Dinsdag 27/09/2022

InterviewJohn Grisham

Bestsellerauteur John Grisham: ‘Ik ben opgegroeid in een extreemrechtse samenleving. Veel vrienden hebben zelfs niet geprobeerd dat te overwinnen, ik probeer dat elke dag’

John Grisham: 'Ik ben opgegroeid in een extreemrechtse samenleving. Veel vrienden hebben zelfs niet geprobeerd dat te overwinnen. Ik probeer dat elke dag.' Beeld NYT
John Grisham: 'Ik ben opgegroeid in een extreemrechtse samenleving. Veel vrienden hebben zelfs niet geprobeerd dat te overwinnen. Ik probeer dat elke dag.'Beeld NYT

De Amerikaanse bestsellerauteur John Grisham (67) heeft naar jaarlijkse traditie een nieuw boek uit, nu voor het eerst in de vorm van novelles. Een gesprek over zijn schrijverschap en zijn carrières als advocaat en politicus. ‘Ik ben tegen abortus.’

David Marchese

Er zijn maar weinig constanten in het leven, maar waar je wél steevast op kunt rekenen is dat er elk jaar minstens één boek van John Grisham verschijnt. Met zijn jongste, Sparringpartners, gooit hij het over een ietwat andere boeg. Voor het eerst brengt de schrijver een collectie novelles uit die bestaat uit drie verhalen.

Hoewel zijn professioneel leven een zekere vastigheid vertoont, is het op persoonlijk en politiek vlak niet altijd even vlot verlopen voor John Grisham. “Ik kom van ver”, zegt de man, die advocaat en politicus was voor hij begon te schrijven. “Toen ik advocaat werd, waren de meesten van mijn cliënten arme mensen, arbeiders, minderheden zonder geld. We zaten aan de ene kant van de straat. Aan de andere straat zaten de mensen met geld. Ik begreep al snel waar ik me bevond in het leven en waar ik zou terechtkomen.”

Met uitzondering van ‘Aardbeienmaan’, over een terdoodveroordeelde die op de doodstraf wacht, voelt het materiaal in het nieuwe boek aan als het soort plot en verhaalstof dat u meestal uitgebreid uitwerkt. En eerlijk gezegd: ik heb altijd gehoord dat novelles niet zo goed slijten. Vanwaar dus de vorm?

“Die verhalen gaan al wat jaren mee, en ik kwam tot het besef dat naarmate de verjaardagen elkaar opvolgden, die verhalen maar niet geschreven werden. Ik dacht: ‘Oké, ik pik er mijn drie favorieten uit en ga die afmaken.’ Ik ben het beu om over die verhalen na te denken.

“Ik mailde Stephen King en vroeg: ‘Jij hebt een paar novellebundels uitgebracht, hoe ging dat in zijn werk?’ Hij antwoordde dat hij ook veel verhalen had liggen, maar dat het me nooit zou lukken ze allemaal uit te schrijven als novelles. Sommige werken niet als korte verhalen, en dus doe je iets tussenin. En dat is er gebeurd. Ik kan me in mijn vrije tijd wat amuseren met een baseballboek of een footballboek of korte verhalen (‘Sparringpartners’ is weliswaar zijn eerste bundel novelles, Grisham gaf eerder, in 2009, al een verhalenbundel uit, ‘Ford County: Stories’, red.) of een kinderboek, maar ik weet gewoon dat mijn lezers elk najaar een juridische thriller van me verwachten.”

Als u weet dat u elk najaar een goede juridische thriller moet uitbrengen – en vaak ook nog eens bezig bent aan andere boeken –, slaagt u er dan ooit in een idee op te geven dat niet marcheert? Of komt het er gewoon op neer dat je een manier moet vinden om het wel te doen werken?

“Ik ben nooit in een situatie beland waarbij ik mezelf in een hoekje schreef waar ik niet meer uit raakte. Maar tegelijk bereik ik met elk boek een punt aan het eind waarop ik twijfels heb over het verhaal, en nerveus, zelfs angstig word: wie gaat dít geloven? Het is wat me nu weer overkomt met The Boys from Biloxi (dat in oktober uitkomt, red.).

BIO

• geboren op 8 februari 1955 in Jonesboro, Arkansas • studeerde rechten, werkte bijna tien jaar als jurist • zetelde van 1983 tot 1990 voor de Democraten in het Huis van Afgevaardigden van de staat Mississippi • debuteerde in 1988 met de juridische thriller A Time to Kill en werd voltijds schrijver. In 1991 volgde The Firm (verfilmd door Sydney Pollack) • schreef meer dan 40 juridische thrillers, enkele non-fictieboeken en bundels met korte verhalen • verkocht wereldwijd 300 miljoen boeken • woont met zijn vrouw op een ranch in Virginia. Ze hebben twee kinderen: Shea en Ty

“Elk jaar is het mijn doel een juridische thriller van ongeveer 100.000 woorden te schrijven. Dat mondt dan uit in een roman van ongeveer 350 pagina’s dik. Voor mij is dat ideaal. Een thriller hoeft echt niet dikker dan dat te zijn. The Boys from Biloxi bevat op dit moment 120.000 woorden, en ik ben aan het worstelen, want ik moet nog heel wat vertellen voor ik aan het eind ben. Dus ja, er duiken weleens problemen op.

“Maar ik kan geen roman uit elk idee puren. Een perfect voorbeeld is de opiatencrisis. Dat is helemaal mijn ding, want het is een en al rechtszaken, wangedrag van bedrijven, boeven van allerlei allooi. Het kriebelt om er een boek over te schrijven, maar het lukt me maar niet een verhaal te bedenken dat ik in 100.000 woorden kan vertellen. Het is gewoon te groots.

“Dat geldt ook voor Guantánamo. Ik ben al twintig jaar onderzoek aan het doen. We hebben daar vijftien jaar mensen opgesloten zonder hen aan te klagen voor een misdrijf. Er lopen daar nogal wat advocaten rond die een verschrikkelijke situatie willen rechttrekken. Ook dat is helemaal mijn ding, want het draait om het juridisch systeem. Maar ook hier kan ik maar geen verhaal voor bedenken.”

Even terzijde: het fascineerde me altijd dat u als jonge man in de politiek zat. U zetelde van 1983 tot 1990 als Democraat in het Seventh District in Mississippi. Zou de 28-jarige versie van uzelf vandaag nog verkozen worden in Mississippi?

“Ik was destijds... ik ga niet zeggen conservatief. Ik was een gematigde Democraat. Vandaag bestaat zo iemand niet in het Zuiden. Als ik vandaag zou opkomen, hoop ik dat dat zou zijn als progressieve Democraat – en zou ik niet verkozen worden. Ik heb verkozen vrienden in Mississippi die van de Democraten naar de Republikeinen zijn gegaan om hun baan te behouden. Als er een ‘D’ naast je naam staat, word je niet verkozen. Dat is drastisch veranderd in de voorbije dertig jaar.

“Bovendien zou het onwettig moeten zijn om als 28-jarige verkozen te raken voor het staatsparlement. Je moet minstens 30 jaar zijn en over enige maturiteit beschikken om die job te doen. Ik heb geen enorme stommiteiten begaan in die acht jaar, maar er was ook weinig om over naar huis te schrijven. Veel goeds heb ik ook niet gedaan.”

Wat was in moreel opzicht de moeilijkste beslissing die u ooit moest nemen als politicus of als advocaat?

“Ik zal je een verhaal vertellen. Een 15-jarig meisje van mijn parochie werd zwanger. Haar ouders waren er kapot van. Strenge zuiderlijke baptisten. Kleine gemeente. Ze waren er als de dood voor dat mensen erachter zouden komen.

'Als ik ooit een boek schrijf over mijn ervaringen met Hollywood, dan wordt dat de titel: 'Three Love Scenes and a Happy Ending.'' Beeld NYT
'Als ik ooit een boek schrijf over mijn ervaringen met Hollywood, dan wordt dat de titel: 'Three Love Scenes and a Happy Ending.''Beeld NYT

“Ze zochten me op voor ze naar hun pastor gingen, want ze dachten aan adoptie en wilden weten wat de wetgeving daaromtrent was. Ze gruwden van abortus. De vader was ook 15 jaar, dus huwen was geen ­optie.

“Ik weet nog dat ik dacht: die mensen verwachten te veel van mij. Ik was een 27-jarig groentje dat een jaar eerder was afgestudeerd aan de faculteit rechten. Ze denken dat ik over wijsheid beschik. Ik ben hier niet klaar voor.

“De ouders waren niet zoveel ouder dan ik – vooraan in de 40, vermoed ik. Ze stelden hun vertrouwen in mij, en ik dacht: ik wil hier niet zijn. Uiteindelijk zei ik: ‘We halen de pastor erbij. Jullie hebben echt hulp nodig, en ik kan die niet geven.’ Ik wil daarmee zeggen: ik besefte dat die abortuskwestie een beslissing was die die familie moest nemen – dat meisje en haar ouders en niemand anders.”

Zelfs de overheid niet?

“Geen overheid, geen politicus, geen rechter. Toen begon ik te beseffen waar het om draait bij abortus. Ik ben tegen abortus. Ik wilde niet dat ze een abortus onderging, want het zou een gezonde baby worden – en de baby werd ook een fantastisch geschenk voor iemand anders. Ze trok in bij een tante in een andere stad, de baby werd goed verzorgd en ter adoptie afgestaan. Ze kwam terug, de familie herstelde, de kerk herstelde. Ze maakten het beste van een moeilijke situatie, en iemand kreeg een mooie baby.

“Toch waren er momenten waarop ik dacht dat een abortus de snelste oplossing zou zijn. Ik heb dat nooit gezegd, maar het was een dilemma waarmee ik worstelde omdat ik veel te veel informatie kreeg. Dat heeft me getekend als advocaat, want je beseft hoeveel invloed je hebt. Het rechtendiploma is een krachtig instrument. Je kunt er veel goede dingen mee doen. Dat is het aangename aan het beroep: je kunt mensen helpen. Ik was geen al te beste advocaat.”

Waarom niet?

“Je moet nogal hard zijn in zakelijk opzicht, en ik kon nooit nee zeggen tegen mensen die in de problemen zaten, vooral mensen uit mijn omgeving. Als je alles wat bij je binnenstapt aanneemt, ga je failliet. Dat was mijn ondergang.

“Anderzijds was het mijn ambitie een goede rechtbankadvocaat te worden. Dat was mijn doel, geïnspireerd door een paar keigoede ouderwetse procesadvocaten in Mississippi die ik kende. Ik was nooit bang om in de rechtbank te staan. De meeste advocaten zijn dat wel. Velen zien ertegenop een zaak te verdedigen voor een jury, maar ik genoot daarvan. Ik droomde ervan zo goed te worden dat mensen met echt goede zaken – letsels, dood door schuld, medische blunders – me zouden opzoeken en ik de kans zou krijgen wat geld te verdienen. Wat ik nooit gedaan heb.”

U zegt dat u tegen abortus bent. Om religieuze redenen?

“Ik heb het gewoon altijd moeilijk gehad met het idee van abortus op aanvraag of het feit dat vrouwen meerdere abortussen ondergaan telkens als ze zwanger worden. En ik heb altijd gevonden dat late abortussen waarbij een gedeeltelijke geboorte plaatsvindt iets is wat we niet moeten aanvaarden, omdat de foetus levensvatbaar is. Die vorm van abortus heeft me altijd tegengestaan. Ik vermoed dat daar wel religieuze gronden voor zijn. Maar tezelfdertijd weet je niet wat je zou doen als je in die situatie zou zitten. Dan wordt het een kwestie van keuze.”

Welke politieke standpunten nam u als ­28-jarige in waar u nu niet meer achter staat.

“Zeker de doodstraf.”

Daar was u voor?

“Heel erg. Ik ben voor strengere wapenwetgeving. Ik wantrouw de politie en openbaar aanklagers meer, want ik heb veel onterechte veroordelingen gezien.

“En rassendiscriminatie. Ik ben opgegroeid in het Zuiden van Jim Crow (een spottende karikatuur van de Afro-Amerikaanse slaaf, red.). De gesegregeerde, racistische samenleving zit in mijn DNA. Het was een lange strijd om daar voorbij te raken en terug te blikken op de manier waarop ik ben opgevoed en niet boos te zijn op mijn ouders en andere mensen die me hebben opgebracht met dat extreme racisme.

“Ik ben opgegroeid in een extreemrechtse, racistische samenleving. De baptistenkerk maakte daar toen deel van uit. Ik heb op dat vlak een hele weg afgelegd. Veel vrienden en verwanten van me hebben zelfs niet geprobeerd dat racisme te overwinnen. Ik probeer dat elke dag. Het is een nog altijd voortschrijdende transformatie.

“Mijn vrouw speelde daar ook een rol in, want zij groeide op in North Carolina, dat niet zo door en door racistisch is als Mississippi. Zij en haar ouders waren veel ruimdenkender. Ze heeft me erg beïnvloed.

“We zijn allemaal tribaal ingesteld. We willen allemaal bij onze eigen mensen zijn of in onze mensen geloven. Het is vaak moeilijk om daar voorbij te raken. Ik worstel daar nog altijd mee.”

Is uw aanvoelen van het Zuiden als literaire omgeving veranderd? Ik heb het gevoel dat door de openlijke heropflakkering van racistisch geweld een boek zoals A Time to Kill (De jury) nog verontrustender leest dan toen ik het halverwege de jaren 90 voor het eerst las.

“Het is op veel manieren veranderd. Dat verhaal is gebaseerd op een waargebeurde moord die in de jaren 70 plaatsvond in een kleine gemeente niet zo ver van de plek waar ik woonde en mijn rechtenstudies deed. Toen ik dat verhaal schreef, was ik 30 en had ik nooit eerder geschreven.

null Beeld NYT
Beeld NYT

“Ik kan niet zeggen dat ik zorgvuldig had nagedacht voor ik A Time to Kill schreef. Ik had geen afgebakende ideeën over de portrettering van zuiderse zwarte mensen en zuiderse witte mensen in een kleine gemeente. Het was gewoon mijn wereld.

“Rond dezelfde periode, in 1988, zat mijn tweede termijn in het parlement erop. We hadden een progressieve jonge gouverneur, een progressieve jonge parlementsvoorzitter. We dachten dat de zaken eindelijk zouden veranderen in Mississippi. We stonden op de drempel van die progressieve revolutie. We geloofden daar echt in. Vierendertig jaar later is het verbijsterend hoe ver de staat terug is gegaan. De politiek daar staat me totaal niet aan.”

Om het even over iets anders te hebben: ik hoorde dat er een rivaliteit bestond tussen u en wijlen Michael Crichton over geld. Jullie wilden allebei een dollar meer betaald krijgen dan de andere. Klopt dat?

“In de jaren 90, en dat vijf jaar op rij, trok mijn agent met mijn jongste manuscript – The Pelican Brief, The Client, The Chamber, The Rainmaker – naar Hollywood, riep hij de studio’s bijeen in een vergaderzaal en organiseerde hij een veiling. En als ze betaalden, dan ging dat over miljoenen.

“Ik weet niet wat er precies gezegd werd want ik was er niet bij, maar het ging van: ‘Crichton kreeg zoveel, wij willen meer.’ Dat ging heen en weer. We bespeelden het systeem maximaal. En dat werkte prachtig – tot het ineens stopte. Ik verkocht in 1996 voor een recordbedrag de filmrechten voor The Runaway Jury aan New Regency. Vandaag de dag krijg ik daar een fractie van.

“Je kunt zeggen: we hebben de kip met de gouden eieren geslacht, maar al die films brachten geld op. Toen veranderde Hollywood. Ik begrijp die wereld niet. Niemand begrijpt die wereld. Er gelden geen regels. Jaren geleden hebben we geleerd: geloof geen woord van wat ze zeggen tot ze beginnen te filmen.

Runaway Jury was in feite het laatste grote contract dat ik binnensleepte. Ik schreef mee aan het scenario, wat een enorme vergissing was. Joel Schumacher regisseerde. Sean Connery, Gwyneth Paltrow en Edward Norton waren klaar om aan de opnames te beginnen. De zaak was beklonken, en toen liet Schumacher het project in de steek. De hele cast volgde. Het heeft jaren geduurd om die film te maken.”

Waarom was het een vergissing om mee te werken aan het scenario?

“Ik ben geen scenarist. Ik doe het niet graag. Een van de frustrerendste dingen is het groepswerk. Je krijgt suggesties van mensen die er niks van kennen, die geen benul hebben van wat storytelling is. Je vraagt je af of ze überhaupt films maken.

“De ergste suggestie die ik kreeg? Een fantastisch verhaal. Rond 1993-1994 kwamen in een tijdspanne van ongeveer twaalf maanden The Firm, The Pelican Brief en The Client uit. Alle drie de boeken stonden bovenaan in de bestsellerslijsten, samen met A Time to Kill, dat herontdekt was. Het liep op wieltjes.

“Ik was de laatste hand aan The Chamber aan het leggen, en toen deden we iets heel stoms. Een Hollywood-bons zei: ‘Oké, we kopen je volgende boek zonder het gelezen te hebben.’ Ik stuurde het manuscript in onafgewerkte vorm op, en iemand van de studio las de eerste versie van een onvoltooid manuscript en was daar niet wild van. Wat me danig op stang joeg. Was hij een literair criticus of wat?

“Hij faxte mijn agent een bericht en zei: ‘We gaan dit boek niet aankopen voor een film, tenzij Grisham belooft er drie liefdesscènes en een happy end in te verwerken.’ (lacht) Als ik ooit een boek schrijf over mijn ervaringen met Hollywood, dan wordt dat de titel: Three Love Scenes and a Happy Ending.”

Denkt u na over uw artistieke nalatenschap als schrijver?

“Als je begint in deze branche en je hebt enig succes, zoals ik had met The Firm, dan wil je serieus genomen worden als schrijver. Maar je moet eerlijk zijn met jezelf. Je kunt geen boeken verkopen én goed scoren bij de kritiek. Dat gaat nooit gebeuren. Er zijn heel weinig literaire auteurs die veel boeken verkopen. Een goed verkopende literaire roman haalt 25.000 exemplaren, maximaal 50.000. Als je veel boeken verkoopt, heb je er gelegen voor de literaire ­kritiek.

“Ik heb dus lang geleden beslist: ik doe het voor het geld. Je hebt het over nalatenschap? Kan me niets schelen. Straks ben ik dood en vergeten.”

John Grisham, ‘Sparringpartners’, A.W. Bruna, 368 p., 22,99 euro. Beeld rv
John Grisham, ‘Sparringpartners’, A.W. Bruna, 368 p., 22,99 euro.Beeld rv

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234