Donderdag 20/02/2020

Interview

Beck: ‘Ik sluit niet uit dat er een hemel is, maar mij lijkt het wishful thinking’

Beck.Beeld Photo News

Precies een kwarteeuw is het intussen geleden dat Beck met zijn debuutsingle ‘Loser’ een wereldhit scoorde, maar de eigengereide muzikant blijft relevant. Met zijn vorige plaat Colors haalde de Amerikaan nog een Grammy voor beste alternatieve album binnen, en op de opvolger Hyperspace, die deze week verschijnt, werkt hij samen met hippe vogels als Pharrell Williams. ‘Ik ben eigenlijk vergeten te vragen wat hij precies bedoelde met zijn lyrics.’

Telkens als ik ergens een onderbetaalde arbeider herfstbladeren zie wegblazen, moet ik aan Beck denken. Bladeren ruimen was namelijk een tijdlang zijn bijverdienste, nadat hij werd gepest op school en werd afgewezen door het kunstonderwijs. Conclusie: geef nooit op, talent dat links niet naar waarde wordt geschat, kan rechts renderen.

Het minste wat je over Beck Campbell-Hansen kunt zeggen, is dat zijn carrière, cv en discografie heel gevarieerd zijn. Zijn grillige mix van pop, funk, hiphop, dance en eighties grooves – van de sfeervolle pastorale 21ste-eeuwse folk van Sea Change en Morning Phase tot het grillige Colors en de psychedelica light van Mutations – is overwegend dansbaar en kon zowel oldskool liefhebbers van echte songs als meer beatsgeoriënteerd jong volk bekoren.

Ik heb altijd gemengde gevoelens gekoesterd tegenover Beck, deels omdat hij zich zo vaak van ironie bedient en zo nadrukkelijk ongrijpbaar en ‘artistiek’ probeert te zijn dat je nooit weet wat hij écht denkt, en deels omdat hij lid is van Scientology, waarvan iedereen behalve de eigen leden weet dat het een zeer kwalijke sekte is. Maar hij lijkt me na al die jaren nog steeds een sympathiek mens, al praat hij vaak in raadsels – ‘the cosmology of his satellite consciousness’ – zoals u verderop zult merken. Ik heb zijn wollige uitdrukkingen laten staan, ook al begreep ik niet altijd wat hij precies bedoelde en ontbrak de tijd om hem om verduidelijking te vragen.

We praatten ter gelegenheid van zijn nieuwe plaat Hyperspace niet in een undergroundbar, maar in het stijve, bourgeois hotel Le Crillon in Parijs.

Ik zal beginnen met mijn favoriete song op Hyperspace: ‘Everlasting Nothing’...

“Gek dat je die eruit kiest, want dat was ook het eerste nummer dat we hebben opgenomen. Ik wilde met Pharrell iets maken dat anders is dan het soort tracks en de sound die we met hem associëren – je weet wel: (zingt) ‘I wanna rock your body’ of ‘Drop it like it’s hot’ of ‘Because I’m happy...’ ‘Everlasting Nothing’ zette de toon voor deze plaat. (citeert uit de tekst) ‘You threw the keys to the kingdom over a skyscraper wall / someone obsolete...’ Het gaat over zingeving, iets waarmee we allemaal weleens worstelen, niet? Zeker in donkere tijden als deze. Ik wilde een gospelziel in die song steken zonder dat hij klonk als gospel. Ik wilde een ‘Let It Be’-vibe, de uitstraling van een hymne, een volkslied, zonder dat het pompeus werd. ‘Everlasting Nothing’ is waar we uiteindelijk allemaal belanden: in het eeuwige niets. Sommigen noemen dat de hemel of de hel, maar daar geloof ik niet in. En in reïncarnatie evenmin. Ik sluit het niet uit, maar het lijkt me wishful thinking.”

Werk jij aan een nieuwe plaat in een cocon, ver van de buitenwereld, of laat je de waan van de dag bewust doorsijpelen?

“Ken je de uitdrukking ‘you can’t take it with you’? Dat verwijst meestal naar geld en bezittingen: als je sterft, moet je alles achterlaten, je kunt niets meenemen. In oktober vorig jaar, toen we net aan deze plaat waren begonnen, stierf de miljardair Paul Allen. Als mede-oprichter van Microsoft was hij een van de rijkste mensen op de planeet. Hij stierf relatief jong, hij was amper 65. Ik drijf, onder protest, zelf richting de 50, dus 65 lijkt al angstaanjagend dichtbij, too close for comfort. Zijn dood was ook een ontnuchterende reminder: geld, roem, talent... Het maakt allemaal geen enkele indruk op de dood. Eventually, we all end up in the same boat, man. Dit leven is een tragikomedie, vandaar de zin ‘I laughed before I cried’.”

Is ‘Uneventful Days’ ironisch bedoeld, zoals de Engelse uitdrukking ‘May you live in interesting times’?

“Dat laatste is oorspronkelijk toch een uitspraak van een Chinese wijze uit de oudheid, waarmee die eigenlijk bedoelde: probeer van al die oorlogen, conflicten en doffe ellende toch een beetje te genieten? (lacht) Voor wie geluk nastreeft, lijkt leven in een saai, oninteressant tijdperk me toch prettiger.

“Maar in alle eerlijkheid: ‘Uneventful days, uneventful nights’ is de enige tekstuele bijdrage van Pharrell, en ik ben vergeten te vragen wat hij daar precies mee bedoelde.”

In de weken of maanden dat jullie aan Hyperspace werkten, komt zoiets niet ter sprake?

“Euh, nee, blijkbaar niet, en nu je me daarmee confronteert vind ik het zelf ook raar. We hadden het te druk met andere zaken, denk ik.

“De rest van die tekst heb ik zelf geschreven, en ik zag een man voor me die geïsoleerd en in de war is. Hij wordt overspoeld door miljoenen foto’s en euforische berichten die anderen op sociale media over hun geweldige leven delen, terwijl hij in het ongewisse is – werkloos, single, uitgeblust en onzeker over zijn toekomst. Hij tobt over de kosmologie van zijn bewustzijn en de satellieten in zijn leven, vrienden, familieleden, exen, genen... Hij weet kortom even niet van welk hout pijlen te maken, en is, zoals te veel mensen, geïntimideerd door de geweldige levens van al die anderen. Terwijl we onderhand hopelijk allemaal beseffen dat Instagram en co. iedereen in staat hebben gesteld om zelf de regisseur, het pr- en het politbureau te zijn van zijn eigen leven, en er duchtig op los te liegen in een wanhopige poging om toch maar hip, trendy, succesvol en benijdenswaardig te lijken.”

De song ‘Chemical’ inspireerde de volgende vraag: ik denk niet dat je high was toen je deze plaat, en meer bepaald deze song, aan het maken was, al lijkt de titel daarnaar te verwijzen. Maar ik vermoed dat je wel onder invloed was op sommige van je vorige platen. Kun jij terugblikken op een song of een plaat en zeggen: 'Ik hóór welk spul ik toen nam'?

“Nee, want ik was tijdens geen enkele opname high. Drugs aren’t part of my process. Ik heb al heel vroeg in mijn carrière vastgesteld dat ik niet functioneer als ik high ben. Als ik in de studio iets neem – wat dan ook – ga ik algauw meer interesse tonen in het rare patroon van het tapijt of de gordijnen dan in de song waaraan we werken. Ik werk ook traag, en een song evolueert meestal over een lange periode. Het zou dus niet vol te houden zijn om één bepaalde chemisch opgeroepen stemming zo lang aan te houden. Jammer genoeg is een song maken meestal een marathon voor mij, dus ik moet fris blijven. Focus is everything. De enige uitzondering die ik kan bedenken, is Odelay (plaat uit 1996, red.): toen rookten de Dust Brothers, die de plaat produceerden, massa’s wiet. Als passief roken effect heeft, moet ik dus constant half stoned zijn geweest. (lacht) Ik herinner me dat ik toen na elke opnamedag bekaf was en twaalf uur sliep. Nu ik erbij stilsta, denk ik dat ook dat wel aan die walmen zal hebben gelegen.”

Het is onnozel om muziek in te delen in hokjes, maar ruwweg kun je zeggen dat er muziek is die in de eerste plaats appelleert aan het hoofd, muziek die het hart raakt en muziek die de schaamstreek en de benen tot dansen aanzet. Maar ik heb altijd het gevoel gehad dat jij dat onderscheid totaal niet maakt.

“Dat doe ik inderdaad niet. Bij mij loopt het allemaal door elkaar. En de schaarse keren dat ik wel een heel funky, dansbaar nummer probeer te maken, blijken er verontrustend weinig mensen op te dansen. (lacht) Ik ben naar een optreden van Pharrell gaan kijken: toen danste letterlijk iederéén, op bijna elk nummer. Dat maakte me toch een beetje jaloers. Ik ben een soort intellectueel, I guess, en als ik body music probeer te maken, komt het hoofd zich toch altijd moeien. Ik wil me niet vergelijken met David Bowie, maar zijn meest dansbare nummers hebben ook altijd iets wat je doet nadenken. Behalve ‘Let’s Dance’ zelf, misschien.”

‘Fame’...

Exactly, dat is een goed voorbeeld. There’s a lot going on there. Díé opnamesessie had ik willen bijwonen, met John Lennon... Wow!

“Ook David Byrne is een goed voorbeeld: zijn muziek pendelt vaak tussen dansbaar en doordacht.”

Prince is sinds onze vorige ontmoeting onverwachts gestorven. Hij overhandigde jou in 2015 de Grammy voor beste plaat van het jaar, voor Morning Phase. Dat vond ik heel genereus van hem: hij had die belangstelling niet nodig. Blijkbaar was hij gesteld op jouw muziek.

You know what? Dat durf ik niet eens te zeggen. Ook Beyoncé, Ed Sheeran en Pharrell waren genomineerd. Misschien ging Prince ervan uit dat Beyoncé zou winnen?”

Heb je na afloop dan niet met hem gepraat?

“Nee. Ik heb hem in de vlucht haastig ingefluisterd hoeveel hij voor me betekende, maar hij heeft er niet op gereageerd, want toen was het tijd voor mijn speech. De camera’s draaiden en ik zag tot mijn verbazing uit mijn ooghoeken Kanye het podium opklimmen, met drie sprongen tegelijk. (grinnikt)

Hij kwam de uitreiking verstoren omdat hij vond dat Beyoncé de prijs verdiende.

“Kanye is een impulsief mens, een flapuit. Ik vergeef het hem, en hij heeft zich nadien voor die stunt verontschuldigd. Ach, we proberen allemaal iets te maken dat de moeite waard is, en de rest is... showbusiness. Wat me wel is bijgebleven, is dat Prince toen pijn had... Op dat moment dacht ik aan een spierverrekking of zo, maar nu ik weet dat hij gestorven is aan illegale pijnstillers...

(lange stilte) Het frustreert me dat ik met heel wat van mijn helden niet heb gepraat. I reached out to them, maar het was nooit het goede moment. Toen ik Record Club begon (waarbij Beck en vrienden telkens één legendarische plaat integraal coverden in één dag, red.) en ik The Velvet Underground & Nico en Songs of Leonard Cohen onder handen nam, hoopte ik dat mijn helden het zouden horen en contact met me zouden opnemen. Maar dat gebeurde niet, ik heb Lou Reed en Leonard Cohen nooit ontmoet.”

In een paar vroegere interviews had je het over wat je ‘Sergeant Thriller’ noemt. Die interviewers gingen daar toen niet op in, maar mij intrigeert die term...

“Dat sloeg op Colors. Als ik aan een nieuwe plaat begin, stel ik mezelf soms doelen of grenzen: hoe de plaat moet klinken of vooral níét mag klinken. Dat blijft heel vaag en algemeen hoor, want ik wil vooral verloren lopen in mijn eigen creativiteit. Ik werk eerder instinctief, maar heb vastgesteld dat de meeste artiesten veel methodischer te werk gaan dan ik: zij voeren een duidelijk omlijnd concept uit. In het geval van Colors dacht ik dat het interessant kon zijn om een hedendaagse mix te maken van Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles en Thriller van Michael Jackson. Zo’n megalomaan plan kan natuurlijk alleen maar mislukken, maar het was een nuttige denkpiste.

“Als er één constante is in mijn werk, dan wel dat er geen enkele logica in zit en dat ik elke keer ergens helemaal anders uitkom dan waar ik oorspronkelijk heen wilde. Ik klieder enkele maanden maar wat en plots heb ik iets gemaakt dat Odelay of Guero blijkt te zijn. Alleen in het geval van Colors was er van in het begin iets wat je een tactisch masterplan zou kunnen noemen, vandaar die richtlijn ‘Sergeant Thriller’.”

Eigenlijk heet je Beck David Hansen. Is er nog iemand die jou David noemt?

“Nee. Vroeger noemden ze me The Kid. En mijn intieme vrienden noemen me vaak B of Bee. Tijdens de opnames van Midnite Vultures bedachten we bijnamen voor elkaar. De mijne was Laser. Niet omdat ik zo goed kan focussen, mijn medewerkers vonden het gewoon een cool woord. Mijn pianist werd in die periode Malibu genoemd en de bassist Jackal. We zagen ons als undercoveragenten met spionnennamen.”

Jouw modus operandi is na al die jaren ongewijzigd: je maakt collages van flarden, brokken en echo’s van melodieën die je optut met samples, stoorzenders of outro’s die van een andere song of soms zelfs uit een ander universum overgeheveld lijken. Lang leek jouw missie: clichés opblazen. Maar is een kwarteeuw na je debuut ook die unieke formule bandwerk geworden?

“Dat probeer ik natuurlijk te vermijden, maar tegelijk is het onvermijdelijk. En ook goed, denk ik. Ik ben wie ik ben. Je wil dat een artiest evolueert, maar niet dat hij plots ontspoort of dermate van koers verandert dat zijn werk onherkenbaar wordt. Ik zit niet te wachten op een rap van Bob Dylan.”

Jij hebt geen Brian Eno nodig, want je bent je eigen Eno.

“Hmm, daar zit wel iets in. Eno hielp U2, zijn aanpak werkt blijkbaar bij een groep. Maar ik speel meestal alles zelf in, toch tot een song min of meer af is. Pas daarna laat ik hem spelen door muzikanten die technisch beter zijn dan ik. Eén enoëske aanpak die ik wel al heb gebruikt, is de muzikanten verplichten om een ander instrument dan gewoonlijk te spelen: de pianist speelt dan bas, de bassist drumt, enzovoort. Maar ik kan niet zeggen dat dat al geweldige resultaten heeft opgeleverd, behalve bij ‘Sunday Sun’ misschien, van de plaat Sea Change. Toch blijf ik geloven dat het werkt. De laatste keer dat ik die aanpak systematisch toepaste, was op The Information.

“Ik heb het ook ooit één keer live toegepast, als grap. We tourden met The Black Keys, die toen als two piece optraden, met drums en gitaar, zonder bas. Op het laatste concert van de tournee stapten mijn muzikanten en ik het podium op als zéven bassisten. Dat was in het pre-smartphonetijdperk, dus ik denk niet dat er beelden van zijn. Jammer.”

Ben je ooit bang geweest op het podium?

“Hoe bedoel je? Bang voor een stalker of zo? In de jaren 90 nam het stagediven een vlucht, toen was ik dikwijls bang dat een van die overenthousiaste gasten zijn nek zou breken. Maar dat is fel geminderd. Recent ben ik wel bang geweest omdat we tijdens een tournee van negen weken tot vijf keer toe een optreden in openlucht moesten afgelasten omdat er onverwacht een storm opstak. Eén keer moest het hele terrein ontruimd worden: vijftienduizend mensen werden geëvacueerd, en ik moest dat aankondigen. Een andere keer werd ik door een wervelwind bijna van het podium geblazen.

“Tijdens de Night Running Tour met Cage the Elephant hadden zij een soort vuurwiel dat elke avond op het einde van de show vuurwerk uitbraakte. Mijn muzikanten hadden het plan opgevat om aan het eind van het laatste concert van die tournee voor de grap hotdogs en marshmallows op ijzeren staven te roosteren op dat vuur. Dat liep bijna mis toen de vlammen uitsloegen, we hadden er derdegraads brandwonden aan kunnen overhouden. Gelukkig heeft de veiligheidsverantwoordelijke ons net op tijd teruggefloten.”

Wanneer dacht je voor het laatst: hier zou ik nooit zijn beland en dit zou ik nooit hebben meegemaakt zonder mijn talent en status van rockster?

“Toen ik gisteren plots in de lift stond met de koning van Zweden. Bizar. En toen ik op een feestje belandde waar ook Paul McCartney en U2 waren.”

Als er op zo’n feestje pakweg een piano staat, wordt die dan gemeden omdat iedereen denkt: ik wil niet dat Paul McCartney denkt dat ik piano begin te spelen in de hoop hem zo tot een geforceerde jamsessie te bewegen?

“Er wás een piano en Paul was er niet van weg te krijgen. We're musicians. We play. (lacht) Er stond ook een drumstel, en tot mijn verbazing bleek Paul naast al zijn andere talenten ook nog een uitstekend drummer te zijn. Het waren geen supersterren meer, maar muzikanten die muziek maakten voor andere muzikanten. Er was niets geforceerd aan, dat ontroerde me nog het meest. Ik begon prompt te fantaseren over mijn eigen supergroep: McCartney, Bono, Edge... En doe Joni Mitchell, Captain Beefheart en Sly Stone er ook maar bij – waarom niet, ik ben ruimdenkend. (lacht)

Ik keek onlangs nog eens naar The Big Lebowski. Daarin komt jouw muziek níét voor, maar toch moest ik vaak aan jou denken.

“Dat ervaar ik als een groot compliment. Het is een van mijn favoriete films. Ik zag hem op de dag dat hij uitkwam, in een klein bioscoopje ergens in Californië. De zaal was halfleeg, herinner ik me. Ik wist op dat moment enkel dat de Coen Brothers die film geregisseerd hadden, dus de overrompeling was totaal. Ik had echt het gevoel dat de regisseurs mijn ziel op pellicule hadden gevat: mijn levenshouding, mijn gevoel voor humor, mijn blik op de wereld, mijn excentriciteit... Ik verliet euforisch de zaal en belde meteen al mijn vrienden op om hen aan te manen te gaan kijken. And you know what? They just didn’t get it. Ze vonden het stuk voor stuk een middelmatige film. Eén vriend zei me later: ‘That was the worst piece of shit I ever saw, man!’ En nu is het een klassieker! Ik denk dat ik mag concluderen dat ik goede smaak heb. (grijnst)

Ben je blij met hoe je muziek tot nog toe werd gekaapt in films, tv-series en reclamecampagnes?

“Ik was blij met Baby Driver, de film waarin de jongen mijn song ‘Debra’ zingt voor het meisje, in het eethuis waar zij werkt. (Het is omgekeerd: zij zingt het voor hem, red.).

“Ik moet nu plots denken aan toen ‘Loser’ pas uit was. Ik was op dat moment in New Orleans, en in Bourbon Street hoorde ik mijn song: bleek dat een groep studenten hem zong in een karaokeclub. Dat was frappant, omdat ‘Loser’ toen nog niet eens op een karaokemachine stond. Mijn muzikanten hebben toen geprobeerd om me zover te krijgen dat ik ‘Loser’ samen met die college kids zou zingen, maar ik was te verlegen. (grinnikt) Nu ben ik vertederd door de ontroering die ik toen voelde, mag dat wel?

“O, en dat ik een song bijdroeg tot de tweede Lego Movie was ook leuk. Ik heb kinderen, wat wil je...”

Tot slot nog dit: ik heb een weddenschap lopen met een vriend. Op YouTube staat een interview met jou door een Japanse journalist. Dat interview is extreem gênant, Sacha Baron Cohen en Ricky Gervais zouden er jaloers op zijn. Die Japanner stelt bizarre vragen en zijn lichaamstaal is nog vreemder. Maar is het echt? Ik beweer van wel: zo zijn Japanse interviewers, ik zag hen al van dichtbij.

(grijnzend) Sorry: jij verliest. Het is in scène gezet. Ik zou spelen op een groot festival in Japan, en ze hadden ons om een interview gevraagd, en ik kon het niet laten: de verleiding om er iets zots van te maken was te groot. (lacht) Die Japanner is mijn pianist. Ik zal hem met jouw complimenten zeggen dat hij het heel goed heeft gespeeld.”

Hyperspace verschijnt op 22 november bij Caroline.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234