Woensdag 05/08/2020
Cees Nooteboom. ‘Altijd weer duikt die oorlog op, al kan ik er nauwelijks de vinger op leggen waar het vandaan komt, zo bijna tachtig jaar na datum.’

InterviewBoeken

Cees Nooteboom: ‘Zo’n vliegtuig, daar wil ik helemaal niet meer in’

Cees Nooteboom. ‘Altijd weer duikt die oorlog op, al kan ik er nauwelijks de vinger op leggen waar het vandaan komt, zo bijna tachtig jaar na datum.’Beeld Franky Verdickt

Ook Cees Nooteboom (86) voelde zich omsingeld door ‘het geheimzinnige virus’. Hij gaf het een plek in zijn dichtbundel Afscheid. ‘Toen ik uit het ziekenhuis stapte, besefte ik: de wereld is voorgoed veranderd.’

‘Een reiziger ben ik, die op weg is naar rust’, zo luidde het in 1982 in de dichtbundel Aas. Heeft de eeuwig zwervende Cees Nooteboom inmiddels rust gevonden? Niet helemaal. Maar hij beseft wél dat zijn nomadische leven abrupt en wellicht voorgoed tot stilstand is gekomen. “Ik word op 31 juli 87 jaar, dan denk je stilaan ook wel: moet ik daar nu écht nog heen? En neem ik het risico om op zo’n overvol vliegtuig te stappen?”

“Rond de jaarwisseling verblijven we vaak in Zuid-Duitsland, bij vrienden in de Allgäu, niet zo ver van het Bodenmeer”, zo vertelt Nooteboom vanuit zijn retraite-oord. “Maar toen werd ik ziek – het had helemaal niets met corona te maken, hoor – en moest ik er blijven. Zo belandde ik uiteindelijk voor het eerst in een ziekenhuis in München, op mijn zesentachtigste. Daar lag ik dan. En dan heb je wel tijd om na te denken. Ik mocht in het ziekenhuis geen bezoek krijgen van mijn vrouw, in feite van niemand. Intussen begon die pandemie werkelijk op te komen. Toen ik uit dat ziekenhuis stapte, besefte ik dat de wereld voorgoed veranderd was. Ik zag vanuit de auto hoe München helemaal leeg leek. Adembenemend rustig, om het zo maar te zeggen. Toen ik naar het ziekenhuis was vertrokken, was de stad nog helemaal vol!”

Op een billboard las Nooteboom de vraag ‘Begint hier het hiernamaals?’. “Dat verzin je toch niet? Maar ik had verder het geluk dat ik kon uitzieken en de quarantaine doorbrengen in dat prachtige huis vol boeken, midden in de natuur. Zoals een Amerikaanse vriendin het schreef: ‘Je hebt het helemaal goed uitgedokterd, je zit daar geïsoleerd én in een bibliotheek.’ En inderdaad, daar staat wel een en ander. In twee eeuwen ben ik nog niet klaar met lezen. Als ik die bibliotheek naar mijn huis in Amsterdam zou moeten overbrengen, moet ik twee verdiepingen laten bijbouwen.” (lacht)

Het was ook daar, in dat statige huis van de uitgeversfamilie Landshoff, dat Nooteboom zijn nieuwste dichtbundel afwerkte, met de bijna omineuze titel Afscheid. “Een vriendin belde me meteen toen ze het boek kreeg: ‘Jij gaat toch echt niet dood?’ Ja, dat is natuurlijk altijd een risico”, grinnikt Noote­boom.

Toch is dit niet echt een droefgeestige cyclus, al spoken er veel flarden uit een ver verleden rond, net als heftige dromen. En er is er de ‘oorlog die altijd weer terugkwam, / een gast die iedereen kende’.

“Ik ben ook niet echt een droevig iemand. Kijk, mijn eerste dichtbundel uit 1955 heette De doden zoeken een huis, en toen was ik 22 jaar. De dood vormde steeds een leidend thema in mijn oeuvre. Ik zeg altijd maar: je kunt er beter maar over nadenken terwijl het nog kan. Als ik straks dood ben, gaat dat immers niet meer. Al benijd ik wel de mensen die er nooit over tobben en erg verrast worden als het dan toch gebeurt. Ach, er gaan veel mensen dood die wat mij betreft nog lang hadden kunnen leven. Zoals Hugo Claus. Ik mis hem, hoor.”

Kribbig

Afscheid mag dan wel als ondertitel dragen ‘Gedicht uit de tijd van het virus’, de reeks gedichten is wel degelijk ontstaan in Spanje, in het late najaar, op het terras van zijn huis in Menorca. Bijna niemand had toen al van Covid-19 gehoord. De mediterrane sfeer resoneert.

“De omgeving van mijn tuin, de cactussen waar ik zo op gesteld ben, de palmen die ik er zelf ooit plantte… Dat was het startpunt. En er was de vorm, die ik al eerder in de bundel Monniksoog (2016) op exact dezelfde manier heb aangewend.” Nooteboom houdt eventjes rekenles: ‘Zou het de critici zijn opgevallen dat het om 33 gedichten gaat in drie delen van elf gedichten van drie maal vier regels, mét telkens iets wat daarna komt: een kleine frappe? Die vorm is me destijds op Schiermonnikoog ingevallen, een heel ander principe dan mijn vroegere poëzie.”

De pointe vormt vaak een contrapunt, of zet het gedicht weer op losse schroeven. Maar zeker is dat Nooteboom ter harte neemt, wat hij in zelf in 533 (2016) over collega-dichters als Lucebert noteerde: ‘Sommige dichters hebben dat, een druïdische zingzang waardoor je weet dat wat je hoort in orde is. Je laat je meewiegen op een stem en een ritme omdat je weet dat die stem bij iemand hoort die volstrekt zeker is van zichzelf en zich in zijn eigen universum bevindt.’ Zo is het ook in Afscheid. Nooteboom laat je meedeinen, van de eerste tot de laatste regel.

Maar, zoals Nooteboom in zijn nawoord opmerkt, ‘poëzie handelt soms naar willekeur’. Zo kreeg hij tijdens het schrijfproces een map met tekeningen in handen van zijn vriend, de schilder Max Neumann. Waarna er beelden van verwrongen hoofden in de gedichten binnenslopen. Nog later was er ‘dat geheimzinnige virus’, dat alles weer een andere kant op dreef. “Het zou vreemd zijn als het gedicht zich daar niets van zou aantrekken.” Maar kan een dichter al zo snel reflecteren op iets wat nog volop gaande is? Is daarvoor niet meer afstand nodig? Nooteboom pruttelt tegen, plots een tikje kribbig: “De tijd van het virus is niet de waan van de dag. Het is de werkelijkheid van de dag geworden én het gaat niet zomaar weg.”

De titel Afscheid suggereert natuurlijk een adieu, een afronding. Of minstens een vorm van balans opmaken. Of toch eerder ‘een meditatie, een volgende nooteboomiaanse oefening in verdwijnen’, zoals Margot Dijkgraaf het treffend in NRC-Handelsblad omschreef. ‘Het einde van het einde, wat kon dat zijn?’, staat er bij de aanvang. Huub Beurskens schreef in een recensie in DWB: ‘Er zit veel mededogen in deze afscheidspoëzie van Nooteboom en ook angst voor de niet-aflatende wreedaardigheid van medemensen.’

Spokende herinneringen

Want ja, de oorlog duikt in verschillende gedaanten op. “Altijd weer”, zucht hij, “al kan ik er nauwelijks de vinger op leggen waar het vandaan komt, zo bijna tachtig jaar na datum.” Als jongetje van zeven moest hij op 10 mei 1940 van zijn vader vanaf hun balkon naar de landende Duitse parachutisten kijken. Nootebooms vader kwam in februari 1945 om bij een bombardement in Den Haag, zijn ouders waren toen al gescheiden. “Terwijl ik vanwege de hongerwinter naar de Veluwe was gestuurd. Ik wist er ook helemaal niets meer van. Die oorlogsherinneringen spoken, je hebt het ooit gezien en meegemaakt, en als een soort exorcisme probeer je ze voorgoed uit te drijven. Maar dat lukt niet zo goed.

“Een meisje dat zich tussen de deuren van een goederenwagon bevond, ‘laatste blik op de wereld’. Hoe heette ze, welk meisje was dat? Of al die wachtende Nederlanders die zich keurig hebben aangekleed met das en in pak, je zag dat ze snel de koffers hadden gepakt. Ze dachten dat ze ergens heengingen. En dan werden ze in goederenwagons gepropt en twee dagen later waren ze naakt, uitgekleed en vernietigd in een kamp. Die beelden blijven je achtervolgen, ja, al besef je op dat moment niet wat je precies hebt gezien.”

Cees Nooteboom. ‘Weet je dat ik nog altijd geen smartphone heb? Mij kun je niet zomaar te pakken krijgen. Ik word niet gestoord.'Beeld ID / Franky Verdickt

Het geheugen en Nooteboom, het is een altijddurende rondedans. ‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’, zo luidt de vaak geciteerde zin uit zijn roman Rituelen. Toen ik Nooteboom een paar jaar geleden sprak, in zijn huis in Amsterdam, hadden we het ook al over dat wispelturige geheugen. Met veel gevoel voor aforistische kernachtigheid klonk het toen: ‘Ik onthoud wat andere mensen vergeten maar ik vergeet wat andere mensen onthouden.’ Daarmee doelde hij op zijn vermogen om vooral literaire citaten en schijnbare onbeduidendheden weer uit zijn geest op te takelen.

Ik leg hem het citaat opnieuw voor en vraag hoe het intussen met zijn geheugen staat. “Ik onthoud wat mensen geschreven hebben, maar niet noodzakelijk wat ikzelf heb geschreven en gezegd”, voegt hij daar nu aan toe. “Toen ik onlangs in het radioprogramma De taalstaat zat, las men mij fragmenten voor uit mijn debuutroman Philip en de anderen (1955). Dat was eindeloos ver weg, dat leek geschreven door een andere auteur.”

En zo’n dichtbundel die net is afgerond, kan hij zich die dan snel voor de geest halen of misschien zelfs reciteren? “Dat kan ik sowieso niet. Mijn vriend Rüdiger Safranski (Duitse filosoof, DL) leert elke dag een gedicht uit zijn hoofd, bij wijze van discipline. Had ik dat ook maar gedaan! Ik was altijd zeer onder de indruk van die Russische dichters op Poetry International, zoals Joseph Brodsky. Die konden hele lappen poëzie uit hun hoofd voordragen. Prachtig! Een discipline die nu niet meer voorkomt.”

Nu lezen dichters voor vanaf hun smartphone, gooi ik ertussen. “Wacht”, zegt hij, “Slauerhoff ken ik wel uit het hoofd. (reciteert het hele gedicht ‘O engeitado’) De regels galmen: “‘Ik voel mij van binnen bederven, / Nu weet ik waaraan ik zal sterven: / Aan de oevers van de Taag.’

“Zo’n verrassende wending, dat vergeet je toch nooit meer?”

Plakboek

‘Ik ben niet bang voor geheimzinnigheid in taal’, heeft Nooteboom al meermaals geponeerd. Toch kun je geenszins zeggen dat hij een hermetisch schrijver is. Heeft hij een gedroomde lezer en houdt hij die voor ogen? “Daar ben ik niet echt mee bezig. Maar natuurlijk stuit je op literaire kritieken die je optillen en waardoor je je begrepen voelt. Al las ik ook wel eens recensies van mensen die er werkelijk niets van begrepen.”

Kijk, zegt hij, plots weer in instructiemodus. “Ik maak altijd een onderscheid tussen vier soorten kritieken: goede/slechte, slechte/goede, goede/goe-de én slechte/slechte. Begrijpt u wat ik bedoel?” Euh, enigszins. Maar misschien toch even verduidelijken? “Iemand kan bijvoorbeeld uitstekend schrijven, terwijl hij niets van een boek snapt of niet in staat is aandachtig te lezen: dat zijn dan de zogenaamde ‘goede/slechte’ kritieken. Of omgekeerd: iemand kan belabberd schrijven, maar hij begrijpt wel het boek, dat zijn dan de slechte/goede. (schatert) Ja, ik heb zo mijn persoonlijke typologieën. Toen ik begon, in de jaren vijftig, hield ik mijn kritieken bij in een plakboek. Dat was opwindend, want je kreeg toen best veel recensies voor een boek. Nu mag je blij zijn – ja, zelfs ik – als je drie à vier stukken krijgt.”

Nooteboom heeft wereldwijd lofprijzingen verzameld – van de Prijs der Nederlandse Letteren tot de Goetheprijs – en zijn naam circuleert al eens als kandidaat voor de Nobelprijs Literatuur, hij krijgt nog steeds nieuwe eredoctoraten. Nog deze week ontving hij het Österreichische Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst. En toch laat literaire kritiek hem niet onberoerd. “Tja, het zou wel heel raar zijn om te zeggen dat je er niks om geeft. Ik hoor niet bij het slag schrijvers dat zegt: ‘Nou, kritieken, ik lees ze niet.’ Want ik lees ze wel degelijk. Als iemand je boek onderuithaalt, dan vind ik dat nog steeds geen leuk gevoel. Als dat dan de verkoop van het boek schaadt, dan is dat extra vervelend. Ik heb nooit een vaste baan gehad, terwijl nogal wat schrijvers in de academische wereld zitten. Dus dan moet je wel voor jezelf én voor je boeken zorgen.”

Maar, vervolgt hij, “vreemd genoeg kan pakweg een negatieve kritiek uit Italië of Spanje me minder schelen dan als er bijvoorbeeld een slechte recensie in het Utrechts Nieuwsblad of een andere Nederlandse krant verschijnt. Tja, je komt nog altijd ergens vandaan en dat hakt er net iets meer in. Ook in De Standaard en De Morgen is het heus wel eens gebeurd. En dat merk je op, het is dichterbij en in je eigen taal. Ik heb wel nooit gereageerd, wat dacht je?”

In het najaar golft er hem alweer een nieuwe, prestigieuze onderscheiding toe: de Spaanse Premio Formentor de Las Letras, waarde 50.000 euro. Op de erelijst wordt Nooteboom voorafgegaan door grote namen als Saul Bellow, Jorge Luis Borges, Annie Ernaux en Samuel Beckett. ‘Als waarnemer en beschouwer van de belangrijkste momenten in de Europese geschiedenis is hij zich bewust van de dilemma’s waar het continent voor staat’, vond de jury.

Welvaart onderuit

“Het was zowat het eerste wat ik hoorde toen ik uit het ziekenhuis werd ontslagen”, zegt Nooteboom. “Deze prijs wordt in september op Mallorca uitgereikt. Ik heb alvast het dankwoord geschreven, maar weet nog niet of ik het daar kan uitspreken.”

Plots dwalen zijn gedachten weer af naar de coronapandemie. (‘Sorry als ik soms wat afwijk’, zegt Nooteboom af en toe). En de gevolgen voor het toerisme. “Ik zag de beelden van de eerste toeristen die naar Mallorca teruggingen, maar ook van lokale mensen die nu eens heerlijk op hun eigen strand konden liggen. Maar als de toeristen straks niet massaal komen, dan gaat de welvaart er helemaal onderuit. In Griekenland hetzelfde verhaal. Zo zit de wereld vol vreemde paradoxen.

Cees Nooteboom. ‘Als ik nog maar één reis zou mogen maken, dan zou ik die tempel in Japan nog eens willen zien, in de buurt van Kyoto, Kozan-Ji, waar ik schitterende dierentekeningen uit 1200 zag.'Beeld ID / Franky Verdickt

“Ik zag ook beelden van een vliegtuig van Lufthansa, de maatschappij die nu gered wordt door het geld van de belastingbetaler. En dat vliegtuig zat helemaal vol, met zes mensen op een rij, met een gangpad ertussen. Die zaten letterlijk bovenop elkaar. Dat zijn dan dezelfde mensen aan wie in de supermarkt wordt gevraagd anderhalve meter afstand te houden. Als ik dat zie, dan denk ik, zo’n vliegtuig, nee, daar wil ik helemaal niet meer in!”

De pandemie houdt hem bezig, omdat ze ook nieuwe vormen van menselijk gedrag blootlegt. ‘Als er iets is dat me bij zal blijven van deze pandemie is het de stille oorlog van wachten, schuifelen, de dodelijke blikken. Ooit zal een groot balletmeester [hiermee] een geniale choreografie ontwerpen’, schreef hij in een bevlogen essay in NRC. En dan was er de rij, ‘zoiets als een lange zin waarin allerlei woorden zijn weggevallen’. Nooteboom: “Dat schrijf ik wel op, ja. Dat zie ik als ik in Duitsland naar de markt ga. Ik ben oud maar ik zie gewoon alles. En die pandemie blijft op verschillende manieren in onze hoofden zitten. Dit gaat niet verdwijnen. Ach, ik ben en blijf redelijk geprivilegieerd, al lag ik dan even in een ziekenhuis. Ik hoefde bijvoorbeeld niet via de computer les te geven. En ik denk aan al die mensen die in zeer moeilijke omstandigheden hebben moeten werken.”

Nooteboom woont afwisselend op drie verschillende plekken, in Amsterdam, in zijn huis in Menorca en in de winter dus in de Allgäu. Tot voor kort was hij nog altijd vaak onderweg. Maar hij beseft ook dat – op de drempel van zijn 87ste – zijn reislust door corona wellicht voorgoed gedwarsboomd wordt. “Op 22 mei had ik in Tokio moeten staan. Een Catalaanse componist, Benet Casablancas, heeft een muziekstuk gemaakt naar aanleiding van mijn reisboek De omweg naar Santiago.

“Het ging ooit in première in Maastricht en intussen is het boek ook in het Spaans vertaald. In de Spaanse ambassade in Tokio zou er een opvoering zijn van de compositie. Dat is dus niet doorgegaan. Maar ja, ik word 87 jaar, dan denk je langzamerhand, moet ik daar nog wel heen?”

Al zijn er veel plekken waaraan hij gehecht is en waarnaar hij zou willen terugkeren, zoals Peru en New York. Stel dat hij nog maar één bestemming mocht kiezen, welke zou dat zijn? “Nou ja, dat zou een tempel zijn in Japan, in de buurt van Kyoto. Kozan-Ji, waar ik schitterende dierentekeningen uit 1200 zag. Verrassend modern, een wonder van techniek, alsof iemand uit de tijd gestapt is.”

Plekken waar de tijd afwezig is, waar hij onbereikbaar en onvindbaar is. “Weet je dat ik nog steeds geen smartphone heb? Mij kun je niet zomaar te pakken krijgen. Mijn vrouw wel, maar dat is kennelijk toch een omweg die de mensen niet nemen. Ik word niet gestoord. Ik ben onderweg dus niet bezig met mijn duim en mijn vingertjes, zoals zoveel mensen die per seconde dat wereldnieuws zitten te volgen. Dat is een groot verlies van tijd, lijkt me. Ik hoor het nieuws later wel, hoor. Als je ’s morgens naar Klara luistert en ’s avonds naar de Spaanse televisie en dan nog eens naar Nieuwsuur (Nederlands actualiteitenprogramma, red.) kijkt, met daarbij een hoop buitenlandse kranten, ja, dan weet je toch genoeg? Ik hoef niet de hele dag gevoed te worden, laat ik het zo maar zeggen.”

Revoluties

Wereldzwerver Nooteboom stond met zijn neus op allerlei revoluties. Boedapest 1956, mei 1968 in Parijs, de val van de Berlijnse Muur in 1989. En hij was in Mali en Bolivia, noem maar op, het valt allemaal na te lezen in zijn immense oeuvre. En nu beweegt er van alles rondom Black Lives Matter en is er Trump die de Verenigde Staten heftig verdeelt; er is bovendien de klimaatcrisis. Er lijkt wel iets onstelpbaar kolkends aan de gang. Jeuken zijn vingers toch niet om daar op de eerste rij post te vatten?

“Ik heb veel demonstraties gezien in mijn leven en me vaak ergens over opgewonden, maar dat zie ik nu niet meteen meer gebeuren. Ik heb wel de kwetsbaarheid en veranderlijkheid van alles altijd in het oog gehouden.”

Het is een van Nootebooms lijfspreuken gebleven: onzichtbaarheid is de beste garantie voor waarneming. Hij kijkt en observeert. Maar heeft zelden een in steen gebeitelde mening klaar. Liever schrijft er hij haast mediterend en aftastend over. “Soms is het beter geen betrokken partij te zijn. Kijk maar eens naar Marcel Proust. Proust is vaak weggezet als beschouwend en niet geëngageerd. Maar als je nu zijn A la recherche du temps perdu leest, begrijp je meer over de sociale en economische verhoudingen van die tijd dan uit eender welke historische studie. Hoe verfijnd hij de nuances en omgangsvormen van zijn tijd vatte, dat kan niemand evenaren.”

Tegelijk, vervolgt Nooteboom, heeft hij bewondering voor journalisten die het heetst van de strijd opzoeken. Zoals Boebie Brugsma, een vriend die tijdens de oorlog in het verzet en in de concentratiekampen van Neuengamme en Dachau heeft gezeten. “Hij wilde daarna journalist worden, maar hij had door de oorlog geen opleiding. Hij trok naar Afrika, volgde van nabij de Algerijnse vrijheidsoorlog. En hij zei me toen al, lang voor ik er zelf heen ging: ‘Afrika, je hebt geen idee hoe erg het is. Op een dag komen ze.’ En inderdaad: nu komen ze! En ze wagen hun leven op de Middellandse Zee, uit lijfsbehoud. En wat vangen wij ermee aan? Als je al dat rechts-populisme ziet, dan ben je wel op je hoede.’

Dagboek gestolen

Voorzichtig pols ik wat er nu komt. Want echt op zijn lauweren rusten, dat is er niet bij. Nooteboom is bovendien geen planmatig schrijver, maar eerder het meanderende type. De krampachtigheid van ‘dat moet nog’ heeft hij evenmin. “Het ergste wat ik soms in overlijdensadvertenties zie, is als er staat: ‘Hij had nog zoveel willen doen.’ Waar ik wel veel plezier aan beleef, is aan het meditatieve schrijven – zoals ik in 533 heb bedreven. En als ik zo brutaal mag zijn, dat is een onderschat boek. Ik heb ook dagboeken van twee jaar geleden uitgetikt.”

Plannen daarmee?, vraag ik. “Nee, want er zijn hele periodes dat ik geen dagboeken bijhield. Bovendien is één dagboek uit een hele interessante periode uit mijn auto gestolen. Tweehonderd pagina’s in hele grote gebonden schriften, over mijn tijd in Parijs, met veel gesprekken met mensen die ik toen zag. Voorgoed verdwenen. Dat is een paar jaar geleden in de Spaanse Pyreneeën gebeurd. Ook mijn camera en andere spullen waren gestolen. Maar aan die dagboeken in het Nederlands konden de dieven weinig hebben. Mijn handschrift is sowieso al zeer moeilijk te lezen. Ik heb lang gehoopt dat het luie drugslui waren en dat ze die boel gewoon in de berm hadden gegooid.’

“Toen ben ik toch maar naar de politie gegaan. Dan zit je daar tegenover die man. En weet je wat? Dertig jaar geleden ben ik opgehouden met roken. Het trof me hoe die politieman precies mijn manier van roken had, met dat heen en weer lopen tussen elke trek. Vervolgens moest ik alle gestolen goederen opsommen. Tot ik bij het ‘dagboek’ kwam. (samenzweerderig) Je moet weten, dagboek is in het Spaans ‘diario’. Maar dat woord betekent ook ‘krant’. Zat die politieman zich maar af te vragen waarom ik me zo langdurig zat te beklagen over een gestolen krant (lacht). Hij aanhoorde me werkelijk met de grootste verbazing. Waarom was die krant zo belangrijk? En toen zei hij: ‘Zullen we dan maar zeggen: ‘sin valor’, ‘zonder waarde’? Ik heb het zo gelaten. Omdat ik het noodlot wel op waarde weet te schatten als het op mijn pad komt. Ik vind het een humoristisch verhaal van de eerste orde. Alleen jammer dat het mij moest overkomen.”

Cees Nooteboom

• geboren op 31 juli 1933 in Den Haag

• schrijver van romans, poëzie en reisverslagen

• Bekendste boek: Rituelen. Tot zijn immense en vaak vertaalde oeuvre behoren o.m. nog: Aas: gedichten, De omweg naar Santiago, 533

• winnaar van o.m. de P.C. Hooft-prijs (2004), de Prijs der Nederlandse Letteren (2009) en de Gouden uil (2010, voor ’s Nachts komen de vossen)

Cees Nooteboom, Afscheid, Koppernik, 56 p., 17 euro.Beeld De Bezige Bij
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234