Maandag 18/10/2021

review

‘Capriccio’ in het Muntpaleis: de opera als vanitas

null Beeld RV Bernd Uhlig
Beeld RV Bernd Uhlig

Het probleem van Richard Strauss’ opera “Capriccio” is bekend: hoe kun je een zelfreflecterend babbelstuk over muziek schrijven terwijl elders in je land beslist wordt over de organisatie van de Holocaust? In de productie uit Lyon die nu door de Munt op Tour & Taxis wordt gepresenteerd, heeft de Duits-Hongaarse regisseur David Marton een intelligente en subtiele oplossing gevonden.

Tijdens het verleidelijke strijksextet dat ‘Capriccio’ inleidt, daalt een kale gloeilamp neer. Suggereert zij intimiteit of naderend onheil? Als het doek opgaat, zien we een in de lengte doormidden gesneden hoftheatertje met toneel, orkestbak, parket en loges. Afbladderende wanden, antieke machinerie: een theater en een samenleving in ontbinding. De regisseur slapend in de zaal, de gravin in een loge, de componist en de dichter op het toneel, elkaar imiterend en spiegelend. Tot zover lijkt dit een genadig-kritische voorstelling te zullen worden, een discussie over de waarde van de opera in haar laatste dagen als spiegel van de ondergaande (Duitse) cultuur. Het siert Marton dat hij het daar niet bij laat maar ons bij elk detail wat meer binnenleidt in de complexiteit van het vraagstuk. Zo maakt hij duidelijk dat in Strauss’ muziek het ietwat versleten discours over wat er eerst komt, de woorden of de muziek, kunstig verweven is met de erotische spanning tussen de personages: tussen de gravin (Sally Matthews) en haar broer (Dietrich Henschel), tussen haar en de beide kunstenaars (Edgaras Montvidas als Flamand, de componist en Lauri Vasar als Olivier, de dichter), tussen de graaf en de actrice Clairon (Charlotte Hellekant), tussen de gravin en haar hofmeester (Christian Oldenburg). Hij duidt ook aan dat de grootsprakerige monoloog van regisseur La Roche (Kristinn Sigmundsson) een voorafbeelding is van de theatermakerretoriek van Thomas Bernhard. Maar vooral toont hij aan dat er doorheen heel het stuk een geur van perversie waait. En dan is er Monsieur Taupe (François Piolino): de souffleur is een verklikker die elk verdacht woord in zijn notaboekje kribbelt en die je, wanneer als bij toeval een paravent omvalt, de hoofden van danseressen ziet opmeten – wellicht om jodenneuzen op te sporen. Even later worden ze inderdaad met valies en al tussen vlammende glitters weggevoerd. Zo komt de Holocaust toch binnensluipen.

Wie zijn zij eigenlijk, die danseressen? Drie spiegelbeelden van de gravin, zo blijkt: als kind, als jong meisje en als oude vrouw. En dus wordt haar slotmonoloog een vanitas: de spiegel waarin de gravin kijkt, is haar oude zelf, haar vervallen lichaam. Dat oude zelf dirigeert niet meer de muziek of de liefde maar enkel de tientallen kamerplanten die het toneel hebben overwoekerd en waarin haar jeugd is verdwaald.

Het is verrassend dat je al die huiveringwekkende accenten die Marton zet, ook meent te herkennen in de orkestpartituur. Dat getuigt van de wederzijdse gevoeligheid waarmee hij en dirigent Lothar Koenigs het stuk hebben benaderd. En van de eenheid van tekst en muziek, uiteraard, het oppervlakkige thema van de opera. En van de eenheid van cultuur, ethiek en samenleving, ook in de ondergang ervan: het eigenlijke wezen van dit stuk.

Nog voorstellingen in het Muntpaleis op Tour & Taxis tot 16 november.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234