Woensdag 24/07/2019

Boeken

Barry en Gele Ali zaten eens op café: een voorpublicatie uit de nieuwe roman van Marnix Peeters

DM-columnist Marnix Peeters brengt op 12 september zijn nieuwe roman uit. Beeld Bob Van Mol

In Ik heb aids van Johnny Diamond kampt autoverkoper Barry King met een knoert van een midlifecrisis. Als alles in Barry’s leven aan het wankelen gaat, kiest hij samen met zijn vriend Gele Ali voor de vlucht vooruit.

1.

Ik kan mij nog heel precies het moment herinneren waarop ik besefte dat mijn leven voorbij was. Het moment waarop ik plots voor honderd procent zeker wist dat het niets voor mij was. Het huwelijk. Dat ik een blanco cheque had ondertekend waar ik voor de rest van mijn leven voor zou betalen. En ik heb toen mijn schouders opgehaald, ik heb al lachend gezegd: allez vooruit, en ik heb mijn poot daaronder gezet. En ik heb er nog op gedronken ook – een glas van de smerigste schuimwijn.

Toch geen beige, had Jan gezegd toen zij thuiskwam uit de kliniek, waar zij enkele dagen in observatie had gemoeten omdat ze krampen had. In de tussentijd had ik de kinderkamer behangen en geschilderd.

Beeld rv

Ik zei: dat is geen beige.

Dat is beige, had Jan geantwoord, zwaar ademend en met haar rechterhand dramatisch haar grote opgespannen buik bevoelend.

Kijk hier op de pot, zei ik. Gebleekte amandel. Als het beige is, staat er ‘Beige’.

Ze geven aan alles een naam, zei Jan, nu met tranen in haar onnozele ogen. Maar het blijft beige. Ik leg mijn dochter niet te slapen in een beige slaapkamer.

Zij was daar niet van af te brengen, noch had zij er een uitleg voor. Het wás gewoon zo. Dan weet ge: dat komt hier nooit meer goed.

2.

Al een tijdlang had de motor plofgeluiden gemaakt, die steeds frequenter werden, en die gaandeweg vergezeld werden van een gesnerp, een gerinkel ook, in het motorblok. Automobilisten maakten mij, met hun duim naar achteren wijzend, attent op de zwarte rook die de uitlaat van de Vespa uitstootte.

Ge hebt geen naft meer, zei Gele Ali nadat ik op de pechstrook was gestopt.

Hij is nog voor driekwart vol, zei ik.

Vespa, zei Gele Ali, het woord uitspuwend. Ik snap dat niet, Barry. Italianen maken alleen brol. Dat ziet er goed uit, dat maakt indruk op de wijfjes. Alfa Romeo. Ge ziet dat en ge denkt: daar win ik de 24 uren van Le Mans mee. En de eerste keer dat ge harder rijdt dan honderdveertig beginnen uw pistons te rammelen. Vespa juist hetzelfde. Dat dient om traag mee langs de terrassen te rijden, tot er eentje achterop springt en haar adres in uw oor fluistert. Of om tegen te leunen en sigaretten te staan roken. Níét om mee te rijden, en al zeker geen grote afstanden. En zéker niet als het belangrijk is en ge er op tijd moet zijn.

Ja, Ali, zei ik, dank u. Maar we staan hier wel.

Als er één ding is waar Johnny Diamond niet tegen kan, is het mensen die te laat komen, zei Gele Ali. Ik ben ooit eens te laat gekomen bij hem, en toen heeft hij...

Ge kunt misschien mee nadenken over een oplossing, zei ik. Kent gij iets van motoren?

Alleen van echte, zei Gele Ali. Niet van Italiaanse. Die arbeiders in de fabriek staan ook de hele tijd naar elkaars kont te loeren in plaats van hun vijzen vast te draaien. En te vragen of ze ’s avonds mee macaroni gaan eten ergens.

Enkele uren later zaten wij in een Biergarten in een buitenwijk van Duisburg te wachten op nieuws van de garagist. Oeh, Vespa! had die verzucht toen hij ons kwam takelen.

Ali kon zijn ogen niet afhouden van de dienster, die een witte blouse droeg met daarover een mouwloos lederen vestje, dat vooraan met een veter was samengebonden.

Staar niet zo, zei ik. Ik geneer mij in uw plaats.

Dat hebt ge nu met uw vrouwen, zei Gele Ali. Ge moogt er zogezegd niet naar kijken, maar ze doen wel alles om u te dóén kijken. Die nestel, dat is pure provocatie. Die spreekt tegen het kind in u. Wat doet een kind het liefste? Cadeaus openmaken. De strik lostrekken en zien wat erin zit. Een vrouw die zoiets draagt, zegt: ge zijt waarschijnlijk zeer benieuwd naar wat er in het pakje zit. Nu, ge kunt bijna de helft al zien, dus ge weet het al, maar toch. Ge wilt de rest ook.

Ge zweet, Ali, zei ik. Beheers u een beetje.

Hoe moet ik mij nu beheersen, als die vrouw mij uitdaagt? zei Gele Ali. Ze zouden buiten toch ook eens een plakkaat mogen hangen om te zeggen dat het hier een hoerenkot is.

Dat is het niet, Ali, zei ik. Stop met met uw tong naar haar te klakken.

Ik ga haar prijs vragen, zei Gele Ali, de dienster wenkend.

Met een brede glimlach kwam zij naar ons gelopen, haar haren in een schattig dotje. Waarmee kan ik u verder nog van dienst zijn? vroeg zij.

Niets, antwoordde ik snel.

Hoeveel is het? vroeg Gele Ali, zijn duim en wijsvinger over elkaar wrijvend.

Let niet op mijn vriend, zei ik.

Oh, laat eens kijken, zei de dienster, in haar schort graaiend en een bonnetje tevoorschijn halend. Twaalf euro tachtig alstublieft.

Ik greep naar mijn portefeuille, maar Gele Ali sloeg mijn arm weg.

Niet de drankrekening, simpel wijf! klonk het uit zijn keel, rochelend. Om uw veter los te trekken.

Wat? vroeg de vrouw.

Hotdog spelen, zei Gele Ali. De mosterd eraf likken. Gaan met de banaan. Gij hebt nogal dingen, geile! Al een geluk dat wij in panne staan. Vespa. Altijd verdriet. Zult ge met Duitse modellen niet tegenkomen. Hoe zit het? De vraag is: zijt gíj klaar voor Ali? Quanto costa?

Neem het hem niet kwalijk, zei ik. Duizendmaal excuses. Hij loopt sociaal wat achter.

Vijfenzeventig euro, zei de dienster. Enkel de Japanse cravate. Ge krijgt vijf minuten, ik kan de toog niet te lang alleen laten.

Lees hieronder verder

Ali kon zijn ogen niet afhouden van de dienster, die een witte blouse droeg met daarover een mouwloos lederen vestje, dat vooraan met een veter was samengebonden. Beeld Tzenko Stoyanov

3.

Hoe wist gij dat dat een hoer was? vroeg ik.

Wij lagen op een bed in de Duisburg Ibis Budget am Innenhafen, nadat de technieker niet was klaargeraakt met de herstelling van de Vespa.

Vijfennegentig procent van de vrouwen zijn hoeren, zei Gele Ali. En de vijf op honderd die technisch gesproken géén hoer zijn, vallen meestal wel omver te lullen. Ge moet al wreed veel pech hebben om van een kale reis terug te keren. Barry, dat is voor u toch geen wereldnieuws?

Nee, maar, zei ik.

Er is van alles bij gekomen, zei Gele Ali, maar eigenlijk hebben wij maar één doel. Ge wordt geboren en ge hebt maar één opdracht: uw piet erin steken. Vrouwen hebben maar één bestemming: stil gaan liggen en wachten tot de klokken geluid hebben. Omdat ge niet de godganse dag kunt neuken, zijn mensen beginnen te schilderen en beeldhouwen en boeken schrijven, en hebben ze de tv uitgevonden en kunt ge gaan tennissen en naar de voetbal gaan kijken en met de auto rondrijden. Maar dat is allemaal tijdverdrijf. De gaten vullen tussen het echte werk. Wat heeft de garagist gezegd?

Dat hij het probleem niet vindt, zei ik. Misschien een productiefout.

Ja, wat heb ik gezegd? zei Gele Ali. Die zitten meer op de wc boekskes te lezen dan dat ze aan de band staan.

Als hij het morgenvroeg niet gevonden heeft, kunnen we van hem een auto huren, zei ik.

Doe dat maar, zei Gele Ali. Gij betaalt.

4.

Als ge jong zijt denkt ge er niet bij na. Iedereen trouwt. Ge hobbelt mee het pad af, zonder u één keer af te vragen of het wel is wat ge wilt in uw leven. Zo’n belangrijke keuze, en niemand zegt u: ga er eerst maar eens een paar maanden voor zitten. Ga de mogelijk­heden eens af. Voor uw studies sturen ze u naar advies­organen en info­dagen en geven ze u psycho-medisch-sociale bijstand tot de bijstand, de info en het advies uw oren uitkomen. Als het over trouwen gaat, hoort ge geen piep.

Het is pure zwendel. Lelijk bedrog wat ze met jonge mensen doen. Ge vraagt u af waarom. Ja, om de maatschappij gesmeerd te doen lopen, om zo weinig mogelijk deserteurs te hebben, maar moet ge daarom iederéén de vuurlijn injagen? Wat hebt ge aan al die ongelukkige mensen die doof en blind ‘ja’ hebben gestameld toen de eerste de beste ze de vraag stelde? Die, geketend door hun huwelijksbeloftes en gekooid door hun ouderschap, met hangende schouders hun levensplichten vervullen, zonder vuur en zonder goesting, juist het hoogstnodige doend om het vaartuig drijvend te houden, terwijl zij maar al te goed beseffen welke heerlijke avonturen het bestaan voor hen in petto had, en nog steeds heeft, want van achter de horizon horen zij de opgewonden kreten en het geschater van de enkelingen, de dapperen die uit de fuik zijn weten te blijven, de verkorenen die zich te goed doen aan alle geneugtes denkbaar – vrouwen, jongens, drank, tovenarij, elke dag slapen zo lang men maar wil.

Hebben deze vrijbuiters destijds ook die angst gevoeld, al was het maar even? De angst voor de eenzaamheid, de angst om uit­gelachen en beschimpt te worden, om als loser door het leven te moeten gaan – als de enige van de klas die géén vrouwtje wist te strikken? Of hebben zij gedacht: neen, in die keukentjes met die glimmende, ongebruikte KitchenAids van de huwelijkslijst, daar schuilt het niet. In die woonkamertjes waar men na zeven uur door de gordijnen heen de flat­screen ziet flikkeren, die de bewonertjes in slaap doet, daar valt het niet te rapen. En al zeker niet in de slaapkamers waar men om kwart voor elf het licht ziet uitgaan en waar dan – voor de naïeve toeschouwer – de geheime tijden aanbreken; daar breekt juist niets aan, of het moest het slapeloze getrek met dekens en dekbedden zijn, het geërgerde gezucht en gemompel. Neen, hebben zij gedacht, in die vreemde, onnatuurlijke eenvormigheid kan het geluk zich niet verschuilen. In zulke dorre unanimiteit kan het individu niet tot bloei komen.

Marnix Peeters, Ik heb aids van Johnny DiamondPottwal Publishers, 300 p., 15,99 euro. Uit op 12 september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden