Vrijdag 23/08/2019

Interview

Annie Ernaux (76) reconstrueert haar eerste seksuele ervaringen

In de zomer van 1958 deelde ze voor het eerst het bed met een man. Vervolgens ontspoorde én verstarde ze. Een gesprek met de Franse schrijfster Annie Ernaux over schaamte, seks én schrijven als dam tegen het vergeten. "Ik ging op zoek naar de woorden van een meisje waarover ze op haar 18de niet kon beschikken."

Annie Ernaux drijft met haar nieuwe boek 'Meisjesherinneringen' het lemmet diep in haar emotionele wondes. Beeld BELGAIMAGE

'Ook ik heb dat meisje willen vergeten. Haar echt vergeten, oftewel geen zin meer hebben om nog over haar te schrijven. Niet meer denken dat ik moet schrijven over haar, over haar verlangen, haar waanzin, haar stompzinnigheid en haar hoogmoed, haar honger en haar opgedroogde bloed. Het is me nooit gelukt.’

Harde woorden uit Meisjesherinneringen, een boek getooid met een bedrieglijk zoeterige titel. In werkelijkheid gaat Annie Ernaux in dit relaas over haar eerste seksuele ervaringen tot op het bot en wroet ze diep in haar getroebleerde verleden. Sinds haar debuut Les armoires vides (1974) heeft de Franse schrijfster er een handje van weg om zichzelf te fileren in koele, nietsontziende autobiografische romans, alsof ze een moot vis voor zich heeft.

Annie Ernaux, 'Meisjesherinneringen', De Arbeiderspers, 167 p., 17,99 euro. Vertaald door Rokus Hofstede. Beeld RV

In haar nieuwe boek – in Frankrijk meteen een bestseller, goed voor 120.000 exemplaren – rakelt ze een episode op waar ze decennialang slechts op alludeerde. Centraal staat die o zo bepalende zomer van 1958. Ernaux blikt terug op de misplaatste naïviteit van haar achttienjarige ik en haar drang om uit het carcan van haar bekrompen en kleinburgerlijke Normandische familie te ontsnappen. 

Kruideniersdochter ‘Annie Duchesne’ treedt binnen in een vakantiekolonie om er als jeugdmonitor te fungeren. Maar vooral om zichzelf eindelijk over te geven aan het andere geslacht. ‘Ik zie haar aankomen in de vakantiekolonie als een merrieveulen dat uit de omheining is gebroken, voor het eerst alleen en vrij, een beetje bang’, schrijft Ernaux.

Een nog prille Annie Ernaux. 'Je kunt je de relatieve onschuld van een meisje in 1958 ­amper nog indenken.' Beeld RV

Algauw valt ze voor de gladde charmes van de mannelijke hoofdjeugdleider H., wiens seksuele bruutheid ze eerst nog vanzelfsprekend vindt. Ze wordt verliefd maar ook bijna onmiddellijk gedropt, na twee kortstondige nachten. De bijziende, van stevige billen voorziene Annie is al snel de risée van ‘het luchtkuuroord’, zonder dat ze het meteen in de gaten heeft. Als tegenreactie offreert ze haar struise lichaam als een trofee aan wie dat maar wil, tot groot jolijt van haar collega’s. ‘Sinds wat er is gebeurd met H. kan ze niet zonder een mannenlichaam tegen het hare, handen, een opgericht geslacht. De troostrijke erectie.’

Pas later krijgt ze de weerslag en zal ze geheel verstarren. Vraatzucht en menstruatieproblemen maken haar tot une femme gelée: ‘Geen enkele behandeling zal gedurende twee jaar ook maar iets vermogen tegen mijn uitgedroogde eierstokken.’ Tot de literatuur haar uit de impasse haalt.

Ernaux vraagt zich in dit – door Rokus Hofstede uitstekend vertaalde – boek voortdurend af met welke normen ze naar het gedrag van haar jonge ik én naar mannelijke dominantie moet kijken. Mentale archeologie en sociologie gaan hier hand in hand. Zoals steeds bij Ernaux is ook Meisjes­her­inneringen een tekst doordrongen van schaamte. Toch verkent ze er zonder taboes en in haar karakteristieke écriture plate alle dimensies van.

Meisjesherinneringen past naadloos in een oeuvre waarin Ernaux al eerder bijvoorbeeld gedetailleerd haar abortus beschreef (L’événement, 2000), de moordpoging met een mes van haar vader op haar moeder (La honte, 1997) of haar jaloezie ten opzichte van een verlaten geliefde (L’occupation, 2002).

Voor Ernaux heeft literatuur nu eenmaal altijd “een gevaarlijk randje”. L’écriture comme un couteau is haar eeuwige adagium. Ernaux drijft het lemmet diep in haar emotionele wondes. “Omdat ik niet anders kan”, vertelt ze in dit interview dat zich corresponderend per e-mail ontspon. “Het voelt alsof ik voortdurend getuigenis moet afleggen van wat zich in mijn leven afspeelt.”

Lange tijd gaf u dit project de codenaam '58'. Het was voor u een bijna onmogelijk boek om te schrijven. ‘Het is de tekst die steeds ontbreekt. Steeds wordt uitgesteld. Het gat waar geen woorden voor zijn.’ Bent u nu eindelijk in het reine met de gebeurtenissen?

Annie Ernaux: “Ik heb niet het gevoel dat ik daadwerkelijk iets heb ‘hersteld’. Maar toen ik mijn afgewerkte tekst voor mij zag liggen, stelde ik vast dat ik van iets vormeloos en vol schaamte een begrijpelijk relaas had gemaakt. Het staat nu buiten mij, het kan verder leven in de geest van anderen. Wat er precies is gebeurd, is misschien zelfs niet zo belangrijk. Wél wat ik er uiteindelijk op papier mee heb gedaan. Ik heb het meisje van 1958 ‘gered’. Door haar met terugwerkende kracht te ondervragen en haar leven te onderzoeken.”

'Meisjesherinneringen' is het relaas van ‘de allereerste keer’, van ‘de ontdekking van de seksualiteit’, die bij Annie gepaard gaat met schaamte, spot en misprijzen. Toch is haar schaamte dubbelzinnig: ze was aanvankelijk ook trots om een lustobject te zijn.

“Licht provocerend zou ik zeggen dat ik in dit boek op zoek ga naar de woorden van een meisje waarover ze op haar achttiende nog niet eens kon beschikken. Decennialang was er enkel dat diepe gevoel van schaamte. Maar haar grootste schaamte blijkt uiteindelijk te zijn dat ze er toen geen had. Integendeel, ze was inderdaad eerst trots op haar vele avontuurtjes met mannen in de vakantiekolonie.

“Toch werd ze geminacht, iets wat ze pas later begreep. Het is een schaamte die historisch te verklaren valt, want alles vindt plaats voor 1968 en de erkenning van de seksuele bevrijding. Het onbewuste heeft natuurlijk geen besef van de geschiedenis, het blijft bevroren op het moment van de traumatiserende gebeurtenissen in 1958.”

Zijn die ook te wijten aan haar ‘volstrekte onwetendheid’, gevolg van haar ietwat ­geïsoleerde opvoeding? Toch heeft ze bij haar intrede in de vakantiekolonie het idee dat haar leven echt gaat beginnen.

“In het begin van het boek probeer ik zo objectief mogelijk te beschrijven hoe Annie ervoor staat op het moment dat ze de vakantiekolonie betreedt. Twee uitdrukkingen schieten me daarbij spontaan door het hoofd: ‘Alles in haar is verlangen en trots’. En: ‘Vol verwachting ziet ze uit naar een liefdesavontuur’. Of ook: ‘Ze is nooit uit haar gat gekropen’. Het meisje uit een katholiek pensionaat is beschermd opgevoed. Ze is amper in contact gekomen met jongens en komt dan plots in een gemengd én ongelovig milieu terecht. De schok is groot. Ze snapt de codes helemaal niet.”

‘Niets gladstrijken. Ik probeer geen fictioneel personage te construeren. Ik deconstrueer het meisje dat ik ben geweest’, lezen we in 'Meisjesherinneringen'. Hoe zwaar viel het u om in uw geheugen te graven?

“Spitten in het verleden is voor mij zelden pijnlijk. In het begin van het boek verwijs ik naar notities uit 2003. Toen probeerde ik mijn gedachten over de zomer van 1958 al een keer te ordenen: ‘Al met al bleef ik steken in het pure genot herinneringen op te rakelen’, schrijf ik. Maar er staat ook: ‘Ik onttrok me aan de pijnlijke tucht van de vorm’.

"De grootste moeilijkheid was inderdaad om de juiste vorm te vinden. Hoe kon ik de complexiteit van een achttienjarig meisje in dat tijdperk weer opnieuw laten bestaan en tot leven wekken? Het boek is ook het verhaal van die zoektocht. Het verleden werd op den duur tastbaarder dan het heden.”

'De grootste moeilijkheid was om de juiste vorm te vinden. Hoe kon ik de complexiteit van een 18-jarig meisje in dat tijdperk weer opnieuw laten bestaan en tot leven wekken?' Beeld BELGAIMAGE

‘Is zij mij, dat meisje? Ben ik haar?’, staat er. U was regelmatig verwonderd over wat u aantrof?

“Men neemt vaak aan dat de identiteit van een persoon vanaf zijn kindertijd tot zijn dood een continuüm is. Maar toen ik mijn brieven aan vriendinnen terug in handen kreeg, geschreven op mijn achttiende, was ik totaal verbluft. Het verschilde hemelsbreed van wat ik werkelijk voelde. Vandaar dat ik in Meisjesherinneringen een bijna historisch onderzoek op mezelf uitvoerde.”

Na de gebeurtenissen in de vakantiekolonie leek het alsof u de wereld door ‘een vensterglas’ bekeek. Uw lichaam protesteerde en u at zich te pletter ‘om de leegte op te vullen, de leegte van de seks’.

“Inderdaad. Twintig jaar later kon ik pas het verband leggen tussen mijn boulimie en de brutale afwezigheid van seksualiteit. Ik was versteend. Ook wist ik lange tijd niet wat boulimie betekende, ik beschouwde het als een zonde en een perversiteit. Vergeet niet dat slechts vanaf de jaren tachtig deze psycho-medische begrippen in het gewone taalgebruik binnenslopen. Intussen zijn ze bijna gebanaliseerd.”

Betekenden de literatuur en het schrijverschap uw definitieve reddingsboei?

“Wellicht. Toch blijft het moeilijk om te achter­halen wat je er precies weer bovenop helpt, wat je weer uit dat ‘gat’ trekt, zeker als je niet zomaar de vinger kunt leggen op de oorzaken van de malaise. Op een bepaald moment was mijn toekomst niet langer een dorre, uitgestrekte vlakte waar ik geen raad mee wist. Ik richtte me op mijn literatuurstudies. Schrijven bleek iets begerenswaardig.”

Hebt u de indruk dat eerste seksuele ervaringen bij jongeren tegenwoordig minder beladen zijn dan in pakweg 1958? Via het internet weten ze meestal al vroeg van de hoed en de rand.

“Ik denk van wel. Bij meisjes gaan de eerste seksuele experimenten niet langer gepaard met twee grote angsten: zwanger worden of uitgemaakt worden voor een slet, ‘een halve hoer’, zoals ik het in mijn boek noem. Men kan zich niet voorstellen hoe diepgeworteld die vrees destijds was.

“Toch bestaan er momenteel weer andere vormen van seksuele intimidatie. Pubermeisjes die hun intieme naaktfoto’s online zien terechtkomen, bijvoorbeeld, én daarna op school worden uitgelachen. Toch kun je je de relatieve onschuld van een meisje uit 1958 nauwelijks nog indenken. Stel je voor, ik had nog nooit een mannelijk geslachtsorgaan gezien! In ieder geval blijft ‘de eerste keer’ een rite de passage. Dat kan een mooie ervaring zijn. Maar het kan evengoed slecht, héél slecht uitvallen.”

In vrijwel al uw romans en boeken verbindt u individuele, autobiografische herinneringen met de collectieve geschiedenis, zoals hier de chansons van Dalida, Charly Gaul die de Tour wint of de terugkeer van Charles De Gaulle. Waarom is die sociologische dimensie voor u zo belangrijk?

“Je kunt toch geen enkele herinnering of gedachte over het verleden loskoppelen van een plaats of een tijdperk? Door op zoek te gaan naar dat meisje uit 1958 en haar op te vissen uit de diepte van de tijd, stuit je automatisch op dergelijke anekdotiek, zoals de atmosfeer van de Tour de France tijdens de zomer. Of politiek veel belangrijker: De Gaulle of de verzwegen oorlog in Algerije. Want indien de burgeroorlog zou voortduren, zouden de mannelijke monitoren van de vakantiekolonie worden opgeroepen naar de bergen van Algerije om mee te strijden. Dat hing als een sluier over de gebeurtenissen. Ik vind het ondenkbaar iets neer te schrijven zonder er de sociohistorische of politieke context bij te betrekken.”

Koestert u nog steeds een schuldgevoel tegenover uw sociale klasse, het milieu van arbeiders en kleine middenstanders in een Franse provinciestad?

“Ik heb al meermaals geschreven over de schaamte tijdens mijn jeugd, over mijn milieu en de beperkingen ervan. Dat was destijds onmiskenbaar vermengd met een schuldgevoel. Te meer omdat mijn ouders alles in het werk stelden om me verder te laten studeren, terwijl niemand in mijn familie zelfs een diploma had. Dat klassenbewustzijn én het overschrijden van die klassengrenzen zijn essentieel in mijn parcours. Het kleurt voortdurend mijn kijk op de samenleving én wat ik schrijf.”

U moest dit verhaal opschrijven, benadrukt u meermaals, alsof u ‘een opdracht’ meekreeg, ‘alsof ik over een ondergrondse macht beschik’.

“Schrijven is voor mij een soort mandaat. Op onverklaarbare wijze heb ik het gevoel dat ik moet getuigen over wat ik hier op aarde beleef. Ik voel me een tussenpersoon. Ook omdat het over hoogst menselijke kwesties gaat, in dit geval een verhaal dat alle vrouwen aanbelangt. Indien ik de zomer van 1958 niet op papier had gezet, zou hij voor eeuwig verloren zijn. Schrijven is een eeuwige strijd tegen het vergeten.”

U bent al vaak uitgeroepen tot de ‘pausin van de Franse autofictie’. Kunt u leven met dat etiket? Hebt u het gevoel dat u het pad effende voor auteurs als Christine Angot, Catherine Millet of Édouard Louis die ook hun leven en lusten openlijk in hun boeken tonen?

“De omschrijving achtervolgt me enigszins, maar ik laat me er weinig aan gelegen liggen. Vooral omdat ik nooit een manifest of een doctrine publiceerde, laat staan een genre creëerde. In de jaren zeventig schreef ik twee als autobiografisch omschreven romans. Sindsdien beschouw ik mijn boeken als een onderzoek naar de realiteit van mijn leven als vrouw of naar dat van mijn vader en mijn familie. Ik drijf weg van de fictie. Ik experimenteer met diverse vormen, dan weer met dagboeken of een andere keer een onpersoonlijke of collectieve autobiografie. Over definities maak ik me geen zorgen. Of ik een voorloper ben? Nee… Ik laat het graag aan anderen over om dat uit te maken.”

Annie Ernaux wordt tijdens het Passa Porta Festival in Brussel op zondag 27/3 geïnterviewd in BOZAR, van 18 uur tot 19u30. passaportafestival.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden