Zondag 17/11/2019

Interview

Bart Peeters wordt 60: ‘Ik heb eigenlijk alles gepikt van Beyoncé’

‘In het jaar waarin Robert Mosuse stierf aan een hersentumor, hebben Anneke en ik ook een kindje verloren. Plots waren mijn vleugels gebroken.’ Beeld Johan Jacobs

Ook de tijd zelf had het niet zien aankomen: vandaag wordt Bart Peeters 60. Acht avonden op rij strooit hij zijn liedjes van de afgelopen twee decennia door de Lotto Arena. Peeters is een zanger, een muzikant en een televisiefiguur met een corpulent cv. Maar op zijn mooist is hij als hij praat, gewoon praat in verliefde toonaarden: ‘Ik wil gerust 120 worden, maar alléén als het met Anneke is.’

Laten we meteen met de essentie beginnen: tijdens je optreden in het Rivierenhof afgelopen zomer leerde ik dat een mens ook op z’n bijna 60ste nog de perfecte kont kan hebben voor een strakke, zwarte broek.

“Dat heb ik gepikt van Beyoncé! Zoals ik eigenlijk alles van Beyoncé heb gepikt – kenners zullen dat al wel gezien hebben. Zij heeft me geleerd dat een goeie, strakke kont een kwestie van mentale instelling is. Je kunt zo’n kont spélen als je ze – zoals dat bij mij het geval is – niet hebt. Een collega van jou, Gert Van Nieuwenhove, heeft in een recensie ooit geschreven: ‘Rock-’n-roll is schudden met de tetten die je niet hebt.’ Voilà: ik schud met de tetten die ik niet heb. Ik ben Beyoncé, maar dan opgesloten in het lichaam van een kobold. (lacht)

Je geniet ook een grote renommee als televisiemaker, maar in je diepste wezen ben je een zanger: correct?

“Klopt. Op mijn 7de kreeg ik van Sinterklaas een gitaar cadeau. Ik kende de man toen nog niet persoonlijk, maar ten tijde van Dag Sinterklaas heb ik hem uiteraard omstandig bedankt: ‘Dat was een héél schone geste!’ Enfin, als kleine jongen begon ik al liedjes te schrijven op die gitaar. In de taal van Shakespeare, bovendien: ‘I want to live in peace’ en andere diepzinnigheden.

“Voor mij was het een evidentie dat ik een zanger was. Tot ik me in de middelbare school wilde aansluiten bij het koor, en te horen kreeg dat mijn stemgeluid te rauw en te hees was. De nachtegalen van de school mochten zingen, ik mocht alleen maar drummen. Dat was de eerste realitycheck. Als jonge mensen me nu, bijna vijftig jaar later, op straat aanspreken als ‘die zanger’, denk ik: up yours, schoolkoor!

“Er wordt altijd aangenomen dat talent betekent: doen waar je het best in bent. Maar dat is keihard niet waar. Talent is: doen wat je het liefst doet. Het is: een zanger worden, ook al werd je ooit opzijgeduwd bij het schoolkoor.”

Maar die zanger ben je toch niet nu pas geworden? In de eerste helft van de jaren 90 zat je al bij The Radios, dat tot ver buiten de landsgrenzen open doekjes en natte broekjes oogstte.

“Zeker, en ik heb een geweldige tijd gehad bij De Radio’s (Peeters spreekt de groepsnaam consequent in het Nederlands uit, met korte a, red.). Het was een tijd waarin ik met véél attitude op het podium stond, en bijvoorbeeld al eens een leren broek aantrok. Dat was zelfverloochening, durf ik nu te zeggen. Op het einde van De Radio’s was ik al vader van twee kleine kinderen, en plots was mijn rock-’n-rollknop kapot. Ik geloofde mezelf niet meer als popster. Dat was hard, maar het was ook góéd: ik besefte dat ik in het leven dat voor me lag, iets moest zoeken waardoor ik zou samenvallen met mezelf.”

Je hebt toen een hele poos niet meer opgetreden.

“Daar zat ook iets heel positiefs aan: ik ontdekte dat ik geen applausjunk ben. Dat is een reële mogelijkheid voor wie al eens op een podium kruipt, hè. Maar ik ben blij dat ik kan zeggen dat ik niet elke dag de echokamer van het publiek nodig heb.

“In 2000 had ik enkele liedjes gemaakt, voor het eerst in de taal waarin ik naar de bakker ga in plaats van die van Shakespeare. Die omslag naar het Nederlands is cruciaal geweest. Bij De Radio’s schreef ik onze teksten wel zelf, maar eigenlijk was het toch vooral de typische popwoordjes in zo veel mogelijk verschillende volgordes zetten – ‘cloud’, ‘sun’, ‘rainbow’. Hugo Matthysen noemde De Radio’s niet onterecht ‘het gezongen weerbericht’.

“Die nummers van 2000 waren huis-, tuin- en keukenliedjes. Ik herinner me nog dat we met het gezin aan zee waren, en de kinderen vroegen om mee krabben te gaan vangen op het strand. Waarop ik: ‘Sorry, dat lukt niet, want ik ben een liedje aan het schrijven over met je kinderen krabben vangen op het strand.’ (lacht) Dat is ‘Heist aan zee’ geworden. Nu is dat een anthem, maar indertijd geloofden mijn vrouw en ik niet dat zo’n liedje ook maar iemand buiten ons gezin zou interesseren.”

Hoe ben je dan te weten gekomen dat er wél een ruim publiek klaarzat?

“Bijna alle bepalende momenten in mijn leven zijn er gekomen omdat ik mensen durf te bellen. In dit geval: Ronny Mosuse, die me in contact bracht met de Smeulders Brothers, twee briljante muzikanten uit de Kempen. Zij brachten me bij weer andere geweldige muzikanten, en voor ik het wist, had ik een supergroep rond me. Aanvankelijk bleef het behoorlijk onder de radar, en dat vond ik prima. Dat was ook het opzet: géén circus meer. Maar toen speelden we voor het eerst op Dranouter. Dat was zo’n sleuteloptreden waarbij het ineens in alle windrichtingen explodeerde. Daar is het bescheiden gehum dat oorspronkelijk in ‘Heist aan zee’ zat dat extatische ‘oh-oh-oh’ geworden, alsof we fucking Coldplay zijn. (lacht) En we hadden er verdorie zelf niets mee te maken, want het was het publiek dat ermee begon. Enfin, ik stond daar met ongeloof naar te kijken. Ik was oprecht in de war en dacht: ik kén dit ergens van. En toen herinnerde ik me plots weer De Radio’s in 1992 op Marktrock: een concert dat toen de wereld is rondgegaan.”

Beeld Johan Jacobs

Daarmee was het massasucces in Vlaanderen een feit. Maar jullie speelden ook in het buitenland grote concerten, onder meer in het Marokkaanse Agadir. Hoe kwam je daar in hemelsnaam terecht?

“Boechout, altijd weer Boechout: de plek waar ik vandaan kom, en waar ik nooit ben weggegaan, ook al wonen we er nu vlak naast, in Hove. We waren er headliner op het Sfinksfestival. Fijn vond ik dat, want we speelden er voor mijn buren, voor de bakker, voor mijn klasgenoten van vroeger. Maar ook – en daar had ik vooraf niet aan gedacht – voor alle programmatoren van de grootste wereldmuziekfestivals ter wereld. En die dachten: tiens, die Bart Peeters staat hoger op de affiche dan Youssou N’Dour? Die moet wel heel groot zijn! En plots stonden we dus op het grootste festival van Marokko.

“Ik heb muziek altijd gebruikt om van de wereld een dorp te maken. Met De Radio’s traden we indertijd in heel Europa op, in Afrika en – zij het met minder succes – in de Verenigde Staten. En rond Nieuwjaar trek ik altijd met bevriende muzikanten naar Senegal en Gambia, om er samen met plaatselijke sterren te spelen.”

En straks is er acht keer de Lotto Arena: ook niet slecht.

“Jan Van Esbroeck, die meneer Sportpaleis is en dus ook meneer Lotto Arena, kwam met het idee. En de afgelopen twintig jaar heeft geen enkele affiche met mijn gezicht erop het straatbeeld ontsierd, maar voor deze gelegenheid – ‘Je wordt 60, Bart!’ – wilde Jan toch affiches plakken. IJdel als ik ben heb ik toegezegd. Er komen ook van die ‘Uitverkocht!’-strookjes over de affiches, met de aankondiging van nieuwe concerten erbij. Niet dat het nog nodig is in tijden van sociale media, maar ik vind dat oldskool geweldig. Dus ja: mijn vriend Hugo Matthysen heeft gelijk dat ik nooit meer mag zeggen dat ik iets ‘zonder circus’ wil doen, want dat ik fundamenteel een circus bén.”

Je was al heel vroeg een creatieve stuiterbal, en je werd daarin aangemoedigd door je ouders. Je lijkt me ook iemand die daar gewoon goed in was, in jong zijn.

“Misschien wel, ja. Maar wat ik me altijd het eerst herinner als ik aan mijn jeugd denk, is de soepele tandem die mijn ouders vormden. Het was de licht onmogelijke, maar formidabel functionerende combinatie van het uitbundige, linkser-dan-linkse hippiemeisje en de lieve, geestige man die op Leo Tindemans stemde.”

Er heerste vrijheid, blijheid, spijt-is-wat-de-koe-schijt ten huize Peeters, maar tegelijk werden jij en je broer en zus wel katholiek opgevoed.

“Bij mijn vader thuis waren ze met zestien kinderen, onder wie vier tante nonnekes en twee meneer pastoors. De tante nonnekes waren lesbisch, besef ik nu, en de pastoors hadden, helemaal zoals het hoort, een geheime relatie met hun huishoudster. Soit, het katholieke geloof was dus sterk aanwezig in de familie, maar ik heb al heel vroeg tegen mijn ouders gezegd dat ik niet meer naar de kerk wilde. Ze waren daar niet blij mee, maar het was bespreekbaar.

“Mijn broer Stijn en ik sliepen in dezelfde kamer, en op een nacht is de heilige maagd Maria aan ons verschenen. Ik zweer het: ze stond plots aan het slaapkamerraam. Was dat godsdienstwaanzin, of een teveel aan fantasie? Ik weet het niet, maar ook Stijn – de realist van ons tweeën, altijd nuchter – had haar gezien. Misschien had mevrouw de maagd goeie bedoelingen en hadden wij de nieuwe Bernadettes van Lourdes kunnen worden, maar Stijn en ik klasseerden die verschijning als eerder traumatisch. We waren het erover eens: als die maagd zomaar zonder waarschuwing voor ons raam dacht te kunnen verschijnen, dan kon ze maar beter ophoepelen. En hop: mijn geloof ging mee de vuilnisbak in.”

Stijn en jij lijken één en ondeelbaar.

“Als kind speelden we stukken van Shakespeare bij ons in de garage. Dat moet heel grappig geweest zijn, maar wij méénden het. Ik was de schrijver, de regisseur en de orkestleider, maar niet de ster op de planken. Ook tijdens onze studententijd, toen we tourden met een musical die ik geschreven had, was het Stijn die de eerste viool speelde. Ik bediende de volgspot, Stijn stond in het licht: zo leek het logisch. Maar toen ik mijn volgende musical klaar had en ermee de wereld in wilde, zei mijn broer: ‘Sorry, Bart, ik kan niet meer je stralende ster zijn, want ik word architect.’ Daardoor ben ik zelf in de spotlights gaan staan, aanvankelijk héél onwennig. En Stijn werd na verloop van tijd mijn manager. Hij is de architect van prachtige huizen, én van mijn carrière.”

De jongere broer die voor de oudere zorgt: ik vind het wel mooi.

“Zo is het altijd gegaan. Ik deed mijn burgerdienst in het decoratelier van de Antwerpse Stadsschouwburg, waardoor ik altijd vuile handen had. Als ik aankwam op de set van Pop Elektron, het programma dat ik toen presenteerde, hingen mijn handen vol met verf en lijm en onbestemde viezigheid. Ook mijn kleren. Dan moest ik aan Stijn vragen of ik zijn broek mocht lenen. ‘En eventueel ook je hemd?’ Hij was wel altijd keurig, iemand die zijn zaakjes op orde had: duidelijk een voorloper van de yuppiegeneratie. Want dat is een natuurwet: als je uit een hippienest komt, is er altijd één die zegt dat hij een Porsche wil, en vrienden met een tennisterrein. En dat was dus mijn broer. (lacht)

Je was 18 toen je Anneke leerde kennen. Ze werd je lief, en ze is nog altijd je vrouw.

“In Boechout waren de mogelijkheden om aan een lief te raken beperkt. Er was eigenlijk alleen de volksdansavond, waar je je aan de meest vernederende volksdansen moest overgeven om kans te maken bij een meisje. (plechtig) Maar ik voelde: er is een Andere Wereld, er bestaat een Hogere Waarheid. Ik moest gewoon ver genoeg fietsen. En dat klopte, want in Antwerpen vond ik de disco’s, en belandde ik in clubs waar Marvin Gaye plaatjes kwam draaien. En ja, dat deed ik allemaal samen met Anneke. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe bijzonder die tijd was, hoe onvergetelijk mooi. Ons leven samen was een vrolijk spel, en we voelden ons onoverwinnelijk. Godenkinderen!

“We beseften het toen nog niet, maar in die eerste, heftig verliefde periode legden we de basis voor ons geluk van nu. Omdat wat we toen samen beleefden ons zo verbond, wisten we – toen onze jeugd afgelopen was en we het volwassen leven in stapten – dat we het konden proberen. Dat het mogelijk was, een heel leven samen. We leken bestand tegen alle meteorieten die later met zekerheid zouden inslaan.”

Dat bleek al vrij snel, toen je halverwege de jaren 80 een populaire tv-presentator werd in Nederland.

“Het was wel wat: de jongen uit Boechout woonde plots in een herenhuis op de Keizersgracht in Amsterdam. Dat was een riskante periode. Als een volledige volksstam aan de joints zit, zeg je niet neen, hè. Ik ging soms de hele nacht uit, passeerde bij de make-up en ging pas daarna naar de set, zodat ze niet zouden merken dat ik niet geslapen had. Ik presenteerde grote loterijshows waarin je je gewicht in guldens kon winnen. In die periode, de absolute glorietijd van de televisie, keken daar zes miljoen mensen naar. Ik kan niet zeggen dat het erg vernieuwende televisie was, maar het sloeg aan, en ik belandde in één van de grootste misverstanden uit mijn leven: ik werd de nieuwe Willem Ruis genoemd. Maar ik was een verlegen jongen uit Boechout! Ik kon onmogelijk de nieuwe Willem Ruis zijn. Bovendien had zijn dochter Eva me gezegd: ‘Nou, papa zat wel stevig aan de cocaïne, dus als jij de nieuwe Willem Ruis bent, zal jij ook moeten. Maar besef wel dat je dan vroeg doodgaat.’ Telkens als ik haar nu tegenkom, zegt ze: ‘O, je leeft nog altijd! Je hebt het dus niet gedaan? Geweldig!’ En dat is precies waar Anneke de regie overnam: zij zag dat ik vatbaar was voor de gevaren, en wees me erop dat ik van nature al stoned genoeg ben. (lacht) En ook: dat de zogenaamde glamour, de excessen en het leven als een royal niet het jasje waren dat me paste. We zijn nu meer dan dertig jaar later, en het is nog steeds heel eenvoudig: ik kan me geen leven zonder haar voorstellen. (ernstig) Ik wil gerust 120 worden, maar alléén als het met Anneke is.”

Dat mooie huwelijk voegde drie exemplaren toe aan de mondiale populatie: Nona (27), Winnie (25) en Pablo (17).

“Het is grote liefde tussen ons, maar ze worden toch liever niet té nadrukkelijk geassocieerd met die rare versie van hun vader op het podium. Twee jaar geleden speelde ik op de Student Kick-Off in Gent. In een impuls wierp ik me in het publiek en begon ik te crowdsurfen. Plots schoof ik over het hoofd van Winnie. Er schoten vuurballen uit haar ogen, die ik onmogelijk verkeerd kon interpreteren: ‘Papa, als gij nu durft te zeggen: ‘Hier sè, ons Winnie sè!’, dan vermoord ik u dat ge er een heel leven dood van zijt!’ (lacht)

Voel je het generatieverschil?

“Je zegt het juist: er is een verschil tussen de generaties, maar geen strijd. Het gaat over technologie, natuurlijk, over sociale media. Onlangs zei Nona: ‘Papa, je bakt er echt niks van op Instagram. Laat mij je account beheren.’ Sindsdien lijk ik gewéldig mee met mijn tijd. Ik vind het een interessante generatie. De grote sterren zijn nu de vloggers, hè. Dat zijn mensen met een eigen televisiestation! En ze hebben macht. Want je ziet meisjes die over lipgloss filosoferen, maar je voelt dat het daar niet bij zal blijven. In Nederland heb je bijvoorbeeld Enzo Knol. Die riep op een bepaald moment op tot de deo-challenge: ‘Spuit veel, maar echt véél deodorant op je arm.’ De volgende dag kregen de ziekenhuizen in Nederland massaal veel jongeren met brandwonden binnen.

“Ik stel me voor dat die vloggers telkens een stapje verder gaan. Wat als er plots een zegt: ‘Hier is de volgende challenge! Je neemt benzine, je giet die uit in je woonwijk, je steekt alles in de fik en je kijkt wat er gebeurt!’ Grapje, maar ik geloof wel echt dat die generatie ofwel tot ultieme schoonheid komt, ofwel tot totale destructie. Maar de wereld overnemen zullen ze. De blitzkrieg van de millennials is begonnen, en ik vind het prachtig – het doet me denken aan hoe The Sex Pistols de gevestigde orde onder de kont schopten.”

Je hebt je argeloosheid kunnen bewaren, maar waarom niet gewoon Statler of Waldorf worden, de brompotten uit The Muppet Show?

“Ik zie overal schoonheid, dat krijg ik mezelf niet afgeleerd. En maar goed ook, want er zijn al voldoende ouwe cynici. Mijn levensmotto is: ‘Als je bij élke stap die je zet rekening houdt met de mogelijke gevolgen, met wat er fout zou kunnen gaan, dan beweeg je niet meer.’ (hoort zijn eigen woorden) Jezus, dat moet zo ongeveer het krukkigst geformuleerde levensmotto uit de geschiedenis zijn! Maar ik meen het wel. Toen Anneke en ik aan kinderen begonnen, was dat geen grondig beredeneerde keuze. Dat kan ook niet, want als je alle risico’s in kaart brengt, dan doe je het gewoon niet. Dus we begonnen eraan, en we wisten niet in wat voor een avontuur we ons stortten. Maar kijk: we hebben drie geweldige kinderen gemaakt. Nona werkt nu voor productiehuis Shelter aan een kerstaflevering van Wat als?, Winnie heeft pedagogie gestudeerd en werkt met mensen met een beperking, en Pablo zit op de kunsthumaniora en blijkt een begenadigd fotograaf te zijn. Hij heeft ook muzikaal talent. We hebben samen opgetreden op de begrafenis van mijn vader, en achteraf zei Hugo Matthysen me dat hij me nog nooit zo juist had horen spelen. ‘En dat kwam door het secure pianospel van Pablo.’ (lacht)

‘De blitzkrieg van de millennials is begonnen, en ik vind het prachtig: het doet me denken aan hoe The Sex Pistols de gevestigde orde onder de kont schopten.’ Beeld Johan Jacobs

Hugo Matthysen is één van die mannen met wie je een langlopende vriendschap hebt. Hoe dicht laten jullie elkaar komen?

“Ik sta er vaak versteld van hoevéél dingen mijn vrouw en haar vriendinnen met elkaar bespreken. Hugo en ik speelden indertijd al twee jaar in dezelfde groep toen we over elkaar te weten kwamen dat we allebei ook scenario’s schreven. Dat is gek, neen? Dan hebben mannen toch een probleem?

“Onze gevoelens zijn even vol en rijk als die van vrouwen. Alleen missen we vaak het talent om die ook te communiceren. Ik merk het bij mezelf: wat ik niet gezegd krijg in een gewoon gesprek, verdwijnt in een liedje. Mannen hebben een vehikel nodig om zich te uiten, een omwegje, terwijl vrouwen gewoon praten. Die moeten daarvoor niet in een groepje gaan spelen, of wekelijks gaan zaalvoetballen.

“Maar het goede nieuws: het wordt beter met het ouder worden. En ik heb het geluk dat ik Warre Borgmans in mijn leven heb – hij is mijn schoonbroer. Vaak spreken we met z’n drieën af, Warre, Hugo en ik. Dat zijn hilarische bijeenkomsten die steevast afgesloten worden met een wandeling door een parkje in Mortsel dat niets voorstelt, maar toch de naam Klein Zwitserland heeft gekregen – hoogmoed waar ik van hou. En vaak komt Warre dan met de grote, ernstige levensvragen.”

Al tot belangwekkende inzichten gekomen?

“Bijvoorbeeld: dat ik leef van harmonie, niet van frictie. Ik heb een enorme nood aan nestwarmte. En zoals in alles hadden The Beatles gelijk: je krijgt de liefde die je geeft. Ik ben verslaafd aan graag zien, en aan graag gezien worden – ik lééf voor die wisselwerking. En ik begrijp dat er mensen zijn die leven van het conflict. Ik begrijp ook dat er uit wrijving veel grote kunst is voortgekomen. Maar zelf functioneer ik alleen in harmonie.

“Harmonie betekent overigens niet: kritiekloos geadoreerd worden. De mensen rond me zeggen het gewoon wanneer ze vinden dat ik mezelf even kwijt ben. Ook mijn kinderen, ja. In Achter de rug op VIER werd ik feestelijk geroosterd door Winnie: ‘Je was er altijd, papa! Op Eén, op Canvas, op VTM…’ (lacht luid) Ik begon meteen te blèten, en er was wat bezorgdheid: ‘Oei, is hij gekwetst?’ Maar ik was aan het blèten van contentement! Ik was zo trots op mijn dochter: ze heeft een fenomenaal talent voor het uitschijten van haar vader.”

Vandaag ben je een zanger van 60.

“De tijd is aanvankelijk een eindeloze oceaan die zich voor je uitstrekt, je bent lang onsterfelijk. Maar sinds kort ken ik het ‘De tijd dringt’-syndroom. Voorheen holde ik met een zekere nonchalance door het leven. Nu is het heel duidelijk: ik doe alleen nog waar ik echt in geloof. Zoals ik in het begin van het gesprek zei: na De Radio’s wilde ik samenvallen met mezelf, geen slecht zittende rolletjes meer spelen. Wel, ik geloof dat ik het intussen onder de knie heb.”

Heb je nog grote dromen of verlangens?

“Ik geloof niet dat er nog een roman, een balletvoorstelling en een opera in me zitten. Mijn verlangens zijn verlangentjes: na de Lotto Arena en de daaropvolgende tournee in Nederland komt er weer schaalverkleining. Een kleine plaat maken. Klein optreden. Klein leven. Nu ja, vorige week maakte Anneke zich vrolijk over me omdat ik wéér eens gezegd had dat het even heel druk is, dat mijn leven zich momenteel door een flessenhals wurmt, maar dat straks alles weer openligt voor ons. ‘Hoe vaak heb je die uitleg al gebruikt,’ vroeg ze, ‘en vooral: hoe lang ga je die zelf nog geloven?’”

Bij ouder worden hoort ook verlies. Vier jaar geleden is je vader gestorven.

“Mijn vader had al sinds zijn 50ste een abonnement op hartinfarcten, en bij één van die infarcten was een pingpongbal kanker gevonden in zijn longen. Maar uiteindelijk is hij gestorven aan dementie – dat is de wilde ironie van het leven, ja. Op een bepaald moment was mijn vader er fysiek nog, maar mentaal niet meer. Hij sprak plots Frans en Latijn, en zong liedjes van Armand Preud’homme – dat had hij nooit gedaan. Die ongelooflijk wijze, lieve, geestige man was verdwenen, maar zijn omhulsel was er nog. Dat was heel bevreemdend. Ik ben de eerste om te zeggen dat de dood bij het leven hoort. Maar mijn ouders waren zo’n straf koppel – in de showbizz zouden ze zeggen: a tough act to follow. Het was indrukwekkend om op te groeien met een vader en een moeder die elkaar zo innig liefhadden. En die ons, de kinderen, inspireerden in plaats van af te remmen. Ik vind het heel moeilijk om mijn moeder nu met dat massieve verdriet te zien. Ze is gehalveerd, en dat voelt zo wreed.”

Je kende de dood al: in 2000 is je vriend Robert Mosuse aan een hersentumor gestorven. Hij was amper 30.

“Toen is het even heel donker geworden. In datzelfde jaar hebben Anneke en ik ook een kindje verloren – het werd geboren, maar bleek niet levensvatbaar. Het was te veel: plots waren mijn vleugels gebroken. De mensen die van me houden, hadden dat ook zien aankomen: de crash was onafwendbaar. Misschien ben ik iets te gevoelig voor dit leven, mijn antenne ontvangt veel frequenties. Ik heb evenveel talent voor vrolijkheid als voor verdriet. En als er dan zulke dramatische dingen gebeuren, dan val ik. (denkt na) Eigenlijk is dat toch logisch, niet? Ik zou het heel gek vinden als een mens als ik nooit donkere gedachten zou hebben. Ik herken mezelf niet in het beeld van de eeuwig vrolijke vlinder. Oprecht geluk kan alleen bestaan als er ook oprecht verdriet is.

“Je kunt niet afstuderen in het leven. Ik wantrouw mensen die heel zeker zijn van de dingen. ‘Kijk, het is heel simpel’, roepen ze, en dan volgt er zo’n als absolute waarheid opgediende uitspraak. Maar het leven is niet simpel. We weten niets. We proberen maar wat. En dat is de tragedie, maar dat is ook wat het allemaal zo mooi maakt.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234