HSP (ze legt zelf de link Hansaplast) werd pas op het eind van de jaren 90 bedacht. Mutsaers schrijft dat ze boos is vanwege het label, uit balorigheid haar handen onder haar voeten steekt en als een dubbelgeplooide kwelduivel de deur uitwandelt. Ze schatert het uit. “Vraag jij je maar af of ik dat echt heb gedaan. Dat soort verwarring vind ik geestig.”

‘Toegegeven,’ schrijft ze, ‘ik ben geboren met wijd open zenuwen zodat alles spijkerhard en ongefilterd bij me binnenkomt en me soms achterlaat in een staat van hulpeloosheid.’

Hoe staat ze vandaag tegenover die hoogsensitiviteit? “Het heeft voordelen, zoals dat genieten. Maar de negatieve prikkels komen natuurlijk navenant hard aan. Als ik op Facebook een filmpje zie van olifanten die in Afrika in een val liggen te creperen, dan moet ik dat wegklikken. Tijdens nieuwsuitzendingen sluit ik mijn ogen als er vreselijke beelden worden getoond. Ik steun dierenorganisaties, heb een abonnement op het tijdschrift van de Fondation Bardot, maar eigenlijk kan ik die ellende niet aan. Ik hoef maar één beeld te zien en het verlaat me nooit meer. Ik wou dat ik daar een harnas voor had, want met een pleister zal het niet lukken.”

Ze verliest er haar gevoel voor humor niet bij. “Dat zit in mijn wezen gebakken”, zegt ze. “Het is er niet uit te krijgen. Ik heb altijd een bloedhekel gehad aan cynisme en ironie, maar humor komt vanzelf.”

Dat ze zich in deze tijden van politieke correctheid vrolijk kan maken om anderen, werkt op een bepaalde manier ontspannend. ‘En zie ik een harp met een langharige blondine die kwijnend aan de snaren hangt, dan moet ik maken dat ik wegkom eer ik iets ergs bega’ werkt danig op de lachspieren. “Men noemt dat vooroordelen, maar waarom zou ik dat niet mogen zeggen? Voor mij staat het voor alles wat me niet zint in een bepaalde vorm van vrouwelijkheid.”

Anarchiste pur sang

Ze haalt een luchtharp boven, trekt er een gezicht bij. “Mijn hele leven al kijk ik met ontzetting naar die vrouwen en voel ik moordlust opkomen. Is dat erg? Ik doe het toch niet? Dat is toch het grote verschil? Ik zaai toch geen haat? Misschien dat dat in de krant nu zo overkomt, maar ik denk niet dat er mensen zijn die dat zomaar van me zullen overnemen. (lacht)

“Bepaalde mensen of dingen niet kunnen uitstaan hoort nu eenmaal bij ons. Wist je dat honden ook sterke voorkeuren hebben? Hoe je het ook noemt, intuïtie, vooroordeel of stereotype, ieder levend wezen discrimineert van in de wieg. Dat je diep vanbinnen voorkeuren hebt, betekent overigens niet dat je als mens je kritische blik niet kunt behouden. Maar mocht je die voorkeuren niet hebben, hoe zou je dan in hemelsnaam verliefd kunnen worden?”

Niet voor niets noemt haar goede vriend Arnon Grunberg haar in het middenwoord van Het grote Charlotte Mutsaers-kleurboek voor niet-volwassenen een anarchiste pur sang. Een ontregelaar. Ze glundert. “Ik ben een omgekeerde verkeersagent, inderdaad. En reken maar dat het agent zijn er ook inzit.”

Op het grote feest dat uitgeverij DasMag organiseert ter ere van de jarige, zal behalve haar roman en een kleurboek van haar werk ook haar muzikaal debuut Rikkelrak worden gepresenteerd. Dat deed ze samen met muzikant Louis Gauthier, die arrangementen schreef voor haar gedichten uit haar laatste poëziebundel Dooier op drift. Ze was dan ook de eerste auteur die in 2014 bij hen tekende, vertrok voor hen bij De Bezige Bij. Ze wil er niet veel over kwijt, behalve dat ze er gelukkig is. “Ik heb mijn hart laten spreken, en dat hart heeft altijd gelijk. Het is leuk om met jonge mensen te kunnen werken. Ik geniet ervan. Dat alleen al stimuleert het schrijven.”

"Als ik grote zorgen of angsten heb, kom ik door het schrijven in een andere sfeer. Mooi vind ik dat." Beeld Karoly Effenberger

Het is enigszins vreemd om die woorden te horen uit de mond van de winnaar van de PC Hooftprijs. Of ze het gevoel heeft dat ze nog groeit als schrijver? “Een mens stopt nooit met groeien, al kun je natuurlijk ook scheef groeien. Elk boek brengt wel iets mee. Een paar blaadjes of takken die we nog niet hebben gezien... (denkt na) Vandaag wordt er in Nederland gedebatteerd over de mogelijkheid tot euthanasie bij een voltooid leven. Wat is dat nu voor onzin? Een leven is nooit voltooid, het blijft een boeiend en levendig proces. Dat is misschien het goede van sterven in het harnas. Dat je al groeiende sterft. En dat je nagels en je haar nog even doorgroeien als je al in je kist ligt.”

Ze kijkt me aan. Pretlichtjes. Het is tijd om het over waanzin te hebben.

Outsiderkunst

De ijzigheid waarmee haar moeder met haar omging, loopt als een rode draad door het werk van Mutsaers. Ook hier, in Harnas van hansaplast, gaat ze er dieper op in. Maar op geen enkel moment hengelt ze naar het medelijden van de lezer. Of van iemand anders. ‘Ik ben geen trauma, ik heb een trauma’, snauwt ze in het boek haar psychiater toe. Dat ze als kind niet gekoesterd werd – moeder vond haar ‘raar’ – heeft diepe littekens nagelaten.

Uiteindelijk zouden die trauma’s en haar angsten de fundamenten van haar artistieke carrière vormen. Eerst in haar beeldend werk, daarna in haar pennenvruchten. Hoewel Charlotte Mutsaers pas op haar 40ste begon te publiceren, ontdekte ze de kracht van taal al op het gymnasium. “Tijdens het maken van opstellen en artikels voor de schoolkrant ondervond ik hoe je al schrijvend helemaal in iets kon verdwijnen. Heerlijk vond ik dat. Je mag niet zeggen dat schrijven therapeutisch is, maar dat is het natuurlijk wel. Als ik grote zorgen of angsten heb, kom ik door het schrijven in een andere sfeer. Mooi vind ik dat.”

Het is ook geen toeval dat ze een zwak heeft voor outsider art of art brut, kunst gemaakt door psychiatrische patiënten. Ze is een groot bewonderaarster van het werk van de Zwitserse beeldende kunstenaar Adolf Wölfli, die rond 1900 aan zijn artistieke loopbaan begon. Wölfli leed aan schizofrenie en woonde het grootste deel van zijn leven in een instelling. Daar produceerde hij een omvangrijk oeuvre van tekeningen, collages en dagboeken. In de essaybundel Pedante pendules en andere wekkers (2010) schreef ze hem een brief waarin ze hem een angstkunstenaar noemt. ‘Maar zijn dat onder de kunstenaars niet de beste?’ En verder: ‘Echt vangen, echt treffen, echt raken, echt vastleggen kan alleen diegene die zelf ooit werd gevangen, getroffen, geraakt of vastgelegd.’

“Men kijkt neer op outsiderkunst omdat het niet aan de regels van de kunst beantwoordt. Onterecht, want het is de bedoeling dat kunst van binnenuit komt, dat het aan de zijlijn ontstaat in plaats vanuit een mode.”

En dan is er die broodtrommel die zo naar de Prinzhorn-collectie kan, een verzameling van kunst gemaakt door mensen die in de psychiatrie verbleven. De broodtrommel zat propvol met door Barend beschreven snippers papier. Dat dwangmatige herkent ze ook bij zichzelf. “Ik ben dwangmatig in rituelen”, knikt ze. “Dat had ik als kind al. Je zou het een soort van magisch denken kunnen noemen. Als ik in een douchecel een klein zwart dingetje zie ter grootte van een punt, zie ik dat als een bedreiging, het moet er meteen uit. Ik had ook iets met het getal drie. Alles moest deelbaar zijn door drie, tot het aantal stappen die ik nam op de trap. Ik heb mezelf om die reden ook achterwaarts leren spreken.”

Hoezeer ik me ook afvraag of Barend bipolair was, of hij misschien asperger had, naar een diagnose durf ik niet te vragen. Ik ben bang dat ze, haar hekel aan labels indachtig, haar handen onder haar voeten zal steken en de kamer uit beent.

Maar de vraag of ze intussen weet hoe het komt dat hij is afgegleden en zij niet, komt telkens weer naar boven. Opnieuw: waar ging het mis met Barend? Charlotte Mutsaers kijkt naar buiten. “Ik denk dat we dat nooit zullen weten. Hij had het potentieel, maar het is er niet uitgekomen. Je kunt creatief en vindingrijk zijn, maar de factoren in je leven moeten ook gunstig zijn. Is dat niet het geval, dan komt er niets tot stand. (zwijgt) Je hebt die dingen niet altijd in handen. Door dit alles besef ik eens te meer wat een godsgeschenk het is om je leven op de rails te hebben. Het kan zo snel ontsporen. We nemen te snel afstand van zwervers of andere mensen die in een sukkelstraatje belanden. Ik had daar ook kunnen zitten, denk ik dan. We hebben het allemaal in ons.”

Charlotte Mutsaers, Harnas van hansaplast, DasMag, 20,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234