Dinsdag 18/06/2019

Interview

Beirut: “De meeste artiesten in de top 40 zijn we over tien jaar vergeten”

Zach Condon.

Beirut keert terug naar zijn roots. Zach Condon heeft Gallipoli gemaakt zoals zijn eerste twee succesplaten: in zijn eentje op zijn Farfisa-orgel. Met Gallipoli kun je de winter door, en op 2 april komt Condon het mooie weer maken in Vorst Nationaal. ‘Ik hou van complexiteit, want dat maakt muziek écht.’

Zach Condon: “Ça va? Avez-vous une cigarette?”

Oei.

Ah, you're Flemish. Ik spreek altijd Frans als ik in Brussel ben. Ik heb jarenlang in Parijs gewoond, en nu zit ik in Berlijn. Een prachtige stad, maar ik mis de Franse taal.”

Wanneer ben je naar Berlijn verhuisd?

“Twee jaar geleden. Na twaalf jaar was ik New York kotsbeu. Ik ben lang verliefd geweest op die stad, maar je bent er altijd rusteloos, alsof ze je dwingt om snel te leven. In Parijs is het net hetzelfde: daar woon je in appartementen die zo klein zijn dat je je buren hun neus kunt horen snuiten. Berlijn is rustig. Ik kan er eindelijk helder nadenken. En de muziekscene is er buitengewoon. Het is één van de weinige plaatsen op de aardbol waar je nog échte experimenten kunt horen. Zo heb ik vaak met het elektronische duo Mouse on Mars in de studio gezeten, en ik ben samen met Justin Vernon op hun jongste plaat Dimensional People beland.”

Je hebt al op verschillende plaatsen gewoond.

“Klopt. Ik ben geboren in New Mexico, maar daarna ging het naar New York, Parijs, Istanbul en Berlijn. Ik weet zelf niet zo goed waarom. Een psychoanalist zou misschien zeggen dat ik altijd wegloop. Maar die verhuizingen hebben zich altijd vanzelf aangediend. Ik werd bijvoorbeeld verliefd op een Turkse vrouw en daarom ben ik met haar in Istanbul gaan wonen.”

Heb je nooit België overwogen?

“Nee, omdat ik daar nog geen reden toe heb gehad. Maar ik kom graag naar Brussel, en Jacques Brel is één van mijn idolen. Toen ik The Flying Club Cup opnam, luisterde ik alleen maar naar zijn platen.”

Als ik je promotor mag geloven, loopt er altijd iets mis als je in België bent. De eerste keer was je je paspoort kwijt, en de tweede keer je tablet: die vond hij enkele weken later onder de achterbank van zijn auto terug.

“Dat laatste herinner ik me niet meer, maar ik wil het best geloven. Ik ben vergeetachtig, ik heb mijn paspoort al zo vaak verloren dat de politie me heeft gewaarschuwd: ‘Nog één keer en we zullen een onderzoek moeten starten.’ (lacht)”

Je nieuwe plaat Gallipoli begint met je eigen begrafenislied. In ‘When I Die’ zing je: ‘Don't cry / I promise that I'll get it right / I've been practicing my whole life’. Denk je vaak aan de dood?

“Elke keer als ik op een vliegtuig stap (lacht). Nee, ik heb die song met mijn oudere broer geschreven. We houden van elkaar, maar als we lang samen zijn, lijken we elkaars angsten te voeden. Dan worden we allebei cynisch, zelfs nihilistisch. We hebben ons geweldig geamuseerd toen we die morbide tekst aan het schrijven waren (lacht).

“Maar om je vraag directer te beantwoorden: ik ben eind 2013 in elkaar gestort, na een scheiding en veel te veel concerten. Ik heb toen enkele lastige jaren gehad, en dat kun je horen op No No No (zijn plaat uit 2015, red.). Maar nu ben ik gelukkig. Ik zou Gallipoli ook zonder publiek uitgebracht hebben, omdat ik er zo van heb genoten. Dat betekent niet dat ik al mijn zorgen en angsten uit die periode heb verwerkt. Maar ik probeer niet te veel stil te staan bij de betekenis van mijn songs, ik doe gewoon wat natuurlijk aanvoelt.”

Je hebt zelf het persbericht voor Gallipoli gepend, en daarin heb je het vooral over je Farfisa-orgel. Kan een instrument zo belangrijk zijn?

“Absoluut! Het gidst je denken. Daarom klinkt elke gitaarsong bijna hetzelfde. Als ik even niet verder kan met een nummer, neem ik een ander instrument. Dan klinken die twee akkoorden die je al een miljoen keer hebt gehoord, plots weer fris.

“Ik geloof niet dat Beirut zou bestaan zonder het Farfisa-orgel. Ik was van jongs af geboeid door muziek en ik had een piano en een trompet, maar in mijn geboortestad Santa Fe is er geen muziekscene. Ik had geen vrienden die mijn passie deelden en ik heb nooit in een band gezeten. Dankzij de Farfisa had ik die ook niet meer nodig: het orgel heeft een drummachine en andere snufjes. Zo kon ik in mijn eentje een volwaardige song maken. Toen ik nummers begon te componeren, wist ik: ik heb iets unieks in handen.”

“Ik haat sociale media, ik heb liever direct contact met mijn fans.”

Als ik aan Beirut denk, denk ik aan de ukelele, niet aan een orgel.

“Ik heb bijna elke song van mijn eerste twee platen op dat orgel geschreven. Daarna kleedde ik ze aan met mijn ukelele en mijn trompet. Op ‘A Sunday Smile’ of ‘After the Curtain’ hoor je de Farfisa goed.”

Klopt het dat je naar de ukelele greep omdat je niet in staat bent om op een gitaar te spelen?

(toont zijn onderarmen) “Mijn ene onderarm is korter dan de andere. Door de lengte van de nek kan ik niet met een gitaar overweg. Maar ik vind dat niet erg, want die klinkt toch maar gewoontjes.

“Ik heb mijn pols een eerste keer gebroken toen ik op mijn 14de van een brug viel. Die breuk is nooit goed genezen, door mijn eigen domme schuld: ik kon het skateboarden niet laten en ik heb hem kort daarna nog twee keer gebroken. Uiteindelijk kon alleen een operatie nog redding brengen. Maar tijdens de opnames van Gallipoli heb ik mijn pols wéér gebroken.”

Hoezo?

“Door te skateboarden. In de lente van 2017 woonde ik nog in Brooklyn. Aan de overkant van mijn huis was er een nieuw skatepark aangelegd. Ik haat sporten, maar skateboarden is de enige fysieke activiteit die me interesseert, en toen ik dat park zag, was het sterker dan mezelf. Misschien moet ik aanvaarden dat ik er niet echt goed in ben. (lacht)”

Op Gallipoli heb je ook alle blazers ingespeeld.

“Vroeger deed ik dat altijd, maar op tournee nam ik getalenteerde trompettisten mee. Ik liet hen de blazerspartijen op ‘The Rip Tide’ en ‘No No No’ arrangeren en ik was van plan om hun hulp ook voor Gallipoli in te roepen, maar ze waren net op tournee met The National. De teleurstelling duurde niet lang: zodra ik mijn trompet vastnam, wist ik weer hoe graag ik het zélf doe. Ik heb ook een unieke manier van spelen omdat ik geen muzikale opleiding heb gevolgd.

Gallipoli heb ik in vergelijkbare omstandigheden als mijn eerste werk gemaakt: in mijn eentje, op dezelfde instrumenten. Ik heb me in geen tijden zo geïnspireerd gevoeld. Die manier van schrijven en werken levert ook het beste resultaat op. Songs als ‘Nantes’, ‘Elephant Gun’ en ‘Postcards from Italy’ hebben na al die jaren nog altijd iets speciaals.”

Geit op de arm

Er zit bijna drieënhalf jaar tussen No No No en Gallipoli. Veel artiesten zouden zo'n lange stilte opvullen met nieuwsjes op sociale media.

“Ik haat die. Ik beheer mijn Facebook-, Twitter- en Instagrampagina niet zelf, al heeft mijn management me dat wel gevraagd. Ik heb vijftien vrienden op mijn Instagramprofiel en daar word ik al gek van. Als ik een foto van een vriend in Scandinavië zie, denk ik: tof, now what? Het doet me zo leeg voelen. Ik heb liever direct contact met mijn fans. Als ze mij aanspreken op straat, beginnen ze zich meestal te verontschuldigen. Hoeft niet! Stap op mij af en stel jezelf voor. Ik beantwoord graag al je vragen, zelfs de vreemdste.”

Je hebt de tiende verjaardag van Gulag Orkestar en ook die van The Flying Club Cup niet gevierd. Veel van je collega's zouden die kans niet laten liggen.

“Ze hebben het me nochtans gevraagd, maar ik heb niet toegehapt. Als ik mijn eigen platen vier, zou het lijken alsof ik mezelf belangrijk vind, maar ik ben Bob Dylan niet, hè. Alleen reissues vind ik kunnen, want blijkbaar zijn mijn eerste platen moeilijk te vinden in de winkel.”

Ben Howard deed in december Vorst Nationaal aan, de zaal waar jij in april staat. Hij weigerde zijn hits te spelen, zelfs na luidruchtige verzoeken van het publiek.

“Ik ken Ben Howard niet en ik ga me niet uitspreken over zijn muziek. Maar als ik een ticket voor een optreden koop, verwacht ik wel dat een artiest mijn favorieten speelt. Mijn trots zou mij nooit beletten om een song te spelen waar mensen van houden, dat is zo pretentieus. ‘Postcards from Italy’ is één van mijn eerste nummers en ik breng die nog altijd. In Vorst zal ik sowieso ‘Nantes’ spelen, omdat ik weet dat jullie dat graag horen.”

Welk compliment krijg jij het vaakst?

“Dat mijn muziek veel voor iemand heeft betekend in een donkere periode. Ik kan dat enorm appreciëren, want ik heb zelf genoeg miserie doorstaan. Maar ik word soms wel ongemakkelijk van complimenten. Ik heb onlangs een kerel ontmoet die mijn handtekening op zijn arm had laten tatoeëren. Ik vind het onwerkelijk dat mijn muziek een tatoeage waard zou zijn.”

Je hebt zelf tattoos. Welke artiest zou jij op die manier durven te eren?

“Niemand. The Beach Boys zijn de belangrijkste band in mijn leven, zij waren mijn eerste liefde. Maar ik zou de geit op de hoes van Pet Sounds niet op mijn arm laten zetten. (lacht)”

Neil Young brengt nu muziek uit die hij in de seventies heeft opgenomen. Heb jij veel op je harde schijf staan?

“Uren. Ik ga er weleens door. Soms bots ik op een demo die zo goed is dat ik ’m weer opvis. De single ‘No No No’ had ik op mijn 16de al aan mijn orgel gemaakt. Toen ik dat nummer tien jaar later opnieuw hoorde, begreep ik niet waarom ik het nooit had afgewerkt. Ik heb de demo toen gewoon gesampled.

“Er zijn ook veel oude songs van Beirut op YouTube te vinden. Toen ik nog maar pas liedjes schreef, was ik heel verlegen. Ik liet mijn muziek alleen horen aan wie hard genoeg aandrong. Sommige vrienden hebben toen een cd’tje gevraagd, dat zij dan weer voor hun vrienden kopieerden. Zo zijn er heel wat onuitgebrachte demo’s van mij verspreid. Ik vind het geweldig om ernaar te luisteren, maar ik ben niet van plan om ze ooit te verzamelen.”

“Ik wilde elke valse noot en elke technische fout op de plaat laten staan”, zei je over Gallipoli. Waarom?

Ik had ‘When I Die’ op mijn orgel opgenomen en was niet tevreden. Toen heb ik alle versterkers en een echomachine uit de kast gehaald en op het orgel aangesloten. De kamer daverde van de trillingen. Als ik op de toetsen drukte, klonk het als een kerkorgel. De producer wilde al die piepende versterkers wegknippen, maar dat heb ik geweigerd, want er zat eindelijk karakter in het nummer.

“Ik hou van complexiteit, want dat maakt muziek écht. Daarom vind ik moderne popmuziek zo slecht: niet omdat de songs flauw zijn, maar omdat ze te gladgestreken en perfect klinken. Het is hyperrealistisch en dat stoort me.”

Is er hedendaagse popmuziek die je wel graag hoort?

“‘iT’ van Christine and the Queens zet ik vaak op. Maar verder kan ik weinig popnummers noemen die me raken. Ik merk dat veel journalisten proberen popmuziek serieus te nemen, maar ik begrijp niet waarom. Neem nu Beyoncé: ik vind haar muziek leuk, maar niet revolutionair. De meeste artiesten in de top 40 zijn we over tien jaar vergeten.”

Je gaat binnenkort weer op tournee. Heb je een manier gevonden om onderweg niet gek te worden en een burn-out te vermijden?

“Nee. Ik heb nochtans alles geprobeerd: meditatie, oefeningen, gezond eten, yoga... Ik heb het er onlangs nog over gehad met Sharon Van Etten, een goede vriendin van mij. Zij en ik zitten er gewoonlijk na drie weken door, sommigen houden het langer vol, maar iedereen gaat uiteindelijk voor de bijl. Een schrale troost. (lacht)”

Nog even volhouden tot april!

Gallipoli verschijnt op 1 februari bij 4AD. Beirut staat op 2 april in Vorst Nationaal. Info & tickets: vorst-nationaal.be

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden