Woensdag 23/06/2021

BoekrecensieBoeken

Als je opa een maffiabaas was: historicus Russell Shorto legt zijn familiegeschiedenis bloot

Russ en Mary Shorto  in de jaren vijftig, in Club Harlem in gokstad Atlantic City. Beeld Russell Shorto / RV
Russ en Mary Shorto in de jaren vijftig, in Club Harlem in gokstad Atlantic City.Beeld Russell Shorto / RV

Historicus Russell Shorto legde zijn ouders op de rooster en trok naar bejaardenhuizen om er met stokoude maffiosi te praten die zijn grootvader hebben gekend. In het prachtige misdaadverhaal Small-time (nu ook in vertaling beschikbaar, Pater familias), legt hij zijn beladen familiegeschiedenis bloot.

Historicus Russell Shorto zit bij zijn bejaarde ouders thuis aan de keukentafel. Moeder Rita kookt een traditioneel Italiaans gerecht. Tussen Russell en zijn vader Tony ligt een dikke stapel gerechtsdocumenten: arrestatiebevelen, aanklachten, verhoren, vonnissen. Ze vormen de schriftelijke neerslag van de criminele loopbaan van Russ Shorto, vader van Tony, de opa naar wie Russell vernoemd is. Russ was een van de bosses in de maffia van Johnstown, een staalstadje in Pennsylvania waar ook Russell is opgegroeid.

Russell Shorto dook eerder in de hoofden van Descartes, Spinoza en Peter Stuyvesant en schreef bestsellers over de geschiedenis van Amsterdam en New York. Maar nu is zijn opa aan de beurt en zijn het zijn eigen ouders, neven en nichten, ooms en tantes waar hij zijn informatie uit moet zien te krijgen. Russ zelf overleed in 1964, Russell is van 1959 en heeft nauwelijks herinneringen aan hem.

Zoveel decennia later blijken nog flink wat van de old guys die met Russ hebben gewerkt bereid om zijn kleinzoon te woord te staan. Daarvoor moet hij naar rusthuizen en aangepaste woningen: de bad asses van weleer zijn hoogbejaard en komen met de traplift naar beneden. Maar Shorto doet ook geroutineerd zijn werk als historicus: stelt tijdlijnen op, raadpleegt archieven, bladert door krantenleggers. En hij geeft context aan de loopbaan van Russ als hoofd van een van de honderden lokale uitlopers van de maffia, een bijna bedrijfsmatige uitrol die in Pennsylvania begon in grote steden als Pittsburgh en Philadelphia.

Drooglegging

Russ was de oudste zoon van Antonino Sciotto, in 1901 van een Siciliaans berggehucht naar Amerika gekomen. Eenmaal gesetteld liet hij Annamaria overkomen. Ze veranderden hun naam in Tony en Mary Shorto en stichtten een gezin. Het ging Tony goed, te goed misschien: in 1920, bij een van zijn bezoeken aan ‘thuis’, was hij te opzichtig geweest met zijn rol bankbiljetten en werd hij bij een beroving doodgestoken. Mary moest nu in haar eentje een jong gezin zien groot te krijgen.

In datzelfde jaar begon de Drooglegging. Juist Pennsylvania had zo zijn drinkculturen: de Ieren met hun whisky, de Duitsers met hun bier, de Italianen met hun wijn. Als vanzelf ontstonden de illegale stokerijen, ook onder de keldertrap bij Russ thuis.

In een mooi historisch doorkijkje laat Shorto zien dat de Drooglegging een generatie van wetsontduikers in het leven riep. Er begonnen zich illegale netwerken te vormen die kleine huisstokerijen exploiteerden, niet zo verschillend van de hennepkwekerijtjes op zolders en in garages vandaag de dag. Toen in 1933 een einde kwam aan de Drooglegging bleef die infrastructuur intact, gereed om nieuwe vormen van criminaliteit te faciliteren. Dat werd de gokindustrie waarin Russ zijn opkomst beleefde.

Het initiatief kwam uit Philadelphia. Daar was Joe Regino (‘Little Joe’) opgegroeid. Hij had al jong een strafblad: gewapende overvallen. De maffia stuurde hem naar Johnstown om als een soort franchisenemer een plaatselijke tak op te zetten. Hij trouwde met een zus van Russ. Little Joe zag in zijn zwager een paar nuttige eigenschappen. Hij kon bliksemsnel rekenen, wat van pas kwam bij het plaatsen van weddenschappen en andere gokactiviteiten, en hij was zwijgzaam aangelegd. Dat hij periodiek veel dronk werd pas later een probleem.

Hoofdkwartier werd de City Cigar op Main Street: voorin een hal met pooltafels en flipperkasten, achter een goed bewaakte deur verderop kamers voor het zwaardere werk. Gokken was de core business: er werd gewed op paardenraces, bokswedstrijden of honkbalmatches. Je kon ook gokken op de cijfers van de slotkoers op Wall Street, betrouwbaar en voor iedereen te verifiëren. Een van de bezoekers was ene Charles Buchinsky, die later acteerlessen zou nemen en zijn achternaam veranderde in Bronson.

De organisatie stond als een huis: een eigen bank, contacten bij de politie, steun van een burgemeester die een oogje toekneep, spierbundels in dienst om achterstallige aflossingen te incasseren. Soms mocht in natura worden betaald, dan verscheen in het gezin waar Tony opgroeide opeens een televisietoestel (waar van 7 tot half 11 iets op te zien was) of mocht moeder gratis in een kledingzaak komen winkelen.

Stadskanker aan North Homewood Avenue in Pittsburgh. De industriestad is lang geplaagd door misdaad, ook na het gouden maffiatijdperk van Russ Shorto en co in Pennsylvania. Beeld AP
Stadskanker aan North Homewood Avenue in Pittsburgh. De industriestad is lang geplaagd door misdaad, ook na het gouden maffiatijdperk van Russ Shorto en co in Pennsylvania.Beeld AP

Dit klinkt allemaal small-time, zoals Shorto zijn boek heeft genoemd, plaatselijk, kleinschalig. Maar hij weeft er het verhaal doorheen van Giuseppe (‘Pippy’) diFalco. Pippy was op de avond van 6 februari 1960 voor het laatst gezien. Hij zou lang onvindbaar blijven. Had hij te veel achtergehouden van het geld dat hij moest incasseren? Werkte hij stiekem voor concurrenten van Russ en Little Joe? Hadden zij hem laten omleggen? Tenslotte was hij al eens in elkaar geslagen door Rip Slomanson, een halve psychopaat die het beulswerk voor Russ opknapte. Shorto is er merkbaar niet gerust op. Hoe small-time was zijn opa eigenlijk? Hoe hard zoek je naar iets dat je liever niet wilt vinden?

Hier neemt zijn boek een persoonlijke wending, die het uittilt boven de gewone true crime. Shorto aarzelde om zijn vader Tony bij het onderzoek te betrekken. Die praatte niet graag over zijn vader, op zijn zachtst gezegd. De kinderen waren opgegroeid met het verhaal dat Tony had gebroken met zijn vader, manhaftig had geweigerd ‘in de zaak’ te komen en zo indirect ook zijn kinderen buiten dit milieu had weten te houden.

Maar Shorto begint zijn twijfels te krijgen. Net als hij er Tony naar wil vragen krijgt deze een beroerte. Wakend bij zijn bed heeft hij intens spijt dat hij zijn vragen voor zich heeft gehouden. Maar Tony herstelt wonderwel en is bereid verder samen met Russell op te trekken. Vanaf dat moment loopt ook de spanning tussen de verschillende rollen van Shorto op – historicus, zoon, kleinzoon – en ontwikkelt het misdaadverhaal zich tot een delicate psychologische memoir.

Halfblind en aan de zuurstof

Tony en Russell moeten beiden iets onder ogen zien. Onder de tientallen mensen die Russell interviewt, is Mike Gulino, destijds de rechterhand van Russ, nu midden 80, halfblind en aan de zuurstof. Bijna terloops vertelt hij dat Tony, toen een jaar of 16, op een dag met veel bravoure de City Cigar binnen was komen lopen en doodgemoedereerd hier en daar een praatje aanknoopte. Mike had nog geprobeerd hem een seintje te geven om te vertrekken, maar het was al te laat: net toen hij aanlegde voor een stoot aan de pooltafel werd hij door Russ bij de kraag gepakt. Die sloeg hem een paar keer in het gezicht en dreigde hem ten overstaan van iedereen de poten te breken als hij het nog eens in zijn hoofd haalde daar te komen. Volgens Mike had Tony niets liever gewild dan bij Russ in de zaak te komen.

Het duurt even voor Russell de moed heeft zijn vader te vragen of dit incident werkelijk heeft plaatsgevonden. Maar Tony geeft het toe en even later komt ook aan het licht dat hij in die tijd met de notoire Rip Slomanson optrok en zelf de nodige misdrijven heeft gepleegd.

De epiloog speelt zich af in een verpleeghuis. Slomanson blijkt nog te leven, dementerend maar, zoals dat gaat, met scherpe herinneringen aan vroeger, zijn jaren met Russ en Tony. Van hem krijgt Russell eindelijk opheldering over de verdwijning van Pippy.

Small-time – in een eminent leesbare vertaling van Jan Willem Reitsma ook in het Nederlands verschenen – is veel meer dan een kroniek over de maffiajaren in Johnstown. Shorto heeft heel secuur de goede dosering, de distantie en de passende woorden gevonden voor deze beladen familiegeschiedenis. Het is alsof hij zijn historische boeken moest schrijven om het vakmanschap te ontwikkelen voor de behandeling van een thema dat zo dicht bij hemzelf kwam. Een parel in zijn oeuvre.

Op dinsdag 23 maart om 19.30 uur interviewt Arnon Grunberg Russell Shorto over ‘Pater familias’, in een online bijeenkomst. Aanmelden via abc.nl/events

Russell Shorto, 'Pater Familias', Ambo Anthos, 288 p., 22,99 euro. Vertaling Jan Willem Reitsma. Beeld rv
Russell Shorto, 'Pater Familias', Ambo Anthos, 288 p., 22,99 euro. Vertaling Jan Willem Reitsma.Beeld rv
null Beeld rv
Beeld rv

Hoe small-time was zijn opa eigenlijk? Hoe hard zoek je naar iets dat je liever niet wilt vinden?

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234