Dinsdag 15/10/2019

Interview Colson Whitehead en Nana Kwame Adjei-Brenyah

Auteurs Nana Kwame Adjei-Brenyah en Colson Whitehead: “Het jachtseizoen op zwarte jongemannen is altijd geopend”

Colson Whitehead (r): ‘In ons land zijn er nu eenmaal zo’n 120 miljoen racistische klootzakken.’ Beeld Eva Roefs

Hoe schrijf je als Afro-Amerikaanse schrijver over het diepgewortelde racisme in je land? Debutant Nana Kwame Adjei-Brenyah (28) en sterauteur Colson Whitehead (49): ‘Talloze Amerikanen verlangen terug naar de jaren 1950, toen gekleurde mensen hun plaats nog kenden.’

Om maar meteen de olifant in de kamer te benoemen: wat vinden de twee Afro-Amerikaanse auteurs ervan om sámen geïnterviewd te worden? Ja, er is thematische verwantschap tussen hun werk, maar misschien voelen de schrijvers zich iets te makkelijk op één hoop gegooid. Debutant Nana Kwame Adjei-Brenyah en de gevierde schrijver Colson Whitehead kijken elkaar even aan.

Whitehead: “Mwah, laten we daar niet meer van maken dan het is. Ik doe dit graag. Ik ken Nana en ik bewonder zijn werk.”

Adjei-Brenyah: “Hetzelfde geldt voor mij. Bovendien werd ik dankzij Colson vorig jaar bij de National Book Award benoemd tot een van Amerika’s beste vijf schrijvers onder de 35 jaar. Colson zat in de jury. Ik sta dus bij hem in het krijt.”

Mooi, dan is dat uit de lucht. Het gesprek, dat plaatsvindt in het tuinhuisje van hun uitgever Atlas Contact in Amsterdam, kan beginnen. Dat levert een meanderende discussie op over de inktzwarte Amerikaanse geschiedenis van racisme, slavernij en kapitalistische uitbuiting, en hoe die doorwerkt in het heden en in hun fictie. In Whiteheads werk is dat het meest evident. Drie jaar geleden brak hij internationaal door met het meermaals bekroonde De ondergrondse spoorweg – een boek dat volgens Barack Obama laat zien hoe “de pijn van slavernij van generatie op generatie wordt overgedragen”.

In zijn laatste boek, De jongens van Nickel, mengt Whitehead fictie en non-fictie in een verhaal over een tuchtschool in de jaren 1960 – de tijd van de burgerrechtenbeweging – waar zwarte jongens werden gedisciplineerd met hetzelfde brute geweld als tijdens de slavernij. Whitehead kwam het verhaal in 2014 op het spoor, nadat media hadden bericht over een tuchtschool in Florida, de Arthur G. Dozier School for Boys, waar de stoffelijke overschotten van gemartelde jongemannen werden opgegraven.

Uit deze macabere geschiedenis puurde Whitehead twee hoofdpersonen: Elwood en Curtis. De een is een ernstige jongen die de platen van Martin Luther King over pacifistisch verzet tegen blanke tirannie grijsdraait; de ander is cynischer, wereldwijzer en wars van alle hooggestemde idealen van de burgerrechtenbeweging.

Adjei-Brenyah, schrijfdocent op Syracuse University, schreef met de verhalenbundel Friday Black een heel ander boek: wilder, thematisch gevarieerder en spelend in de toekomst. Het is geprezen als new black surrealism en is volgens critici een geslaagde satire op de ongenadige kanten van Amerika. Zo beschrijft Adjei-Brenyah in het verhaal ‘Zimmerland’ een pretpark waar blanke bezoekers hun wapens kunnen leegschieten op ‘verdachte’ donkere jongens in hoodies. Andere verhalen, zoals het titelverhaal, zijn geïnspireerd op Adjei-Brenyahs ervaringen als medewerker in een kledingwinkel en laten zien hoe Amerikanen het spirituele en morele gat in hun ziel proberen te vullen met spullen.

Adjei-Brenyah: “Ik heb van mijn 16de tot mijn 23ste in een kledingwinkel gewerkt. Ik haatte het. De toon die klanten tegen mij aansloegen, de manier waarop ze naar me keken: het was vreselijk deprimerend. Ook moeilijk was dat ik kleding verkocht die ik zelf niet kon betalen van mijn salaris. Tegelijkertijd moest je mensen van alles aansmeren. Dat deed je door ze wijs te maken dat ze op school helemaal het mannetje zouden zijn als ze een bepaalde dure jas kochten.”

Uw verhalen zijn satire in overdrive. Personages trappen elkaar dood om een kledingstuk te bemachtigen. Is dat niet een beetje te gortig?

Adjei-Brenyah: “Mensen trapten elkaar natuurlijk niet echt dood in de winkel waar ik werkte. Uiteindelijk gaat het om het onderliggende idee: dat spullen vergaren het belangrijkste is in het leven. Dat raakt wel aan de realiteit. Ook ik dacht dat ik me beter zou voelen als ik maar de nieuwe Air Jordans zou hebben, dat ik dan echt iemand zou worden. Door die verknochtheid aan spullen en comfort lijken we soms blind voor andere dingen, zoals dat we een racistische vrouwenhater tot president hebben verkozen.”

Whitehead knikt instemmend. In zijn werk gebruikt hij ook geregeld overdrijving om een punt te maken. Het wemelt in zijn eerdere werk van de zombies en treinen die in de 19de eeuw onder de grond reden om ontsnapte slaven naar de vrijheid te voeren. Daarmee is De jongens van Nickel ook de vreemde eend in de bijt van Whiteheads oeuvre. Het is een ingetogen boek. De satire is ingeruild voor een uitgebeende verhaallijn.

Whitehead: “Ik kreeg het idee voor het boek in de zomer van 2014. Dat was de tijd dat er beelden verschenen, vastgelegd op mobiele telefoons, van jonge Afro-Amerikanen die omkwamen door politiegeweld. Daardoor ging ik me afvragen: hoeveel dodelijk geweld door de politie is onopgemerkt gebleven omdat er geen camera in de buurt was? Zoiets dacht ik ook toen ze de lichamen opgroeven op het terrein van de Dozier School for Boys: hoeveel meer plekken zijn er zoals deze? Hoeveel doden zijn er van wie we niets weten? Hoeveel schuldigen die nooit zijn gestraft? Vragen die ik niet meer van me kon afschudden.”

Bent u daarna meer van zulke tuchtscholen op het spoor gekomen?

Whitehead: “Nou, in april moest een tuchtschool in Pennsylvania de deuren sluiten omdat het personeel de kinderen daar bleek te mishandelen. En er zijn de detentiecentra aan de grens met Mexico, waar jonge kinderen worden vastgezet die hun thuisland zijn ontvlucht. De verhalen die daarover naar buiten komen, zijn verschrikkelijk. Gebrek aan hygiëne, medische zorg en gekwalificeerd personeel. De eerste doden zijn al gevallen. Het is moord door verwaarlozing.”

Adjei-Brenyah: “Daarom spreekt De jongens van Nickel mij ook zo aan. Het zegt iets over hoe makkelijk wij in Amerika jonge mensen criminaliseren en aan hun lot overlaten. Daarom zitten onze gevangenissen ook overvol met zwarte jongemannen. Het jachtseizoen op hen is altijd geopend.”

Het is alsof Amerika niet kan voorkomen dat het telkens in dezelfde patronen vervalt.

Whitehead: “Hm, ik weet niet of wij het monopolie hebben op het mishandelen van kinderen. Het is best een universele neiging om vreselijk te zijn tegen de zwakkeren in de samenleving. Tijdens mijn boektour voor De jongens van Nickel heb ik landen bezocht waar soortgelijke dingen zijn gebeurd. In Canada vertelden mensen me over internaten waar kinderen van inheemse volkeren werden geplaatst om ze gedwongen de witte cultuur bij te brengen. In Ierland hoorde ik over het katholieke instituut Magdalene Laundries for Unwed Mothers, waar ‘gevallen’ vrouwen en weeskinderen vreselijk werden behandeld. Het is altijd zo geweest: niemand geeft om je als je arm bent, en zeker niet als je arm bent en een kleur hebt.”

Is het lastig om literatuur te maken van de duistere Amerikaanse ervaring? Zeker als Afro-Amerikaanse auteur lijkt me dat nogal een opgave.

Whitehead: “Het is gek, maar als ik schrijf, dan voel ik me altijd onthecht van de materie. Ik ben dan vooral bezig met het bouwen van zinnen. Ook tijdens het schrijven van De jongens van Nickel probeerde ik emotioneel afstand te houden. Dat ging goed, tot de laatste zes weken van het schrijfproces, toen ik de laatste momenten doorbracht met mijn hoofdpersonen Elwood en Curtis. Hun lot stemde me zwaarmoedig en boos.

“Ik ben ook nooit naar de echte Arthur G. Dozier School for Boys geweest, want ik zou die plek direct van de aardbodem hebben weggevaagd met dynamiet en een bulldozer.’

Adjei-Brenyah: “Voor mij is het vrij kort geleden dat ik in die winkel werkte. Iets van de bitterheid die ik over die tijd voelde, is onvermijdelijk in mijn werk geslopen. Maar ook die bitterheid heb ik proberen in te zetten met een doel, bijvoorbeeld door het wanhopige gevoel over te brengen dat ik daar voor altijd zou vastzitten en mensen spullen zou moeten aansmeren om rond te komen.”

De jongens van Nickel en Friday Black achter elkaar lezen, als niet-blanke mens, doet je afvragen of je Amerika niet uit je lijstje van ‘nog te bezoeken landen’ moet schrappen: het lijkt niet bepaald een prettige bestemming. Vroeger niet, nu niet, en in de toekomst niet. Toch zeggen de schrijvers dat er in hun werk ook hoop en optimisme te vinden is.

Colson Whitehead: ‘Toen ik beelden van het politiegeweld tegen jonge Afro-Amerikanen zag, dacht ik: hoeveel geweld is er waarvan we niets weten omdat het niet is gefilmd?’ Beeld Eva Roefs

Whitehead: “Als je kijkt naar het Amerika van nu, met alle mass shootings, de verkiezing van Donald Trump en de opkomst van wit nationalisme, dan is er veel om pessimistisch over te zijn. Toch probeer ik in mijn werk hoopvol te zijn, want zonder hoop is er slechts stilstand. Daarom laat ik mijn hoofdpersonen in De jongens van Nickel ook geloven dat er, ondanks alle ellende om hen heen, ergens een veilige plek is, waar het leven beter wordt. Zonder hoop kun je net zo goed dood zijn.”

Adjei-Brenyah: “Ik wil mensen geen valse hoop bieden. Dat gebeurt al genoeg in Amerika. Wat ik wel probeer in mijn werk, is de ergst mogelijke versie van Amerika te geven, opdat het mensen doet hopen op een betere toekomst.”

Opmerkelijk dat jullie de hoop in jullie werk benadrukken. Als lezer blijf je toch achter met het idee dat Amerika zijn racistische geschiedenis nooit van zich zal kunnen afschudden.

Whitehead: “Ik geloof echt dat we mettertijd veel beter in staat zullen zijn om in het reine te komen met onze geschiedenis. De mensen die opgroeiden en studeerden in de jaren zestig en zeventig bijvoorbeeld, in de schaduw van de burgerrechtenbeweging, weten al veel meer over de geschiedenis en de gevolgen van slavernij dan eerdere generaties. Dit zijn ook de mensen die nu schrijver, professor of journalist zijn, en die de strijd tegen onrecht voortzetten. We zitten in een moeilijke fase in Amerika, maar hopelijk kunnen we daar uitkomen.”

Toch lijkt er ook sprake van groeiend verzet – onder andere vanuit de alt-right-beweging – van mensen die niets slechts meer willen horen over Amerika. Die gaan op sociale media, op tv en in de politiek tekeer tegen de aandacht voor slavernij en racisme.

Whitehead: “Nou ja, hoe moet je ook omgaan met het feit dat je over-over-overgrootvader in mensen handelde en ze martelde en verkrachtte? Ik zou dat ook niet willen horen. Dus wordt er enorm veel energie in gestoken om dat soort verhalen te onderdrukken.”

Nana Kwame Adjei-Brenyah: ‘Omdat we zo gehecht zijn aan spullen en comfort, lijken wij, Amerikanen, soms te vergeten dat we een racistische vrouwen-hater tot president hebben verkozen.’ Beeld Eva Roefs

Adjei-Brenyah: “Enerzijds is er meer ruimte om over deze zaken te schrijven en te praten. Tegelijkertijd zijn er veel mensen die dat de kop in willen drukken. Dat zijn de mensen die zich bijvoorbeeld gesterkt voelen door Donald Trumps verkiezing tot president. Helaas zitten daar ook veel jongeren bij. Ik heb dat meegemaakt op de universiteiten waar ik de afgelopen jaren lesgaf in creatief schrijven. Op elke universiteit gebeurde wel iets superracistisch. Dan lekten bijvoorbeeld video’s uit waarin witte studenten tekeergaan tegen docenten die lesgeven in Afro-Amerikaanse studies. Dus ja, er is een backlash, en die komt ook vaak van jonge mensen.”

Is het niet lastig om literatuur te maken over deze kwesties als er zulke venijnige krachten op je inbeuken?

Whitehead haalt zijn schouders op. “Kan mij niets schelen, ik blijf gewoon mijn werk doen. Dit zijn mensen die je altijd hebt gehad in Amerika, en die je altijd zult hebben. In dit land zijn er nu eenmaal zo’n 120 miljoen racistische klootzakken. Die zijn blij met Donald Trump, hun verlosser, en verlangen terug naar de jaren vijftig, toen gekleurde mensen hun plaats nog kenden.”

Adjei-Brenyah: “Gelukkig ben ik nog niet zo heel bekend als schrijver, dus ik word niet lastiggevallen. Maar ook ik denk: fuck die mensen.”

Waarom niet een publiek voor jullie werk proberen te winnen dat hiervoor niet direct ontvankelijk is? Anders preek je toch vooral voor eigen parochie?

Whitehead: “Het is niet mijn taak om klootzakken te leren geen klootzakken meer te zijn.”

Adjei-Brenyah: “Ik snap wel wat je bedoelt, hoor, met preken voor eigen parochie. Op de evenementen waar ik optreed, komen ook voornamelijk mensen af die het toch al met me eens zijn. Maar ik kan me daar niet mee bezighouden als ik schrijf. Ik zie het vooral als mijn taak om zo dicht mogelijk bij de waarheid te komen over wat het betekent om Amerikaan te zijn. Ik ga niet nuanceren om maar iemand mee te krijgen die bijvoorbeeld vindt dat het allemaal wel meeviel met de slavernij en dat we daarover moeten ophouden. Ik wil de waarheid beschrijven en hopelijk zullen ze daar ooit voor openstaan.”

Nana Kwame Adjei-Brenyah, ‘Friday Black’, Atlas Contact, 240 p., 21,99 euro. Vertaald door Jelle Noorman. Beeld rv
Colson Whitehead, ‘De jongens van Nickel’, Atlas Contact 272 p., 22,99 euro. Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema. Beeld rv

Colson Whitehead

‘Er is veel reden voor pessimisme. Toch probeer ik hoopvol te zijn. Anders kun je net zo goed dood zijn’

Colson Whitehead

‘Ik ga niet nuanceren om te proberen mensen mee te krijgen die menen dat het wel meeviel met die slavernij’

Nana Kwame Adjei-Brenyah

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234