Vrijdag 24/09/2021

InterviewCaroline Lamarche

‘Als je over ons schrijft, maak ik je kapot’: Caroline Lamarche schreef een roman over fatale liefde en geweld

Caroline Lamarche: ‘Geweld ervaren van iemand van wie je houdt, is nog erger.’    Beeld Thomas Nolf
Caroline Lamarche: ‘Geweld ervaren van iemand van wie je houdt, is nog erger.’Beeld Thomas Nolf

‘Als je roept, vermoord ik je’, dreigde haar verkrachter. ‘Als je over ons schrijft, maak ik je kapot’, waarschuwde haar ex-geliefde. Maar niemand kan Caroline Lamarche (65) het zwijgen opleggen. ‘Zolang ik kan schrijven, komt alles goed.’

‘Zeg Roodkapje, waar ga je heen, zo alleen, zo alleen?’ Het kinder­deuntje schiet door mijn hoofd, onderweg naar Caroline Lamarche in Overijse. Ze woont dicht bij een bos, in een huis waarvan je verwacht dat een schrijver er zou wonen: oud maar goed onderhouden, veel boeken, wat stapels tijdschriften en een magnifiek uitzicht op het meer.

Haar roman Het geheugen van de lucht begint als een surrealistische droom en voelt als een akelig sprookje voor volwassenen. Maar wie is de boze wolf? De onbekende die haar verkrachtte, of de geliefde die ze niet kan verlaten, zelfs als hij haar slaat? Het gaat over fatale liefde, partner­geweld, gas­lighting, ja zelfs over het patriarchaat, al die woorden waar we sinds #MeToo mee rond de oren worden geslagen. Alleen verscheen dit boek al in 2014 en benoemt ze de zaken nooit expliciet.

‘Caroline Lamarche is een meesteres van het verzwegene’, schreef De Morgen in 1998 over haar debuut De dag van de hond, en dat geldt ook voor Het geheugen van de lucht, dat allesbehalve leest als een feministisch pamflet. Het is gewoon een verbluffende novelle. De Nederlandse vertaling verscheen pas dit jaar. “Ik beschouw het als een nieuwe lente voor dit boek”, zegt ze. “Het is fijn dat er aandacht is vanuit Vlaanderen. Ik ben blij dat je er bent.”

U schrijft over een verkrachting in een park door een onbekende. Is dit echt gebeurd?

“Ja. Het is intussen meer dan dertig jaar geleden. Op het moment zelf was ik zeker dat ik zou sterven. Het was onder bedreiging van een mes. De tekst kwam twintig jaar later. Een vriendin moedigde me aan: ‘Je moet erover schrijven, dan gebruik ik de tekst in het theater.’ Uiteindelijk kwam dat er niet van, maar werd het een luisterverhaal voor France Culture in het theaterfestival van Avignon, waar de Franse actrice Dominique Blanc hem voordroeg. Zij heeft, als het om emotionele onderwerpen gaat, dezelfde stijl, een beetje ironisch en koud. Achteraf werd het een boek.”

Het ís een erg sterk verhaal, zonder...

“Zonder te klagen, zonder slachtofferschap? Ik hou van auteurs die onderkoeld schrijven. Dankzij die afstand kan je als lezer je eigen emoties projecteren.”

U schreef het voor de #MeToo-beweging ontstond.

“Er was toen niet veel aandacht voor het onderwerp. Lang voor ik erover had geschreven, was ik eens op een feestje. Plots realiseerde ik me dat we daar met minder dan tien vrouwen waren, maar vier van hen waren ooit verkracht.

“Elke verkrachting is uniek, ook daarom wilde ik er eerst niet over schrijven. Waarom mijn verhaal en niet een ander? Maar achteraf dacht ik: elke vrouw die verkracht is, moet haar eigen verhaal schrijven. Zodra je aangifte doet, is het niet meer van jou. Dan nemen de politie­agenten, advocaten en rechters het over.

“Het ergste is de geestelijke verwarring. Je verhaal schrijven is jezelf terug­vinden. Schrijven – en dan bedoel ik mijn romans – is een vorm van mijn leven op te ruimen. Ik heb het geluk schrijver te zijn en dat ik ervaringen kan verwerken. Maar je moet klaar zijn voor zo’n schoonmaak.”

Hoe komt het dat het zolang duurde voor u hierover kon schrijven?

“Ik denk dat dat normaal is. Gek genoeg voelt een verkrachte vrouw zich achteraf schuldig, dat blijkt ook uit studies. Ik voelde me alsof ik gestraft werd, al wist ik niet waarvoor. Als het geen straf was voor mij, misschien dan voor het soort opvoeding dat ik had. Ik had altijd geleerd dat je geen nee mocht zeggen tegen een man.”

‘Je moet laten begaan’, schrijft u, ‘nooit nee zeggen tegen je man, had mijn moeder me op mijn veertiende geleerd, maar maak je geen zorgen, het is een vervelend moment dat al met al snel voorbij is.’

“Dat was een soort onderdeel van mijn seksuele opvoeding. Mijn moeder zei: zeg nooit nee tegen een man, zeg nooit nee tegen je echtgenoot. Ik had nooit geleerd nee te zeggen of om boos te worden. (klopt op tafel) Terwijl dat erg belangrijk is. Je moet je emoties kunnen uiten, maar mij was opgedragen ze nooit te tonen. Dat bedoel ik met dat het een straf was voor die opvoeding.

“Tijdens de verkrachting zei ik nee, of tenminste, ik probeerde te onderhandelen. Om niet gedood te worden. ‘Waarom doe je dit? Waarom?’ vroeg ik hem. Ik huilde. ‘Omdat ik niet anders kan’, antwoordde hij boos. ‘Parce que je ne peux pas faire autrement.’ Toen riep ik hem in gedachten toe dat hij een stom, zielig schepsel was. In mijn hoofd was ik sterker, ik vergat dat ik slachtoffer was.

“Later ontmoette ik een ander slachtoffer van hem, want hij sloeg in dat park vier keer toe. Zij vertelde dat ze tijdens de verkrachting ook met hem had gepraat. Dat moet, zei ze, want als je stil bent, ben je alleen maar slachtoffer.”

‘Ik riep mijn verkrachter in gedachten toe dat hij een zielig schepsel was. In mijn hoofd was ik sterker dan hij.’ Beeld Thomas Nolf
‘Ik riep mijn verkrachter in gedachten toe dat hij een zielig schepsel was. In mijn hoofd was ik sterker dan hij.’Beeld Thomas Nolf

Soms lees je dat vrouwen beschadigd zijn. Is er volgens u een seks­leven mogelijk na een verkrachting?

“Als volwassen vrouw had ik een gelukkig, normaal seks­leven met mijn man. Voor mij stonden die twee volledig los van elkaar. Het probleem is dat je vol agressie zit nadat je verkracht bent. De eerste persoon die daarmee te maken krijgt en heel erg van slag is door wat je hebt meegemaakt, maar je niet begrijpt en je niet kan helpen, is je partner. Het is erg moeilijk voor een koppel.

“Ik heb geluk gehad dat seksualiteit en erotiek voor mij altijd een mooi spel waren, vol plezier en vol genot. En ik kon de twee scheiden. In die zin was ik niet beschadigd. Veel meisjes zijn dat achteraf wel, voor altijd.”

Is de dader veroordeeld?

“Ja. (verbetert zichzelf) Nee. Ik bedoel: ze hebben iemand gevonden die veel vrouwen verkracht heeft. Zijn bijnaam was le violeur blond des parcs Bruxellois. Hij had dezelfde modus operandi. Een masker. Een mes. Ik geloof dat hij eerst in Brussel toesloeg en later hier in Terhulpen.”

Waarom komen er nu zo veel verhalen naar buiten?

“Ik denk dat vrouwen zich nu vrijer voelen om hun verhaal te vertellen. Maar vlak na zo’n eerste trauma wil je vooral vergeten. Het is niets, zeg je tegen jezelf, en je gaat verder. Bij mij kwam het naar boven toen er voor de tweede keer geweld werd gebruikt. Ditmaal door een geliefde, in het boek noem ik hem Vantoen: iemand die hoort bij een leven dat ik heb achter­gelaten. Geweld ervaren van iemand van wie je houdt, is erger.”

In het boek verwijt Vantoen het hoofd­personage dat ze de verkrachting nooit verwerkt heeft.

“‘Jij bent degene die geweld­dadig is’, roept Vantoen, nadat hij haar heeft geslagen. ‘Want jij hebt dit nooit verwerkt.’ Het tweede voorval maakte het eerste wakker. Dan is het als een vulkaan, met een grote uitbarsting.

“Tijdens het schrijven herbeleef je alles. ‘Als je schreeuwt, dood ik je’, zei de verkrachter, en die angst om te sterven kwam terug. Vantoen waarschuwde me toen ik destijds wegging: ‘Ik verbied je ooit over ons te schrijven’ – hoewel hij ook over mij schreef. Hij dreigde ermee me mentaal kapot te maken. ‘Si tu cries, je te tue.’ ‘Si tu écris, je te tue.’ Crier. Ecrire. Het is bijna hetzelfde woord.

(stellig) “Als ik dit boek niet had geschreven, had ik nooit meer kunnen schrijven. Hoewel dit mijn kortste boek is, is dit het belangrijkste. Hierna voelde ik me lichter, gelukkiger. Ik publiceerde hierna mijn korte verhalen, waarmee ik de Prix Goncourt won. Ook nu voel ik me nog heel vrij, in mijn schrijven en in mijn leven.”

Heeft Vantoen Het geheugen van de lucht weten verschijnen?

“Hij wilde me zien: ‘Klopt het dat ik in een boek voorkom?’ Ik wilde dat hij het eerst las. Toen we elkaar spraken, had hij nog een moeilijk leven. Maar, erkende hij, ‘het is erg mooi geschreven’. Dat vond ik sterk! Ik werd verliefd op hem omdat hij een liefhebber van literatuur was. En daarom praat hij zo eerlijk – hij kon vreselijk eerlijk zijn, als je eenmaal tegen hem opkwam.

“Ik gebruik niet bewust mensen in mijn boeken. Maar als ik iets moet schrijven in mijn leven om zelf verder te kunnen, dan doe ik het. Ik respecteer mensen. Er is altijd een reden waarom ze doen wat ze doen. Ik hou verhalen lang voor mezelf. Als ze genoeg gerijpt zijn, door te denken en door te schrijven en bij te schaven, dan worden ze nuttig voor anderen. Time is a good master.”

Wilde u altijd al schrijver worden?

“Nee. Ik was 41 toen ik mijn eerste manuscript naar drie uitgevers stuurde. Ik had nooit gedacht dat het gepubliceerd zou worden. Maar na een week kreeg ik antwoord van Minuit.”

Hoe zag uw leven er voordien uit?

“Voor ik getrouwd was, was ik lerares. Nadien werkte ik als secretaresse, tot de geboorte van mijn tweede dochter. Zij kreeg muco­viscidose en ik moest haar verzorgen. Wel schreef ik uit verdriet over haar – de dokters zeiden dat ze maar vijftien jaar zou worden – ’s nachts gedichten. Later werden het weer korte verhalen en boeken.

“Met de dood die op een bepaalde manier in mijn leven aanwezig was en mijn verdriet dat ik met niemand kon delen, was schrijven een manier om te genezen en geen depressieve moeder te worden. Alles hier in en rond dit huis is idyllisch. Stil. Als je van binnen gek van verdriet wordt, dan zoek je iets buiten jezelf. Misschien zat Vantoen er niet helemaal naast, toen hij zei dat ik op zoek ging naar geweld.”

‘Mannen lachen al duizenden jaren met vrouwen en dan zouden ze nu over zo’n boek boos zijn?’    Beeld Thomas Nolf
‘Mannen lachen al duizenden jaren met vrouwen en dan zouden ze nu over zo’n boek boos zijn?’Beeld Thomas Nolf

Dat herinnert aan deze passage. ‘We hielden ervan te vechten. Vantoen deed alsof hij me klappen gaf, soms gaf hij die op mijn borsten, mijn buik, in de buurt van mijn oog, ik was bang, maar hij zei dat hij zijn kracht doseerde, ‘ik ken mijn grenzen’, zei hij. Ik hield van die angst, de angst van een kind dat boze wolf speelt met zijn vader of zijn oom of zijn grote broer, de angst van sprookjes of grote bossen.’

“Dat vechten was een spelletje. Maar soms kan een spel te ver gaan. Mijn boek La nuit l’après-midi is ook een gewelddadig verhaal, over een vrouw die een contact­advertentie beantwoordt van een man die een vrouw wil domineren. Het blijkt uiterlijke schijn, want zij heeft de touwtjes in handen. In dat boek bevrijdde ik me van mijn opvoeding.”

Hebben uw ouders La nuit l’après-midi gelezen?

“Mijn vader heeft Le jour du chien gelezen en sommige korte ­verhalen. Mijn moeder had in de krant gelezen over La nuit l’après-midi en zei: ‘Dát lezen wij niet’ – en zij was de baas.” (lacht)

Kwetste dat?

“Helemaal niet! Dat was slim. Het was een manier om zichzelf te beschermen. Het geheugen van de lucht heeft ze nooit weten verschijnen. Haar fysieke toestand was toen al slechter. Ze las heel graag mijn korte verhalen en mijn stukken voor de krant, ze was erg trots, maar dit had ze niet aangekund.”

Ze was eerlijk.

“Heel eerlijk en heel sterk. Zíj kon ‘nee’ zeggen.” (lacht)

Wilde u ooit een jongen zijn, zoals u ergens schrijft in Het geheugen van de lucht?

“Niet echt. Ik was wat we in het Frans un garçon manqué noemen. Ik was tijdens de vakanties omringd door mijn neven en hield ervan met hen te vechten en hoog in de bomen te klimmen. Als jong meisje werd ik gewaardeerd voor wie ik was, voor mijn kracht en lef. Rond mijn twaalfde werd ik plots gezien als ‘vrouw’ en was die mooie tijd voorbij.

“Ik was de oudste van vier kinderen. Mijn ouders hielden evenveel van ons en als dochters kregen we evenveel vrijheid, maar meisjes moesten leren koken en schoonmaken, terwijl ik liever bomen ging omkappen voor hout voor het haardvuur. Goed studeren als meisje was normaal, maar het doel was nooit een goede job, wel goed huwen en kinderen krijgen. ‘Zodra je getrouwd bent, zul je gelukkig zijn’, zei mijn moeder steeds. Alsof dat me van mijn tienerjaren zou genezen.” (lacht)

Hebt u als moeder dingen anders aangepakt?

“Alle ouders maken fouten, zelfs als ze het tegen­over­gestelde doen. Iedereen heeft blinde vlekken, dat is menselijk. Het is door ouder te worden – ik ben nu grootmoeder – dat ik me realiseer dat ik niet de perfecte ouder was en dat mijn moeder heel oké was. Wel was ik altijd heel open met mijn dochters en ze hebben me al verteld hoe fijn ze het vinden om een schrijver als moeder te hebben.

“Ik ben geboren in Luik en woonde tot mijn vierde in Spanje, voor we naar Frankrijk verhuisden. Het was een veilig, standvastig gezin met veel structuur, dat is veel waard. En mijn ouders schonken me natuur en literatuur. Je mag dan eenzaam zijn, als je de literatuur en de natuur hebt, ben je gered. (lacht)

“Mijn vader zette zich in voor natuurbehoud. Hij won ooit een rechtszaak tegen het Waals Gewest omdat ze huizen bouwden zonder met de water­zuivering rekening te houden. Elke zondag namen mijn ouders ons mee naar Rambouillet, naar het bos. Nog voor het hip werd, gingen wij in de herfst luisteren naar le brame des cerfs, wanneer de mannetjes­herten de vrouwtjes roepen. Na de mis, uiteraard.” (lacht)

Bent u katholiek opgevoed?

“Ja, maar mijn ouders hadden ook kritiek op de kerk. Ze hadden een onafhankelijke geest. In mijn jeugd las ik de Bijbel als literatuur. De psalmen vond ik mooi en erg ritmisch. Als ik niet kon slapen, reciteerde ik ze als gedichten. Het idee dat er iemand groter is die je altijd beschermt, ben ik al lang kwijt. Maar ik geloof nog steeds dat alles goed zal uitdraaien. Zolang ik kan schrijven, komt alles goed.”

Van dieren en mensen won de Prix Goncourt. Kunt u uw relatie met dieren omschrijven?

“Dat gaat terug tot mijn jeugd. Dieren hebben een ziel, net zoals mensen, maar ook planten en objecten; daar was ik me vroeg van bewust. Hoezo, dieren gaan niet naar de hemel? Dat kon niet kloppen. We gingen vaak naar mijn groot­ouders, dicht bij een boerderij waar koeien en honden rondliepen... Mijn nicht kon goed vogels verzorgen; later was ik vrijwilliger in een vogel­opvang­centrum.”

Zoals in het verhaal ‘Frou-Frou’.

“Die love­story over een eend schreef ik om mezelf te redden. Ik schrijf over relaties tussen mensen en dieren. Frou-Frou kwam op het goede moment. Ik moest haar verzorgen om mijn verdriet te vergeten.”

Is er een verband tussen dieren­rechten en milieu­activisme en feminisme?

“Het gaat altijd over het beschermen van minderheden. Als je niet goed voor hen zorgt, gaat de wereld kapot. Ik maak al heel lang deel uit van een vereniging die het Waals Gewest voor de rechter sleepte om ten oosten van Luik een autoweg tegen te houden. Na veertig jaar is dat gelukt.

“Het is in de mode om over dieren te schrijven maar Tolstoj schreef al een verhaal over een paard, als metafoor voor het leven. Ben je jong en sterk, dan wil iedereen je. Zodra je versleten bent, word je afgedankt. Het gaat over hoe ze arbeiders gebruiken tot ze nutteloos zijn. Maar de wereld zou er niet beter aan toe zijn met vrouwen aan de macht, hè. Het gaat over het patriarchaal machts­systeem. Mijn moeder was een grotere patriarch dan mijn vader.”

Hebt u affiniteit met de feministische beweging?

“Ik hou van de feministen. De oudere moesten in de jaren ’70 hard vechten voor zaken zoals het recht op abortus en een eigen bank­rekening. Vandaag vind ik het complexer. Toch bewonder ik de jongere generatie, ik recenseer soms boeken voor het feministische blad Axelle. Zo vind ik het een geweldig idee van de Franse filosofe Elsa Dorlin en de Spaanse activist Irene, dat je geweld mag gebruiken tegen iemand die jou of je dochter pijn doet.”

Zoals de Française Valérie Bacot, die na vele jaren van huiselijk geweld haar man doodde?

“Als je jarenlang onderdanig ‘ja’ hebt moeten knikken... dan komt die ‘nee’ er op een gegeven moment toch uit. Daar kies je niet voor, dan neemt je lichaam het over. Ik zag een interview met haar. ‘Het is normaal als ik tien jaar cel krijg, want ik heb gedood.’ (blaast) Daar was ik erg van overweldigd. Gelukkig kwam ze aan het einde van het proces vrij.”

'Ik vind het een geweldig idee van de Franse filosofe Elsa Dorlin en de Spaanse activist Irene, dat je geweld mag gebruiken tegen iemand die jou of je dochter pijn doet.' Beeld Thomas Nolf
'Ik vind het een geweldig idee van de Franse filosofe Elsa Dorlin en de Spaanse activist Irene, dat je geweld mag gebruiken tegen iemand die jou of je dochter pijn doet.'Beeld Thomas Nolf

Kent u het boek Mannen, ik haat ze van Pauline Harmange?

“Ik heb het gelezen! Het is grappig.”

Ik zag vooral veel boze reacties.

“Ik kocht het omdat de Franse mannen er zo boos om waren. (lacht) Ik las het en dacht, et alors? Het is licht, clever, grappig. Vladimir Jankélévitch (Franse filosoof, red.) zei al dat ironie de kracht van de onderdrukten is. Hij had het over Joden, maar het geldt ook voor vrouwen. Het probleem van de Fransen is dat ze niet altijd gevoel voor humor hebben.”

U neemt het niet serieus.

“Natuurlijk niet. Dat is een beetje het probleem van #MeToo. Het gaat er altijd zo ernstig aan toe. Er zijn veel soorten feministen. Ik weiger een slachtoffer te zijn. Ik kan heel hard lachen, heel boos zijn, mensen haten. Ik heb dat recht. Mannen lachen al duizenden jaren met vrouwen en dan zouden ze nu over zo’n boek boos zijn?”

Lamarche toont nog haar boek Traces, met getuigenissen van tijdens de corona­crisis, uit het ziekenhuis, van schoonmakers en artsen tot verpleegkundigen. Het is een soort historisch document. Ze verwelkomde de drukte tijdens corona. Zo was er minder tijd om bij de eigen pijn stil te staan. Haar moeder overleed in februari – niet door covid. “We hadden haar vier maanden niet kunnen zien. Ze was al even boos en verdrietig, terwijl ze een erg vrolijke persoon was. Toen we haar zagen, zat ze onder de morfine. Ik heb erover geschreven, maar het is nog niet gepubliceerd. Gelukkig had ik dit werk met ziekenhuizen, ik heb fantastische mensen ontmoet. Ik stond midden in de actie.”

Op de terugweg rijd ik weer langs het bos. Thuis mail ik haar een laatste vraag. Of ze bang is, om alleen te wandelen? “Nee!” schrijft ze terug. “Ik heb altijd graag alleen gewandeld en daar ben ik nooit mee gestopt. De verkrachting was in een publiek park, om 15 uur in de namiddag. Het kan overal gebeuren, zelfs in je eigen huis. Achteraf dacht ik: nu ben ik ervan af, alsof ik een ziekte had doorgemaakt die niet meer kon terugkomen. Maar telkens als ik dat pad neem, herinner ik me alles, zeker de angst voor het mes. Ik voel me dankbaar dat ik er nog ben.”

Caroline Lamarche, ‘Het geheugen van de lucht’, Uitgeverij Vleugels, 76 p., 23,95 euro. Vertaling Katelijne De Vuyst.

Bio

• geboren op 3 maart 1955 in Luik

• auteur van romans, korte verhalen en poëzie

• Prix Victor Rossel voor De dag van de hond

• Prix Goncourt de la nouvelle voor de verhalen­bundel Van dieren en mensen

Het geheugen van de lucht (2014) verscheen dit jaar in het Nederlands

Traces, i.s.m. Hô­pi­taux Iris Sud en Gaël Turine, is uitgegeven bij Luc Pire Editions

null Beeld RV
Beeld RV
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234