Maandag 16/12/2019

Theater

Arne Sierens: ‘Een groot deel van mijn publiek komt normaal niet naar het theater’

Arne Sierens met een foto van zijn jonge zelf. Beeld Eric de Mildt

‘Ik ben nogal een goede verteller’, zegt theatermaker Arne Sierens. En dus komt hij op Theater Aan Zee vertellen, over zijn eigen leven. In het toepasselijk getitelde Stuk van mijn leven. ‘Toen ik zes was, wist ik al dat ik theater wilde maken. Ik heb daar nooit meer aan getwijfeld.’

“Toen ik begon, was de theaterwereld redelijk bourgeois. En eigenlijk is dat nu nog altijd zo. Theater gaat meestal over de hoge middenklasse. Over de lage onderklassen worden bijna geen stukken gemaakt. En die mensen gáán ook vrijwel niet naar het theater. Ik wilde daar wel voorstellingen over maken: ik wilde mijn wijk delen met het publiek.”

Die wijk is De Brugse Poort, waar Arne Sierens zo’n zestig jaar geleden geboren werd. “Een volkswijk”, zegt hij zelf. “De Brugse Poort was een van de armste wijken van Vlaanderen. Maar mijn vader was een artiest, een schrijver. Hij heeft romans geschreven en aan heel wat films meegewerkt. Dat was een groot contrast met het leven in de Brugse Poort.”

Toch spreken we met Sierens af op een terras aan de Kouter, in het centrum van Gent – in de Brugse Poort woont hij al lang niet meer. “Die wijk is gebouwd op moerasgrond, ze ligt onder het niveau van de Leie”, legt hij uit. “ In mijn jeugd stroomde dat in de winter vaak over. Heel veel mensen woonden in souterrains, waarin elke winter 30, 40, 50 centimeter water stond. Zo kun je niet leven. Heel veel mensen stierven toen aan een longontsteking. Het is geen gezonde wijk. Nog altijd niet. Maar dat mag je niet zeggen.”

Toch heeft de Brugse Poort haar stempel gedrukt op Sierens, en op zijn werk. “Gabriel García Márquez zei het al: als kunstenaar word je bepaald door de wijk waarin je wordt geboren.” In de verhalen van de buurt vond hij de inspiratie voor zijn oeuvre. Voor stukken als Bernadetje, Maria Eeuwigdurende Bijstand of De broers Geboers. Stukken die bevolkt werden door personages “aan de zelfkant van de maatschappij”, zoals het in de recensies stond, maar daar is Sierens het niet mee eens. “Ze leven niet aan de zelfkant van de maatschappij, ze leven in het middelpunt van de maatschappij. Het zijn gewone mensen, de essentie van onze samenleving.”

Zijn nieuwste voorstelling, Stuk van mijn leven, heeft een atypisch hoofdpersonage: Sierens zelf. De titel laat weinig aan de verbeelding over: het is een autobiografisch stuk, een monoloog, een vertelling waarin Sierens terugblikt op leven en werk – van zijn jeugdjaren in De Brugse Poort tot zijn carrière als theatermaker. 

Poppentheater Magie

Na enkele try-outs – “Ik ben hier eigenlijk al drie jaar mee bezig, en het is nog altijd niet klaar” – landt Stuk van mijn leven nu op Theater Aan Zee, waar ook de Sierens-klassieker De broers Geboers wordt opgevoerd. “Ik ben nogal een goede verteller”, zegt Sierens. “En ik wilde de anekdotes uit mijn leven delen met het publiek. Want iedereen vraagt me altijd: waarom maak je eigenlijk theater? En wanneer ben je eraan begonnen? Daar vertel ik nu over in mijn monoloog.”

Een tipje van de sluier vertelt hij al aan ons. “Al van toen ik zes was, wist ik dat ik theatermaker wilde worden. Ik ging toen naar het poppentheater kijken, poppentheater Magie heette het, en ik wist: ik wil theater maken. Ik heb daar nooit meer aan getwijfeld. Mijn vader wilde dat ik iets met film deed, maar ik koos voor het theater. ‘Ik wil de Federico Fellini van het theater worden’: zo probeerde ik mijn vader te overtuigen, want hij wilde liever dat ik iets met film deed.”

Beeld Eric de Mildt

Sierens studeerde regie aan het RITS in Brussel, waar hij les kreeg van tv-presentator en filmcriticus Jo Röpcke. Toen was al duidelijk dat Sierens van plan was om zich niet te laten dicteren hoe hij kunst moest maken. “Om de tien minuten stond ik recht en zei: meneer Röpcke, wat u daar vertelt, dat klopt niet hoor. U heeft die film niet gezien. (lacht) Hij kon daar niet mee lachen.

“Ik heb heel veel vragen over het kunstonderwijs. Ik heb in mijn leven gigantisch veel telefoons gekregen met de vraag om les te geven, nu nog steeds, trouwens. Ik zeg dan: ik wil wel een week lang een workshop komen geven, maar dat zien ze dan niet zitten. Dan zeg ik: nee, laat maar. Het kunstonderwijs is te geformatteerd. Heel veel goede artiesten hebben trouwens geen opleiding gehad. Theatermaken, dat moet je leren uit je contacten met andere artiesten en vooral door het zelf te blijven maken.”

Voor Sierens was dat niet eenvoudig. “Ik had geen enkel voorbeeld, omdat de theaterwereld zo burgerlijk was”, vertelt hij. “Maar ik heb het geluk gehad ik als jongeman veel avant-gardetheater heb kunnen zien. Mijn inspiratie komt niet uit Vlaanderen, maar uit Polen en Japan.” Hij vertelt over voorstellingen van de Poolse maker Tadeusz Kantor, die zijn leven veranderden, over de New Yorkse Wooster Group en het Théâtre du Soleil uit Parijs. “Dat waren gezelschappen die nadrukkelijk niet bourgeois waren. Ze maakten hun stukken niet aan tafel, maar op de vloer.”

Noordpool

Sierens heeft steeds buiten het circuit van de grote huizen en stadstheaters gewerkt. “Het lukt niet om op mijn manier voorstellingen te maken in een groot theaterhuis. Wat daar wordt gemaakt, vind ik nog altijd zeer oninteressant. Op die podia zie ik de noordpool: het laat mij steenkoud.” Bij de Blauwe Maandag Compagnie van Luk Perceval leek hij wel even een thuis te vinden, al duurde ook dat niet al te lang. “Ik had jarenlang gedopt – een zeer goede subsidie, trouwens (lacht) – en bij de Compagnie had ik een goed loon. Het waren ook topacteurs die daar werkten, zoals Peter Van den Begin, maar ik kon daar niet verderdoen. Na een maand voelde ik al: dit klopt niet. Dus ik ben daar toen gestopt.

“Ik heb heel wat breuken meegemaakt in mijn leven, zoals met de Blauwe Maandag Compagnie, of met Compagnie Cecilia.” In het najaar kondigde Sierens zijn afscheid aan bij het gezelschap, dat hij met Marijke Pinoy en Johan Heldenbergh in 2006 had opgericht. “De laatste jaren had ik een heel duidelijk manifest in mijn hoofd voor Compagnie Cecilia. Ik wilde echte spektakels maken, zoals Zingarate, Ensor of De pijnders: voorstellingen in open lucht, telkens met een groot decor en een big story. Maar dat zijn geen goedkope producties, en voor Compagnie Cecilia bleek dat niet haalbaar. Het was tijd om daar weg te gaan.”

Hij stelt zich vragen bij de evolutie van de kunstensector: de kunstenaar zelf lijkt steeds meer de dupe te worden, vindt hij. “In Humo stond er vorige week (twee weken geleden, EWC) een heel mooi interview met Sigrid Bousset, de vrouw van Stefan Hertmans. Wat ze daar zegt, klopt helemaal.” Het komt hierop neer: bij de gezelschappen en de instellingen is het de administratie die vast in dienst blijvt, terwijl acteurs en regisseurs meer en meer moeten freelancen omdat ze nergens een vast contract krijgen. “Artiesten”, zegt Sierens stellig, “zijn de essentie van onze kunstensector.”

Binnen de kunstensector is Sierens altijd een beetje een outsider gebleven. Omdat hij zich, ondanks zijn naamsbekendheid, nooit heeft ingepast bij de grote instellingen, en in de plaats daarvan stukken maakte met zijn eigen gezelschappen, van De Sluipende Armoede over het Nieuwpoorttheater tot Compagnie Cecilia. “De Sluipende Armoede, ja, ik had toen dus geen geld. Ik heb een opera gemaakt, Het rattenkasteel, naar de strip van Nero. Omdat ik geen budget had, heb ik de opera in de zomer gemaakt: toen waren alle zangers en orkestleden vrij. De mensen van de opera waren in shock, die vonden dat degoutant. Het heette dan ook Het rattenkasteel, en blijkbaar moet opera high-level zijn. Maar voor mij was dat stuk een revolutie.

Een jonge Arne Sierens. Beeld Archief

“In het begin vonden de mensen mijn theater sowieso te vulgair. De pers vond dat in ieder geval, en sommige critici vinden mijn werk nog steeds heel slecht. Ik snap dat wel: het is hun ding niet, het past niet binnen hun mentaliteit. Zingarate vonden de recensenten verschrikkelijk. Ik lees de recensies, ja. Ik wil ook weten waarom ze dat schrijven. Soms klopt het ook: in het begin van de speelreeks moet er vaak nog wat veranderen aan de voorstelling. Daarom heb ik de première afgeschaft. Ik vermijd dat alle journalisten samen, naar dezelfde opvoering, komen kijken. Bij De broers Geboers, twintig jaar geleden, was dat wel zo: de vijf critici in de zaal zaten naast elkaar, op de vijfde rij. Na het groeten hebben ze niet geapplaudisseerd en samen besloten: laten we dit slecht vinden.”

Hij lacht als hij het vertelt, met die brede, ietwat mysterieuze glimlach die het expressieve gezicht van Arne Sierens typeert. Je krijgt die indruk dat hij het establishment, of het nu gaat om de pers of om de grote theaterinstellingen, uitdaagt. Hij ziet dat anders. “Ik schop niet tegen de schenen van het establishment. Ik probeer gewoon mijn wereld op de scène te brengen. Ik probeer iets teweeg te brengen bij mijn publiek, ik probeer in dialoog te gaan. Elke voorstelling die ik maak, heeft iets therapeutisch. Ik wil dat mijn publiek buitenkomt en zich bevrijd voelt, dat ze tijdens de voorstelling zien dat andere mensen dezelfde frustraties hebben als zij. Ik wil de mens in zijn puurheid zien, en in zijn puurheid tonen. Dat spreekt het publiek ook aan. Een groot deel van mijn publiek komt normaal niet naar het theater, maar naar mijn stukken komen ze wél kijken. Omdat ze dat theater begrijpen, omdat ze erdoor geraakt worden. Ik maak een portret van de mensheid.”

Stuk van mijn leven speelt tot 3 augustus op Theater Aan Zee, Oostende. De tekst is uitgegeven bij uitgeverij Hulot. De broers Geboers is van 8 tot 10 augustus te zien op Theater Aan Zee (uitverkocht) en toert in 2020, tickets en info hier.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234