Woensdag 20/11/2019

Interview

Bavo Dhooge wekt in 'Sr.' zijn vader tot leven: "Ik heb mijn moeder afgeraden het boek te lezen"

Bavo Dhooge: "Ik was op de vlucht voor mezelf." Beeld Aurélie Geurts

Thrillerauteur Bavo Dhooge (45) ging door een diepe crisis en verlegde daarna het geweer van schouder. In zijn ‘herdebuut’ Sr. wekt hij zijn vroeggestorven vader tot leven, een Gentse kinesist met een levenslang geheim. "Het eerste exemplaar ga ik aan zijn graf begraven. Pas dan zal het afgerond zijn."

‘S-express’, zo luidt de roepnaam van Bavo Dhooge (45). Niet voor niets beginnen al zijn romantitels met een S. Een gimmick die hij al honderd boeken lang hanteert – van zijn debuut Spaghetti (2001) via Santa Monica tot Styx en nu Sr. De Gentenaar hield er de voorbije achttien jaar een verschroeiend schrijftempo op na. In een productieve bui slingerde snelheidsduivel Dhooge tot acht boeken per jaar de boekhandel in, een ritme waar zelfs Herman Brusselmans een puntje aan kan zuigen.

Vlotjes combineerde hij uiteenlopende genres als de thriller, toneel, filmscenario, western, sciencefiction en kinder- en jeugdboek. “Toch werd ik vooral gepositioneerd als thrillerauteur”, vindt Dhooge. “Zeker na het winnen van de Hercule Poirotprijs en de Diamanten Kogel raakte ik niet meer van dat label af. Jammer, want ik gaf altijd stijl en humor voorrang. Maar goed, ik was uiterst flexibel, een ware kameleon. In mijn boeken kon ik eender welke schutkleur aannemen. Om maar niet in de spiegel te moeten kijken, zo besefte ik onlangs. Ik was op de vlucht voor mezelf.”

In 2016 begon de schrijfmotor van Bavo Dhooge plots te sputteren. “Na mijn honderdste boek was ik een half jaar lang de pedalen kwijt. Ik liep met mijn kop tegen de muur. Ik stond op de rand van een zenuwinzinking.” Toch lonkte op dat moment de internationale doorbraak. Zijn misdaadroman Styx (2014) had net een vertaling gekregen bij de prestigieuze Amerikaanse uitgeverij Simon & Schuster; een three-book-deal zat in de pijplijn. “Het Amerikaanse avontuur liep enigszins met een sisser af”, vertelt een openhartige Dhooge. “Op een paar goede recensies na deed het boek niets, nada.

“Veel kon het me eerst niet schelen. lk leek uitverteld”, bekent Dhooge in zijn stemmige, met het puikje van de wereld- en misdaadliteratuur gelardeerde appartement aan het Zuid, met rechtstreeks zicht op de fly-over. Op tafel staan zandkoekjes en ‘bokkenpootjes’ met chocolade voor de interviewer klaar. Onder het imponerende oog van Stanley Kubrick, Ernest Hemingway en Truman Capote aan de muur, schraapt Dhooge zijn keel. “Het roer moest om. Wilde ik nu de rest van mijn leven hier in mijn kamertje aan de lopende band genreliteratuur zitten schrijven? Of lag er iets anders in het verschiet?

“Ik was mezelf hartgrondig beu. Zodanig zelfs dat ik het licht wilde uitdoen. Had ik nog een ontsnappingsroute? Ja, maar ik moest mezelf totaal heruitvinden.” Dhooge zegt het met enig tremolo in de stem. “Daar kwam nog bij dat ik ook op persoonlijk vlak op een kruispunt stond. Een relatiebreuk – zeker als je voor je zoon de best mogelijke situatie wil creëren – hakt er extra in.”

Dhooge ontdekte hoezeer hij mentaal achtervolgd werd door de vroege dood van zijn vader, voor wie hij een grote bewondering koesterde. Bavo Dhooge sr., gewaardeerd en ijverig kinesist, stierf op 8 januari 1985 aan de gevolgen van longkanker, slechts 41 jaar. Dhooge jr. was op dat moment een onbevangen kind van amper elf. “In zekere zin ben ik al drie decennia bezig om hiermee in het reine te komen”, geeft hij grif toe. “Ik begon me te identificeren met mijn vader. Er werd voortdurend gewezen op fysieke gelijkenissen. Ook zijn rusteloosheid herkende ik zeer goed, net als zijn manisch-obsessieve trekjes. Door mijn baard te laten groeien, deed ik moeite om nog meer op hem te lijken. Ik voelde me schuldig dat ik hem overleefd had.”

Wie tussen de regels van Dhooges thrillers las, ontdekte trouwens dat de vader-zoonrelatie al eerder in zijn verhalen lag te sluimeren. In het lijvige Sr. – dat hij zijn ‘herdebuut’ noemt – graaft Dhooge nu in het leven van zijn vader én dat van hemzelf. Er rijst een ongrijpbare figuur op. Geen tafelspringer. Maar een man die naast zijn kinesistenpraktijk aan de Meulesteedsesteenweg (vlak bij de Muide) ook een passie voor jazz, kaarten en tennis aan de dag legde. “Als kind plaats je je vader op een voetstuk. Nu kwam ik erachter dat hij ook geheimen koesterde.

Bavo Dhooge: "Ik was op de vlucht voor mezelf." Beeld Aurélie Geurts

“Ik stond lang zeer wantrouwig tegenover autobiografische literatuur”, benadrukt Dhooge. “Over mezelf schrijven, dat kon ik niet. Een concreet plan om een vaderboek te schrijven had ik evenmin. Tot er iets vreemds gebeurde. In mijn impasse vatte ik het plan op om te stoppen met sociale media en Facebook. Ik wilde mezelf onzichtbaar maken, een radicale digitale detox… Maar toen ik daarmee bezig was, stuitte ik op een foto van mijn vader, geplaatst door een vrouw die hij vroeger had gekend.”

Bavo Dhooge was 11 toen zijn vader op 41-jarige leeftijd overleed: "Hij was altijd bezig. Misschien is hij daarom ook zo snel opgebrand. Op zijn sterfbed zag hij eruit als een man van zestig." Beeld RV

De schrijver in Dhooge werd opnieuw klaarwakker. “Het trof me midscheeps. En ik vroeg me af: stel dat hij was blijven leven, hoe zou zijn bestaan er tegenwoordig uitzien? In mijn naïeve verbeelding kon ik hem dat tweede leven terugschenken. Dat was mijn kracht én taak als schrijver. Maar daarvoor moest ik wel eerst diep het verleden induiken. Niet zonder risico’s: ik ben nogal melancholisch van aard. Ik kan zeer moeilijk loslaten.”

“Vanuit de buik” kwakte Dhooge een eerste versie van Sr. op papier. “Het leek alsof ik mijn zinnen verloor. Ja, neem dat maar letterlijk”, grinnikt hij. “Ik schreef erg associatief. Terwijl ik toch bekendsta als de man van de korte zinnen, tsjak-tsjak. Aanvankelijk wilde ik er ook niet mee naar buiten komen. Ik moest vooral uit mijn impasse raken.”

Tijdens het schrijfproces ging hij praten met familie, met zijn moeder en ook met een aantal vrienden: zijn vader was de jongste van vijf kinderen. “Tijdens het schrijven stuitte ik op drie kartonnen dozen met een dubieuze schat aan informatie. Zo bleek dat mijn vader een gigantische schuldenberg had nagelaten. Er zat een lijst in van spullen die na zijn dood rap rap moesten worden verkocht. In drie weken moest mijn moeder die hele administratieve santenboetiek in orde maken.

“Later ontdekte ik ook dat hij de laatste jaren een minnares had – de befaamde ‘Katja Veys’ in de roman. Ja, dan zakt de heldenstatus van je vader, de reus die nooit iets verkeerd kon doen, toch enigszins in elkaar.”

In het eerste gedeelte van het boek maakt Dhooge vaart en is hij kwistig met anekdotiek, badend in een nostalgische seventies- en eightiessfeer én met veel oog voor de Gentse couleur locale. De kinesist die onder meer de beruchte Kanaalzwemmer Marnix Snoeck bijstaat bij zijn verwoede stunts, zijn voorliefde voor de jazz, de in hoog tempo veranderende Muidebuurt, het nachtelijke getokkel op een hammondorgel, carnavalstrapatsen in een gevangenispak of de zoon die op de motor mag meezoeven richting avondlijke huisbezoeken. Onvermoeibaar leek de man.

“Zijn dagen leken eeuwig te duren, hij was altijd bezig. Een licht ADHD-trekje, wie weet?”, zegt Dhooge. “Misschien is hij daarom ook zo snel opgebrand. Op zijn sterfbed zag hij eruit als een man van zestig.”

En dan is er nog de fameuze mannensacoche. Ze prijkt nu op de haard van Dhooge. “Kijk”, zegt hij, “in de jaren 80 was dat een bijna onmisbaar attribuut voor een man van de wereld. Je kon het ding – een kruising tussen een portefeuille en een handtas – met een lint aan je arm dragen of je moest het onder je schouder stoppen. Het zou er nu erg verwijfd uitzien.” Dhooge maakt een parmantige parade door zijn woonkamer met de sacoche onder de arm. “Maar ik kan er geen afscheid van nemen. Ik heb nog zo weinig spullen van mijn vader.”

Nobel beroep

Het gaf hem troost, vervolgt hij, om ettelijke pagina’s te wijden aan liefdevolle beschrijvingen van de kamers van zijn ouderlijk huis en aan de fameuze ‘praktijkruimte’ of zijn ‘turnzaal’. ‘Zijn leven was een cocon van routine, de regelmaat van de Maelzel-metronoom op de vleugel, maar misschien wilde hij daar wel aan ontsnappen’, lezen we in Sr.

“Kinesitherapie is een soort ritueel, iets mechanisch en repetitiefs”, zegt Dhooge. “Mijn vader zat gevangen in een soort perpetuum mobile. Het is een lichtjes slaapverwekkende bezigheid, waarvoor je de hele dag moet rechtstaan. Tegelijk fungeer je ook als therapeut. Patiënten vertellen hun hele hebben en houden terwijl ze gekneed en gemasseerd worden. Pas later besefte ik hoe nobel dit beroep is: je maakt iemand met je handen rechtstreeks beter.”

Geleidelijk verandert de toon van Sr. en weeft Dhooge een plot door het verhaal. “Ik wilde het niet bij een traditioneel herinneringsboek laten. Er moest een spelelement bij, een maskerade. En gaandeweg – toen ik ook dieper in mijn eigen gevoelens begon te graven – voelde ik dat het evenzeer een zelfportret werd.” Dus schonk Dhooge zijn vader een dubbelleven in het heden en liet hij zichzelf sterven. “Ik gooi alle kaarten op tafel. Ik heb niet alleen mijn vader tot op het bot uitgebeend, ik heb ook mezelf genadeloos gestript.

“Er staan confronterende dingen over mijn ouders in. Eerder dacht ik dat ik bijna het evenbeeld van mijn vader was. Maar gaandeweg ontdekte ik hoe ik minstens evenveel op mijn moeder lijk. Zij heeft geen façade, kan haar gevoelens niet verstoppen. Zo ben ik ook.”

Of het boek toch geen ophef zal veroorzaken in zijn familie, vraag ik. Temeer omdat Dhooge nog een aantal extra minnaressen voor zijn vader verzint. Het zou niet de eerste keer zijn dat een schrijver een proces van zijn woedende moeder aan zijn been krijgt. Denk maar aan Dimitri Verhulst. “Ik heb mijn moeder afgeraden het boek te lezen”, repliceert hij.

“Mijn familie wist dat ik ermee bezig was. Ik ben – net als mijn vader – een goestendoender, ik laat me niet uit het lood slaan. Als kind vond ik wél dat mijn vader en mijn moeder een twee-eenheid waren. Pas later kwam aan het licht dat hij veel interesse toonde voor andere vrouwen. Van één wisten we het zeker – de genaamde ‘Katja Veys’ in de roman. Zeker met de adem van de dood in de nek leek die drang toe te nemen. Wellicht heb ik zijn versierdrang wat aangedikt. In ieder geval had mijn moeder twee keer de koffers klaar staan om te vertrekken. Dat is niet doorgegaan. Ze zaten meer aan elkaar vastgeklonken dan ze dachten.”

En Dhooge wil nog iets kwijt: “Ik heb mijn vader elf jaar gekend. Nu mijn eigen zoon ouder wordt en op de leeftijd komt om boeken te lezen – en nooit vragen stelt over zijn opa – wilde ik hem de kans geven om zijn grootvader toch te leren kennen. Dit mocht niet verloren gaan.”

Doorheen Sr. schemert ook een andere potentiële carrière van Dhooge. Hij laat uitschijnen dat hij – als zijn vader was blijven leven – het weleens ver had kunnen schoppen in de tenniswereld. Werd zijn carrière bruusk in de kiem gesmoord? “Ik koester die romantische gedachte graag”, lacht Dhooge. “Ik sta nog steeds graag op het gravel. Maar uiteindelijk was ik in de sportwereld wellicht ook een vreemde eend in de bijt.

“Als sportman zou de literatuur toch aan mijn mouw zijn blijven trekken. Ik belandde ook daar tussen twee stoelen. Tijdens een toernooi zat ik soms aan de kant een boek te lezen. Dat vond men raar. En omgekeerd: ik ben mijn diploma aan de Gentse Academie – waar ik film en scenario studeerde – gaan afhalen op mijn tennisschoenen; ik kwam rechtstreeks van het terrein. Ook daar was ik de outsider. Finaal bleek de lokroep van het boek sterker. Al blijf ik tennis een gracieuze, sensuele sport vinden.”

Voor Dhooge betekent Sr. een volkomen nieuwe start. Niet voor niets stapte hij over naar De Geus, een uitgeverij met zowel een thriller- als een literair fonds. En dat zorgt voor zenuwen: “Ik ben zelden onzeker over mijn boeken. Maar voor mij is deze roman nog een raadsel. Ik begeef me op glad ijs. Ik kan er nog geen afstand van nemen, het werd een regelrechte obsessie. Het eerste exemplaar ga ik begraven aan het graf van mijn vader. Pas dan zal het afgerond zijn.

Broodschrijverij

“Het kostte me ook bloed, zweet en tranen. Het oorspronkelijke manuscript telde 270.000 woorden, goed voor 900 pagina’s. Uiteindelijk heb ik er in overleg met mijn redacteur 150.000 uit gekeild. Na vijftien herwerkingsrondes zijn er 120.000 woorden of 400 pagina’s overgebleven.”

Dhooge wil ook het etiket van thrillerauteur overboord gooien: “Ik hoorde nét iets te vaak dat mijn boeken ‘vlotjes’ lazen. Fijn dat mensen drie à vier uur ontspanning beleefden. Maar het gaf me geen voldoening meer.”

Kijkt Dhooge dan neer op zijn voorbije monsterproductie? Of legde hij in het verleden gewoon de lat te laag? “Nee, natuurlijk niet. Ik blijf er trots op. Maar eerlijk is eerlijk: tussen die honderd boeken zitten er uiteraard pure staaltjes broodschrijverij. Ik was verslaafd aan een routine – of zeg maar discipline – waarin ik héél veel én héél snel kon schrijven. Tot ik besefte dat die mijlenver van mijn eigen persoonlijkheid af stond. Je kent het cliché: het echte verhaal vindt de schrijver. Dat overkwam mij té zelden. Met Sr. heb ik eindelijk dat gevoel”.

Er is geen weg meer terug, denkt Dhooge. “Ik kan onmogelijk het ritme van vroeger weer oppakken.” Deze keer zocht Dhooge zelfs een bewuste strategie om op de rem te gaan staan. “De eerste versie schreef ik met de hand. Dan tikte ik een pagina over op een schrijfmachine (wijst naar het arsenaal aan typemachines dat zijn appartement bevolkt, DL) en pas dan op de computer. Om het vervolgens uit te printen en te corrigeren. Ik vertrouw mezelf gewoon niet meer als ik zo snel schrijf. (lacht)

Bavo Dhooge, Sr., De Geus, 395 p., 21,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234