Zondag 22/09/2019

portret

Bryan Cranston: "Ik heb een enorme waaier aan ­emoties in me zitten"

Bryan Cranston. Beeld Brad Trent

Na jaren ploeteren maakte Breaking Bad van Bryan Cranston (62) plots een wereldster. Maar het verhaal dat zijn leven écht bepaalde, is dat van hem en zijn vader, die zijn gezin verliet. "Ik wilde geen ster worden", zegt de ster die nu zijn stem leent aan een straathond in Wes Andersons Isle of Dogs.

In een slobberige, witte onderbroek, achter het stuur van een op hol ­geslagen kampeerwagen. In die ietwat gênante toestand duikelde Bryan Cranston wellicht voor het eerst uw huiskamer en uw leven binnen. De scène in kwestie was zijn allereerste als Walter White in de tv-serie Breaking Bad. Cranston speelde daarin een doodbrave chemieleraar met een terminale kanker, die nog snel een erfenis voor zijn vrouw en kind bijeen wilde verdienen door zich om te scholen tot drugsbaron. Het werd voor Cranston de rol van de grote doorbraak – op zijn 52ste, wanneer de meeste acteurs al aan uitbollen beginnen te denken.

Fast forward naar tien jaar later. In een Berlijns hotel komt Bryan Cranston tegenover ons aan tafel zitten. Dankzij het tv-succes van Breaking Bad ligt hij vandaag ook in de filmwereld in de bovenste schuif. Zo bood sterregisseur Wes Anderson (Fantastic Mr. Fox, The Grand Budapest Hotel) hem een van de hoofdrollen aan in Isle of Dogs, een prachtige stopmotionfilm over een bende honden die op een vuilniseiland leeft. Cranston kruipt in de schurftige vacht van Chief, een eigenzinnige straathond die voortdurend waarschuwt dat hij bijt, maar stiekem verlangt naar een aaitje over zijn bol.

Bryan Cranston als Walter White in 'Breaking Bad'. Beeld rv

Flexibele stem

Een spreidstand die Cranston perfect voelbaar weet te maken met niets meer dan zijn flexibele stemgeluid: soms metaalachtig hard – herinner u hoe hij in Breaking Bad “I am the one who knocks!” snauwde, en huiver – maar vaak ook rustgevend diep, als een zachte zetel waarin je heerlijk ­onderuit kunt zakken.

Die stem in het echt mogen aanhoren, is een privilege, beseffen we al na tien seconden ­interview. Een mens zou bijna vragen vergeten te stellen, zo intrigerend en welgevormd klinkt elk woord.

Gelukkig maar dat onze ontmoeting op vrijdag plaatsheeft, en niet op maandag. Want op maandag zwijgt Bryan Cranston. Dan geeft hij geen kik. Zelfs niet tegen zijn vrouw. Die gewoonte ­creëerde hij om zijn stem te sparen, maar ook om het rustig te maken in zijn hoofd. Stil te staan bij wat écht de moeite is om uitgesproken te worden. Een vreemd ritueel misschien, maar wel eentje dat tekenend is voor Cranston: een man die altijd actief op zoek blijft naar evenwicht. Het evenwicht dat in zijn tienerjaren zo pijnlijk ontbrak.

Want als er iets is dat tot op de dag van vandaag het leven en werk van Bryan Cranston bepaalt, dan is het wel de moeilijke band met zijn vader. Pa en ma Cranston waren beiden acteurs. “Ze ­ontmoetten mekaar in Hollywood tijdens een acteercursus”, vertelt Cranston. Vooral vader Joe had grote dromen. “Hij wilde koste wat het kost een filmster worden.”

Maar die ambitie kon hij nooit waarmaken. Op zijn cv prijken een handvol tv-series en hier en daar een kleine bijrol in een film. Maar in de jaren 60 droogde zijn acteerwerk op. “Dat heeft hem gebroken”, beseft Cranston. Vader Joe wentelde zich in zelfmedelijden en boosheid. Hij was steeds minder thuis en begon zijn vrouw en drie kinderen te verwaarlozen. Totdat hij op een dag plots compleet van de radar verdween. De kleine Bryan was op dat moment elf. “Ik heb mijn vader tien jaar lang niet meer gezien”, vertelt hij.

De scheiding richtte zijn moeder ten gronde. Peggy Sell zonk weg in alcoholverslaving en depressie. Geld was er niet, Bryan en zijn broer en zus kregen een hele tijd alleen hotdogs en bonen te eten. En dan legde de bank beslag op hun huis.

Still uit 'Isle of dogs', met de schurftige straathond Chief, waar Cranston zijn stem aan leent. Beeld rv

“Plots stonden we op straat”, herinnert Cranston zich. “Mijn zus ging bij één oma wonen, mijn broer en ik trokken in bij de andere. We ­sliepen er op de bank.”

Een traumatische periode, die Cranston voor het leven heeft getekend. “Kijk, mijn jeugd valt uiteen in twee delen. Het begon allemaal heel stabiel, met twee erg betrokken ouders die een warm nest voor ons creëerden. Maar dan, op het kritische moment in mijn leven waarop ik stilaan aan mijn puberteit begon, stortte het kaartenhuisje helemaal in. En plots werd ik iemand anders. Een introverte, verlegen jongen. Want ik vertrouwde niemand meer. Het heeft jaren geduurd voordat ik me weer een beetje ging openstellen – tot in mijn twintiger jaren zelfs. Ik was gewoon shell-shocked door wat er gebeurd was.”

Zwart gat

Het gemak waarmee Cranston erover praat, doet vermoeden dat hij het intussen een plaats heeft kunnen geven. En toch: de frustratie en de boosheid sluimeren nog steeds onder het oppervlak. In de omgang mag Cranston dan uiterst zacht en galant zijn, hij beseft ook zelf dat er een zwart gat gaapt in zijn ziel. En precies dat is zijn geheime wapen als acteur.

“In mijn beroep zijn je eigen ervaringen de belangrijkste instrumenten waarover je beschikt, en ik heb het geluk dat ik een enorme waaier aan emoties in mij heb zitten. Ik hoef maar even te graven, en ik kan in een vingerknip woede of kwetsbaarheid naar boven halen. Dat is niet alleen praktisch, het doet me ook goed: het is een vorm van therapie.”

Als u dus naar Breaking Bad kijkt en Walter White in giftige razernij ziet ­uitbarsten, weet dan dat Cranston meer dan waarschijnlijk heel intens aan zijn vader aan het denken is.

Ook voor Isle of Dogs kon Cranston zich op zijn turbulente jeugd beroepen. “Chief is een straathond, hij heeft geen thuis. Dat heb ik als kind zelf meegemaakt – gelukkig maar tijdelijk. Daardoor kon ik me heel gemakkelijk in Chief inleven. Ik heb hem nooit als een hond bekeken, maar als een gekwetste mens.”

Op zijn 21ste vond Cranston het genoeg geweest: hij moest en zou zijn vader terugvinden. Samen met zijn twee jaar oudere broer trok hij erop uit. Ze hadden een vaag idee van waar hij ­uithing, en al snel was de reünie een feit. Gemakkelijk verliep die niet. Na wat gepalaver over acteren – Bryan had net besloten dat ook hij daarmee zijn brood wilde verdienen – kwamen de verwijten, de vragen en de pijn. “Mijn vader was vooral erg beschaamd. Hij besefte heel goed dat hij het verknald had.”

De schade ongedaan maken kon niet meer, maar dat vader Cranston spijt betoonde, gaf Bryan en zijn broer een zekere berusting. In 2014 overleed Joe Cranston op 90-jarige leeftijd. Vlak voor zijn dood nam hij pen en papier, en schreef hij: “Het mooiste moment van mijn leven was toen mijn kinderen me vergaven.”

Monsterslang

In zijn beginjaren als acteur leek het met Bryan Cranston dezelfde kant op te gaan als met zijn vader: anoniem ploeterend in de middenmoot, met kleine bijrolletjes als dokter of politieagent in middelmatige tv-series, of als stemacteur voor de gedubde versies van Japanse anime-reeksen. Tikt u op YouTube eens ‘Bryan Cranston Snizzard’ in. Zo komt u uit bij een scène uit de Japanse nineties-serie Mighty Morphin Power Rangers, waarin onze kleurrijke helden een knullig uitziende monsterslang bekampen. “Goodbyeeee, Power Rangers”, sist ze nijdig. Komt dat stemgeluid u bekend voor? Ja hoor: Bryan Cranston.

Veel glamour of erkenning was er in die jaren dus niet weggelegd voor Cranston, maar dat liet hij niet aan zijn hart komen. Hij had geleerd uit de fouten van zijn vader, en benaderde zijn beroep met een radicaal andere mentaliteit. “Ik wilde geen ster worden,” legt hij uit, “om het succes was het mij nooit te doen. Mijn enige doel was: mijn kost ­verdienen als acteur. En dat is me sinds mijn 25ste altijd gelukt.”

Standvastigheid, daar ging het voor Cranston om. De chaos van zijn tienerjaren achter zich laten. Zeker toen hij ook zelf vader werd. In 1993 kreeg hij een dochter, Taylor. Zij zou een stabiele thuis krijgen, en altijd brood op de plank. Als dat betekende dat vader naast zijn artistieke werk ook in reclamespots moest acteren, dan was dat maar zo. Zelfs als Cranston aambeiencrème moest aanprijzen – ook daarvan vindt u bewijsmateriaal op YouTube –, dan deed hij dat met de glimlach. Hij schaamt er zich nog steeds niet voor. “Ik heb echt alles gedaan in mijn carrière, en daar heb ik geen spijt van. Als beginnende acteurs me om raad vragen, zeg ik hen: neem in eerste instantie elke opdracht aan die je kunt ­krijgen. Ook al vind je de rol maar niets, er valt altijd iets te leren. Zo verfijn je je smaak en ontdek je wat je echt wilt.”

Maar als Cranston het succes niet zelf opzocht, dan kwam het succes wel naar hem toe. Geleidelijk aan weliswaar, en pas laat in zijn carrière. Bijna 40 was hij toen hij voor het eerst zijn opwachting mocht maken in de populaire sitcom Seinfeld, als de eigenwijze tandarts Tim Whatley. In 1998 gaf Steven Spielberg hem een klein rolletje als kolonel in zijn oorlogsfilm Saving Private Ryan. Maar zijn tot dan toe grootste rol kreeg Cranston in 2000 op het kleine scherm: hij schitterde tot 2006 in de komische serie Malcolm in the Middle als Hal, de lichtjes onvolwassen pater familias van een kroostrijk gezin. De bekendheid waar zijn eigen vader altijd van gedroomd had, verwierf Bryan uitgerekend door een lieve, toegewijde papa te spelen. Het lot kan ironisch zijn.

Racist met ontploft hoofd

Dankzij Malcolm in the Middle was Cranston dan wel beroemd geworden, echt ernstig werd hij nog altijd niet genomen. Hij was in de ogen van velen een nar – een hele goeie nar, maar toch. Dat hij in 2008 de rol van Walter White binnenhaalde, was dan ook allesbehalve evident.

De bazen van betaalzender AMC, dat Breaking Bad produceerde, zagen in Cranston immers nog steeds de onnozele hals die zich in Malcolm in the Middle volledig liet behangen met 75.000 bijen – om maar een van zijn vele domme stunts te ­noemen. Gelukkig voor Cranston was er die ene ­aflevering van The X-Files, waarin hij enkele jaren voordien een vervaarlijke racist had gespeeld wiens hoofd op het einde ontplofte. Ja, die ­vertolking kon de ­mensen van AMC plots wel overtuigen.

Vreemd, zegt u? Niet zo, want de scenarist van die bewuste aflevering heette Vince Gilligan, de bedenker van Breaking Bad. Hij had altijd onthouden hoe Cranston zijn hatelijke personage toch menselijk maakte. Hoe hij de kijker dwong om abstractie te maken van zijn rotkarakter, en onvoorwaardelijk met hem mee te voelen tijdens zijn doodsstrijd. Precies het soort acteur dus dat Breaking Bad nodig zou hebben, opdat het publiek de voeling met Walter White niet zou verliezen ­terwijl hij langzaam van sullige family man naar ­gewetenloze crimineel evolueerde.

En of dat lukte. Breaking Bad groeide uit tot een van de grootste tv-hits van zijn tijd. De reeks won zestien Emmy Awards, waarvan maar liefst vier voor Cranston zelf. Deze keer was het niet zijn hoofd dat ontplofte, maar zijn ­populariteit. Dus toch een ster, op zijn ‘oude dag’.

Tot op de dag van vandaag worstelt hij ermee, zegt hij. “Ik weet nog altijd niet goed wat het betekent, en hoe ik ermee moet omgaan. Misschien omdat mijn vader er zo mee bezig was: hij was ­geïnteresseerd in het ego-aspect van succes. Dat is bijzonder ongezond. Maar nu ben ik wel zelf ­voortdurend bezig met selfies en handtekeningen uitdelen. Ik wil niet zeggen dat ik niet dankbaar ben voor wat me is overkomen, maar ik geniet niet van de bekendheid. Ik wil creëren, niet de hele tijd over mezelf spreken.”

Still uit 'Isle of dogs', met straathond Chief. Beeld rv

Al heeft zijn sterrenstatus ook enorme voordelen, geeft Cranston toe. “Zonder Breaking Bad zou ik hier niet met jou aan tafel zitten”, beseft hij. Was het vroeger soms krabben om een nieuwe opdracht te versieren, dan krijgt hij nu de ene rol na de andere aangeboden. Om het kaf van het koren te scheiden, heeft hij zelfs een ingewikkeld puntensysteem ontwikkeld, vertelde hij enkele jaren geleden aan The New Yorker. Eerst geeft hij afzonderlijke scores aan de rol, de regisseur en de cast, en dan neemt hij nog een paar bonus- en maluspunten in overweging: een hoog salaris levert een extra punt op, lang weg zijn van zijn gezin betekent min drie. De hoogst mogelijke eindscore is 32: een rol die niet de helft van de punten haalt, valt meteen af. Scoort een project tussen 16 en 20, dan wordt het in overweging genomen. En een rol die meer dan 21 punten krijgt, levert bijna automatisch een ‘ja’ op.

Alweer die drang naar stabiliteit en houvast. Alles om te vermijden dat de acteer­stiel opnieuw chaos zou brengen in zijn leven, zoals dat bij zijn ouders gebeurde.

Isle of Dogs van Wes Anderson, met de stemmen van o.a. Bryan Cranston, Edward Norton, Bill Murray en Jeff Goldblum, speelt nu in de bioscoop.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234