Vrijdag 24/05/2019

Opera

Aviel Cahn neemt afscheid van Opera Vlaanderen: ‘Schauvliege sprak duidelijk niet met kennis van zaken’

Artistiek directeur van Opera Vlaanderen Aviel Cahn. Beeld Illias Teirlinck

Aan het einde van dit seizoen neemt artistiek directeur Aviel Cahn afscheid van Opera Vlaanderen. Hij wordt intendant van de opera van Genève, in zijn geboorteland Zwitserland. Hij kijkt terug op zijn jaren hier, zijn strubbelingen met de politiek en zijn artistieke successen.

Toen Aviel Cahn (44) aantrad als intendant, stond Opera Vlaanderen voor grote uitdagingen. De opera kampte al jaren met onderfinanciering – tot ergernis van de vorige intendant, Marc Clémeur, die zich genoodzaakt zag om de activiteiten tot een minimum te beperken. Er was geen vaste dirigent, het orkest slokte een te groot deel van het budget op, en Opera Vlaanderen had het moeilijk om zich te kunnen profileren naast De Munt.

“Er was veel werk aan de winkel maar de omstandigheden waren niet slecht", zegt Cahn, nu hij tien jaar later afscheid neemt als intendant. “De voogdijminister, Bert Anciaux (sp.a), was welwillend. Ik had een goede raad van bestuur met een heel goede voorzitter, Paul Cools. Men was er zich van bewust dat er in de opera iets moest gebeuren. Na achttien jaar van één intendant – en dat heeft niets met Marc Clémeur te maken – is het altijd moeilijk. Maar ik was er niet bang voor.”

U had Anciaux overtuigd met het argument dat u ‘de verschillende gemeenschappen in de twee steden en het culturele veld als dusdanig beter bij de opera zou betrekken’. Bent u daarin geslaagd?

“Ik heb het zeker geprobeerd. Ik heb veel samenwerkingsverbanden met gezelschappen van hier gesmeed: met Abattoir Fermé, FC Bergman. We hebben intensief en continu samengewerkt met partners zoals Muziektheater Transparant, LOD, Het Paleis en andere. Het festival voor hedendaags muziektheater Opera21 is ontstaan in samenwerking met deSingel en andere partners. Het publiek is vandaag diverser dan vroeger. We hebben de gemiddelde leeftijd serieus naar beneden kunnen halen.”

Was dat vooral een kwestie van communicatie of ook van de inhoud van uw aanbod?

“De twee. Neem Les pêcheurs de perles, van FC Bergman. Normaal trekt zo’n titel vooral de oudere generatie aan. Maar nu kwamen vele mensen niet voor de opera maar om te zien wat FC Bergman met die opera deed. Het was, mede door de grote media-aandacht, een absoluut succes: vijftien volledig uitverkochte avonden, ik had er nog twee meer kunnen doen. Dus ja, de dramaturgie maakt een verschil. Maar we hebben uiteraard ook met een onconventionele communicatie en vormgeving op een jonger publiek gemikt. Is dat allemaal duurzaam? Sommigen komen terug, anderen niet. Maar je hebt opera op de radar van die mensen geplaatst.”

‘Les pêcheurs de perles’ Beeld Annemie Augustijns

Waarom hebt u dan niet meer zulke ‘gewaagde’ projecten gedaan?

“Als je een productie in handen geeft van mensen die normaal niet met opera bezig zijn, neem je risico’s. Dat was ook zo toen we voor Pelléas et Mélisande samenwerkten met Marina Abramović. Zoiets vraagt jaren voorbereiding. Je moet zulke mensen overtuigen, het juiste project voor hen vinden. Dat kun je niet voor elke productie, net zoals je niet elke keer een Hollywood-ster als Christoph Waltz kunt inhuren om Rosenkavalier te ensceneren. Je moet ook voorstellingen maken die makkelijker van stapel lopen.”

Had u nog beter op diversiteit kunnen inzetten?

“Zeker wel. Het blijkt overal moeilijk om mensen met een andere culturele achtergrond naar de opera te halen. We hebben dat meer dan eens geprobeerd, bijvoorbeeld door samen te werken met Let’s Go Urban van Sihame El Kaouakibi of door een aantal schoolprojecten. Maar ik geef toe: er is nog een lange weg te gaan. En er zijn geen eenvoudige oplossingen voor. In de Komische Oper in Berlijn geven ze boventiteling in het Turks. Ze hebben daar onderzocht hoe vaak die Turkse boventitels gebruikt worden. Het bleek toch eerder een decoratiestuk te zijn.”

Op welke voorstellingen bent u het meest trots?

“Spontaan zou ik zeggen: Tragedy of a Friendship, het Wagner-project met Jan Fabre en Stefan Hertmans. Dat heeft hier iets losgemaakt. Verder: Samson et Dalila, met een Israëlische en een Palestijnse regisseur die samenwerkten. Je kan over het resultaat discussiëren maar dat was heel belangrijk als signaal hoe we hier met opera willen omgaan. Ook: Mahagonny met Calixto Bieito, een nieuwe, provocerende manier om zo’n stuk te brengen. En zeker ook de Parsifal van Tatjana Gürbaca, die een hele reeks internationale prijzen heeft binnengehaald en die Opera Vlaanderen internationaal weer op de kaart heeft gezet. En tot slot: de wereldcreatie van Chaya Czernowin en Luc Perceval Infinite Now, een grensverleggende voorstelling voor het operagenre.”

‘Mahagonny’ Beeld Annemie Augustijns

Met Tatjana Gürbaca hebt u hier een heel traject afgelegd, waardoor zij wellicht in 2020 de Ring in Bayreuth kan gaan regisseren. Hoe vind u zo iemand?

“Dat is simpelweg de opdracht van een huis als Opera Vlaanderen: het kan en moet impulsen geven aan het operaleven. We zijn niet de Wiener Staatsoper of de Metropolitan Opera in New York, die gewoon de sterren kunnen laten paraderen. Marc Clémeur heeft hetzelfde gedaan als ik: hij heeft Ivo Van Hove als operaregisseur gelanceerd, hij heeft Robert Carsen met grote cyclussen op de kaart gezet. Wat Gürbaca betreft: ik wist dat zij een heel goed regisseur was, die met zangers en een koor kon omgaan. Maar zij moest nog haar esthetische oog ontwikkelen. Ik heb haar met decorbouwer Henrik Ahr in contact gebracht, met wie zij nog altijd haar beste voorstellingen maakt.”

U was de eerste buitenlandse intendant van de opera. Hebt u zich hier snel thuis gevoeld?

“België is een gezellig land. Mensen nodigen je uit op café of voor een etentje, je maakt snel contact. Ik werd heel warm ontvangen en had al snel een vriendenkring. Dus privé liep dat wel goed. Politiek was het wel even wennen. De complexe structuur van alles, de vele subsidiënten, de relaties tussen Antwerpen en Gent… ik heb het net nog in een interview in Genève gezegd: mijn ervaringen met de politiek in België hebben mij veel meer geleerd dan mijn jaren in Zürich. 

“Het ergste vond ik het gebrek aan continuïteit. Na anderhalf jaar waarin ik kon genieten van een goede relatie met minister Anciaux, kwam er een nieuwe minister van een andere partij, Joke Schauvliege (CD&V), en werd alles weer op de helling gezet. Zij wilde het orkest van de opera afschaffen, de subsidie werd serieus verminderd. Wat doe je dan? Je vecht. Je begint te lobbyen. Je probeert overal – ook in het Vlaams Parlement – het correcte verhaal te brengen. Want de minister sprak duidelijk niet met kennis van zaken. 

“Daarbovenop kwam dan de fusie met het Ballet van Vlaanderen, die men halsoverkop wilde doorvoeren. Dat was een pure besparingsoperatie, zonder enig achterliggend idee. Men had dat heel anders kunnen aanpakken: met dialoog tussen de instellingen, serieuze analyses en plannen, overgangsmaatregelen, enzovoort. Enfin, de Zwitserse aanpak. Wij zijn toen nauwelijks geconsulteerd geweest. Achteraf bekeken heeft het ballet – dat de fusie op leven en dood heeft bestreden – er enorm door gewonnen. Het ballet produceert nu veel meer, heeft meer zekerheid, heeft baat bij de vernieuwing die Sidi Larbi Cherkaoui brengt. De opera daarentegen heeft iets minder flexibiliteit.”

‘Samson et Dalila’ Beeld Annemie Augustijns

Kunt u nu minder doen?

“In het begin heb ik meer kunnen produceren dan nu. Maar dat heeft vooral met de afname van de subsidies met meer dan een miljoen onder Schauvliege te maken. Op de beste momenten lag het puur artistieke budget van de opera op 6,5 miljoen, nu is het nog een dikke 5 miljoen, terwijl het artistieke budget van het ballet meer dan verdubbeld is. Daardoor kon ik ook niet meer alle producties in Gent én Antwerpen spelen en moest ik meer reprises brengen. Ik ben daar niet bitter over, maar je moet de dingen wel bij hun naam noemen.”

Is ook het artistieke klimaat in Vlaanderen geëvolueerd sinds u hier bent?

“Een jongere generatie heeft haar plaats gevonden en de oudere is wat naar de achtergrond verdwenen. Toen ik hier begon, was Sidi Larbi Cherkaoui nog niet echt een ster. FC Bergman bestond nog maar net. Er waren enkele toppers zoals Jan Fabre of Alain Platel. Guy Cassiers had net zijn mandaat bij het Toneelhuis opgenomen. Luk Perceval wilde niks meer weten van België. Vandaag is het landschap veelzijdiger, misschien zelfs opener. Dat biedt ook voor de opera nieuwe mogelijkheden tot samenwerking.”

Binnen enkele maanden wordt u hier opgevolgd door Jan Vandenhouwe. Wat zou u hem willen toewensen?

“Hij draagt de grote erfenis mee van twee übervaders: Gerard Mortier en Johan Simons, die hier beiden heel bekend zijn. Ik hoop dus dat hij zijn eigen taal kan vinden, los van die twee.”

En vindt u dat u het huis in goede staat overlaat?

“Door de fusie en al wat daarrond is gebeurd, is het nog niet volledig tot rust gekomen. Ook de gebouwen zijn nog niet in orde. Het Gentse restauratieverhaal sleurt zich moeizaam voort, en hier in Antwerpen zitten we al een hele tijd midden in de bouwwerf van de leien en de Antwerp Tower, en dat zal nog wel even duren. Maar artistiek gesproken zitten we wel goed. De kwaliteit van koor en orkest is serieus verbeterd. Het is goed dat er met Alejo Pérez een nieuwe muziekdirecteur is. Het huis is artistiek fit en heeft een groot en divers publiek. Politiek zullen we natuurlijk moeten zien wat de verkiezingen brengen. Maar op dit moment is de situatie ook op dat vlak stabiel, veel steviger dan toen ik het heb overgenomen.”

Aviel Cahn Beeld Illias Teirlinck

Kijkt u uit naar Genève?

“Het is een operahuis waar opnieuw het soort werk nodig is dat ik hier in 2009 heb moeten doen: opening van de instelling naar een breder en diverser publiek, creëren van een inclusief verhaal, artistieke vernieuwing. Maar dat doe ik graag. Anderzijds: van het katholieke Vlaanderen naar het calvinistische Genève, dat is een cultuurschok. Nee, serieus: hier kon ik de dingen tamelijk assertief vernieuwen. In Genève zal ik dat voorzichtiger moeten doen.”

U beëindigt uw mandaat met twee eerder pessimistische stukken: Les Bienveillantes, een nieuwe opera van de Catalaanse componist Hèctor Parra naar de roman van Jonathan Littell, en Macbeth van Verdi naar Shakespeare. Was dat de bedoeling?

“Dat is een aansporing. Ik heb altijd gezegd dat opera als kunstvorm politiek relevant moet zijn. Dus eindig ik met twee stukken die aan het geweten van de individuele burger appelleren. Les Bienveillantes toont hem dat er een moment bestaat waarop hij in opstand moet komen; Macbeth kruipt in het geweten van de misdadiger.”

De wereldcreatie van ‘Les Bienveillantes’ van Hèctor Parra vindt plaats op 24 april in de Antwerpse opera. ‘Macbeth’ gaat in première op 21 juni. Daarna is er nog een afscheidsconcert onder de titel ‘Afscheid en nieuw begin’ met werk van Wagner en Tsjaikovski op 28 juni in de Opera in Gent en op 29 juni in deSingel in Antwerpen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.