Zondag 13/06/2021

InterviewAdriaan van Dis

‘Als ik in een interview iets gezegd had wat mijn moeder niet zinde, reed ze me klem met haar rollator. Vreselijk mens’

null Beeld Marie Wanders
Beeld Marie Wanders

Zeg niet dat Adriaan van Dis (74) een dystopische roman heeft geschreven. Daarvoor is KliFi, over een verwoestende overstroming in de Lage Landen, lang niet akelig genoeg, en veel te vrolijk verteld. Tegelijk is de schrijver begonnen met opruimen in zijn huis en in zijn hoofd. ‘Ik wil ab-so-luut niet verbitteren. Ken je eigen plaats. Wees open. En wees vijf keer per dag aardig.’

‘Adriaan van Dis is in rouw, komma, want de leeuwen, komma, zijn overburen, komma, dreigen als economische vluchtelingen Artis te verlaten en een nieuw huis te vinden in Zuid-Frankrijk. Punt. Hij zal het gebrul deerlijk missen. Punt.’ De schrijver veert op nadat hij zich over mijn iPhone op de keukentafel heeft gebogen en zegt lachend, met de bekende, licht bekakte dictie: ‘Ik spreek het interview zo even voor je in.’

Van Dis ontvangt in zijn smetteloze, moderne appartement in een oud pakhuis in Amsterdam-Oost. Op de vloer ligt een lichtbeige tapijt, dus de bezoeker dient, net als in de moskee, zijn schoenen uit te doen. Met gedempte, verende passen gaat het langs eindeloze rijen boeken aan de wand, de schilderijen, foto’s, beelden en objecten die hij van zijn reizen naar Azië en Afrika mee naar huis heeft genomen. Een blik uit zijn raam, op het olifantenverblijf, laat de buitenwereld naadloos overgaan in de binnenwereld.

Een jaar geleden is Adriaan van Dis teruggekeerd naar Amsterdam. Negentien jaar was hij weggeweest, zeven jaar daarvan woonde hij in Parijs. ‘Ik ben daar diep gelukkig geweest’, zegt hij met een dromerige blik in zijn ogen. Elke dag wandelde hij over de boulevards en avenues, doorkruiste hij Montparnasse, Saint-Germain-des-Prés en het Quartier Latin. Maar hij zocht niet alleen de rijkdom en de schoonheid. Hij had ook oog voor de armoede, de clochards, de verschoppelingen van de stad.

Adriaan van Dis: “Net als in Parijs wandel ik hier elke dag een uur door de stad. Op mijn route maak ik altijd een korte stop in een parkje bij de Roetersstraat, waar daklozen schuilen en mannen zitten die een slokje lusten. Vlakbij staat een huis voor mensen die wat vergeetachtig zijn geworden. Die vluchten ook het parkje in. Gisteren zat ik op een bankje naast een zwerver onder een splinternieuw donzen dekbed. Ik vroeg hem hoe hij eraan was gekomen. Een makker van hem had dat geregeld. ‘Hebt u het lekker warm?’ Heb ik van mijn moeder geleerd. Pleegzuster Bloedwijn.”

‘Als ik in een interview iets gezegd had wat mijn moeder niet zinde, reed ze me klem met haar rollator. Vreselijk mens.’ Beeld Marie Wanders
‘Als ik in een interview iets gezegd had wat mijn moeder niet zinde, reed ze me klem met haar rollator. Vreselijk mens.’Beeld Marie Wanders

Na Parijs vestigde u zich in een afgelegen vallei in de Achterhoek, niet ver van de oever van de IJssel.

Van Dis: “Jeroen Henneman, de kunstenaar, heeft tegen mij gezegd: ‘Adriaan, je hebt een groot talent voor eenzaamheid.’ Dat vond ik een rake opmerking. Ik was als kind van repatrianten in dat volle huis in Bergen, met al die oudere kinderen, al eenzaam. Maar daaruit puurde ik iets. Ik liep het huis uit op mijn Robinson-schoenen, waar een palmboompje in de hiel stond, en stapte door het duinzand. Ik vond het heerlijk om alleen te zijn. En dat is nooit veranderd.”

Toch bent u naar de stad teruggekeerd.

Van Dis: “Het werd stil op de boerderij. (Zucht) Mijn voeten konden niet meer naar het café, het theater en de bioscoop. En als je voeten het niet kunnen, wil je hoofd er graag naartoe. Maar nu zat ik hier in Amsterdam en kon ik door de lockdown weer nergens heen. Ik ben al een jaar niet in het theater geweest.”

Alle tijd om te schrijven.

Van Dis: “Toen de coronacrisis uitbrak, ben ik begonnen met opruimen. Na de verhuizing had ik al de helft van mijn boeken de deur uit gedaan. Nu waren mijn dagboeken aan de beurt. Twee vuilniszakken vol! Wég ermee. Alleen mijn aantekeningen van een paar grote reizen heb ik bewaard. Maar mijn dagelijkse gekrabbel treft men hier na mijn verscheiden niet meer aan... (Aarzelt even) Je moet weten: ik heb een dodelijke kwaal onder de leden. Longfibrose, een verharding van de buitenste longwand. Hoe ik eraan kom, God mag het weten, hoe ik ervan afkom net zo. Ik zit in een experimenteel traject met medicamenten. Die houden het momenteel stabiel. Maar als meneer Covid aanklopt... Dan doe ik om te beginnen niet open. Mocht ie onverwijld toch binnenkomen, dan is het einde verhaal.”

Dat moet een angstige gedachte zijn.

Van Dis: “Toch drukt het me niet terneer, meneer! Na het opruimen van mijn dagboeken ben ik alle ongepubliceerde verhalen in mijn archief gaan oppoetsen. Oude essays heb ik up-to-date gemaakt. Stukken roman omgewerkt tot een verhaal. Na Dis heb ik die verzameling genoemd. 390 bladzijden, persklaar! Mijn begrafenis kan betaald worden. Ik ben goedgemutst, klaar voor de dood... De kop voor boven het interview heb je al. (Buigt zich voorover en roept op hoge toon in de iPhone) Juffrouw, tikt u dit even uit?”

Hoe komt het dat u dat vooruitzicht zo vrolijk doorstaat?

Van Dis: “Ik ben als kind opgevoed met de vanzelfsprekendheid van de dood. Er stond een grote, onthoofde dode op het dressoir, het huisaltaar van de dood. Mijn vader telde de doden in het donker, mijn vaders vader had zelfmoord gepleegd. De dood was iets waarmee je leeft, waarmee je voortgaat.”

U bent niet bang voor de dood.

Van Dis: “Ik kijk niet van hem weg, integendeel. Ik begin de dag met het lezen van de overlijdensadvertenties. Het valt mij op dat steeds meer mensen van mijn leeftijd – ik ben van 1946 – het voor gezien houden. Maar ik blijf niet angstig binnen, en ik ontvang aan huis. Ik zeg het mijn moeder na: van het concert des levens heeft niemand het program.”

Uw moeder is heel oud geworden.

Van Dis: “99! Ik neem een voorbeeld aan haar levenslust. Niet kletsen, maar doen. Niet bij de pakken neerzitten. Nooit te laat om een cursus te volgen of een boek ter hand te nemen... Ik wil wel graag aan de bejaarde lezers mededelen: als je boven de 80 bent, zeg dan ook eens enkele lidmaatschappen op. Na de dood van mijn moeder moest ik er tientallen opzeggen. Een schier onmogelijke taak. Gooise fietspaden, 5 euro. De vogelclub, automatische afschrijving, 15 euro...”

Pas toen uw moeder dood was, schreef u een roman over haar, Ik kom terug, die in 2015 werd bekroond met de Libris Literatuurprijs.

Van Dis: “Toen ze nog leefde, durfde ik niet. Ik moest op mijn woorden passen. Alle kranten ploften bij haar in het bejaardenhuis op de mat. Als ik iets in een interview had gezegd wat haar niet zinde, reed ze me klem met haar rollator (lacht). Vreselijk mens. Ik ben nog altijd doodsbang voor haar.”

Heeft de confrontatie met de dood uw schrijven veranderd?

Van Dis: “Ik ben misschien alleen wat zuiniger met mijn tijd. Ik schrijf drie, vier uur per dag. Dat is ook een soort mindfulness, want je denkt alleen maar aan je boek – dan kan ik de dag heel goed aan. Ik heb het schrijven nodig om mezelf en de wereld te begrijpen. Het houdt de krankzinnigheid buiten de deur.”

'Toen Donald Trump covid kreeg, stak ik een kaars op in de hoop dat hij erin zou blijven.' Beeld Marie Wanders
'Toen Donald Trump covid kreeg, stak ik een kaars op in de hoop dat hij erin zou blijven.'Beeld Marie Wanders

KONING IN KOOI

Hoe is uw nieuwe roman, KliFi, ontstaan?

Van Dis: “Uit de verzameling voor Na Dis heb ik een kleine, duistere vertelling over een overstroming getild, geschreven in de jaren 80. Het verhaal speelde zich af in een ander land, maar ik heb het naar Nederland teruggebracht. En ik verplaatste de gebeurtenissen naar de nabije toekomst, zo’n zes, zeven jaar van nu. De republiek Nederland is 10 graden opgewarmd en wordt getroffen door een orkaan. De rivier waaraan de 84-jarige Jákob Hemmelbahn woont, treedt buiten haar oevers en spoelt een nederzetting van vluchtelingen en armoedzaaiers weg. Jákob is woedend op de president, die de ramp ontkent. Hij besluit de mensen die uit de kuil zijn gekropen te helpen. Hij schrijft een pamflet: KliFi, kort voor klimaatfictie.”

Een Van Dis-topie!

Van Dis: “Néé, helemaal niet! Voor een dystopie is mijn roman lang niet akelig genoeg, en vooral veel te vrolijk verteld.”

Hoe realistisch acht u uw toekomstbeeld?

Van Dis: “In de Achterhoek heb ik gezien hoe er overmoedig bouwwerkjes werden opgetrokken in de boezems van de IJssel. Ik heb mij vaak afgevraagd: wat zou daarmee gebeuren als er een overstroming plaatsvindt? Voor de beschrijving van zo’n ramp hoef ik alleen maar de krant op te slaan. (Schuift een stapel naar zich toe en zet een ronde bril met rouwranden op zijn neus) Kijk hier, jongeman, een artikel in Le Monde over een armenwijk buiten Madrid waar de omstandigheden erbarmelijk zijn. En hier, in The New York Times: ‘Flooding, fleeing families, millions on the run.’ Ik verzin het echt niet. Het gekke is: we lijken er bewust van weg te kijken. Politici zijn niet alleen in staat om een genocide te ontkennen, maar ook de klimaatverandering.”

In uw roman is Nederland een republiek geworden.

Van Dis: “Het koningshuis geef ik geen tien jaar meer. Laat die mensen vrij. Om humanitaire redenen heb ik met ze te doen. De leeuwen van de zoo mogen naar Zuid-Frankrijk. Laat de koninklijke leeuw ook uit zijn kooi. Dat past toch niet meer in deze tijd.”

De president in KliFi is ook geen reclame voor de democratie.

Van Dis: “Ik maak me geen illusies over de drijfveren van politici. De president is een populist en een nationalist. Hij spreekt de taal van rechts. Maar ik heb wel een gemeen grapje uitgehaald: veel van wat hij zegt, komt uit de mond van linkse mensen. Wie dat zijn, laat ik aan de puzzelaars. Ik hoorde ’s nachts een politicus op de radio zeggen: ‘Een volk is als een schaal, die moet zuiver klinken.’ Ik dacht: wat krijgen we godverdomme nou?!”

Gelooft u niet in het idee van een volk?

Van Dis: “Ik weet dat het elitair klinkt, maar ik zou graag een Europees paspoort willen hebben, zodat ik niet afhankelijk ben van de eerstvolgende zot die dit land zal leiden. Ik heb meer affiniteit met een Nigeriaanse kunstenaar in Londen dan met een boer van Farmers Defence Force die met een tractor van 150.000 euro een hek omverrijdt.”

Boze mannen heb je overal.

Van Dis: “Sterker: in mij zit een boze man. Toen Donald Trump covid kreeg, stak ik een kaars op in de hoop dat hij erin zou blijven. Dat mag van de psychiater. Haten is een deugd. Mijn hoofdpersoon wordt door dezelfde moordneigingen jegens zijn president geteisterd.”

Maar hij twijfelt ook aan zijn gelijk. Jákob Hemmelbahn voert een innerlijke tweestrijd.

Van Dis: “Iedereen heeft een binnenstem, die je influistert: het is beter als je je taalgebruik aanpast. Of: het is beter als je die belediging inslikt. Voor je het weet, ben je de hele tijd bezig jezelf te corrigeren. Dus ik dacht: ik schrijf een boek over een gesprek tussen een schrijver en zijn censor. Die heb ik Poema genoemd. Soms spint hij, soms krabt hij.”

TERUG NAAR SYRIË

De lezer ziet de censor op de pagina’s van KliFi aan het werk.

Van Dis: “Het zetsel ziet er wondermooi uit, vind je niet? Ik vond het spannend om te laten zien hoe dat gaat, hoe dat pamflet zich ontwikkelt in het hoofd en onder de handen van Jákob, die op zijn 84ste ook maar een debutant is. De schaar van Poema knipt stukken uit zijn tekst. Je ziet zijn doorhalingen, correcties en suggesties.”

Die suggesties zijn niet allemaal even slecht.

Van Dis: “Vorig jaar heb ik The Velvet Prison van Miklós Haraszti gelezen, dat over de benauwenis in het poststalinistische Hongarije gaat. Haraszti beschrijft hoe de Hongaren zich aanpasten aan de nieuwe omstandigheden. Hoe ze met de dingen meebewogen. Hun mond hielden. Accepteerden. En uiteindelijk in een samenleving terechtkwamen die ze niet wilden. Ik dacht: dit gaat over nú. Dit gaat over ons.”

Zijn wij in een stille dictatuur beland?

Van Dis: “Burgers verlangen naar restrictie. Het leger moet de problemen op straat oplossen. Het woord ‘tuig’ is algemeen geworden. Veel mensen vinden dat de sociale media, het riool van Twitter, de haatzaaiende filmpjes op YouTube, aan banden moeten worden gelegd. Maar is dat wel zo’n goed idee? Laat de mensen kakelen als ze dat willen!

(Springt op) “Ik móét je wat laten zien. Waar is mijn telefoon? Kijk eens wat ik op Telegram vond! (Start een filmpje van een jongen die ratelt) Fak de dag dat ik hier aankwam. Fak de koning. Fak alles. Tien uur beginnen met taakstraf, tot zeven uur geen pauze. Kanker jullie moeder. Als ik nu had een bus, zou ik meteen terug naar Syrië gaan. Ik zweer, ik zweer. Kanker, kanker. Fak verzekeren, fak gemeente. Kankerbomen. Kanker-McDonald’s. Kanker alles. Ik neuk alles.’ (Straalt) Dat is pure poëzie! Fak, fak, fak!

Het inspireert u.

Van Dis: “Ik vind dat je de woede in het gezicht moet kijken. Pas op: ik zeg niet dat de wappies gelijk hebben, of de tegeltrekkers. Maar ik zie dat ons, om de problemen van de samenleving op te lossen, beperkingen worden opgelegd. Daar wordt óók onze democratie aangetast. En in hoeverre zijn we bereid om onze vrijheid weg te geven?

“Hier in Amsterdam spreek ik geregeld mensen die opgegroeid zijn in landen waar men zich niet vrij kan uiten. Die mensen betrapten zich er de laatste tijd op dat ze in Nederland steeds voorzichtiger moesten worden met waarover ze zich uitspraken. Ze konden niet meer alles zeggen. Werden afgerekend op hun woorden. Op hun afkomst.”

Is de verteller van KliFi daarom een Hongaar geworden?

Van Dis: “Ik had ook wel weer Indië kunnen nemen, maar ik dacht: laat ik eens een andere herkomst kiezen, een andere dwingende vader. Een andere oorlog, die op de schouders van een kind wordt gelegd. Ook al is dat kind nu 84. Zo werkt het bij mij ook: alle ideeën die ik vandaag heb, zijn gevormd door de oorlog van mijn ouders. Ik ben opgevoed door repatrianten, ontwortelde mensen die hun status hadden verloren. Dat heeft mijn houding bepaald. Ik kom op voor de migrant, de kwetsbare, de mensen met een kleur. Omdat ik het jongetje was dat géén kleur had, althans niet de kleur van de mensen bij wie ik wilde horen. Het had ook andersom kunnen zijn...

“Ik wil een pleidooi houden voor het afwijkende, voor de mensen die uit de maat lopen. Die hebben we ontzettend nodig. Voor je het weet hebben wij ons allemaal geschikt in een keurslijf. In The Velvet Prison staat: een dictatuur is een huid. Je groeit erin. Voor je het weet, groeien we in iets dat we helemaal niet hebben gewild.”

Is de roman de beste vorm voor uw pleidooi?

Van Dis: “Amitav Ghosh roept in The Great Derangement op om fictie te gebruiken voor het verbeelden van de ramp die ons te wachten staat en die waarin we al leven. Ik heb aan die oproep willen voldoen. Ik ben meer dan ooit op de hand van de roman. Als je in een essay of een journalistieke reportage iets wilt vertellen over het heden, is het morgen al oud nieuws. In een roman blijft het eeuwig fris.

(Grinnikt) “O god, ik lijk mijn moeder wel! Op m’n oude dag nog even de wereld verbeteren... Ik wil geen eenling in de toekomst worden, ook al kan die toekomst over drie maanden voorbij zijn. Ik wil niet vervreemden van mijn eigen tijd. En ik wil ab-so-luut niet verbitteren. Ken je eigen plaats. Wees open. En wees vijf keer per dag aardig. Bij de Albert Heijn iemand voorlaten, een oud dametje helpen oversteken. Een praatje maken met de zwerver in het park. Daar blijf ik vrolijk bij.”

Adriaan van Dis, KliFi, Atlas Contact Beeld Contact
Adriaan van Dis, KliFi, Atlas ContactBeeld Contact
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234