Maandag 14/06/2021

InterviewTom Dewispelaere en Tom Van Dyck

‘Als acteur voel je je bijna schuldig als je in normale omstandigheden kan werken’

Tom Dewispelaere en Tom Van Dyck in ‘Wachten op Godot’. Beeld kurt van der elst
Tom Dewispelaere en Tom Van Dyck in ‘Wachten op Godot’.Beeld kurt van der elst

Telkens opnieuw uitkijken naar iets dat toch niet komt. Het leven van Tom Van Dyck en Tom Dewispelaere had de voorbije maanden veel weg van hun voorstelling Wachten op Godot. Van spelen was er geen sprake en de cultuursector bleef stevig op slot – tot nu. ‘Alles staat te wachten op onze terugkomst.’

Wachten op Godot, een productie van Olympique Dramatique, ging in oktober vorig jaar in première in de Antwerpse Waagnatie. Het was de eerste keer dat Tom Van Dyck (48) en Tom Dewispelaere (44) samen op het toneel stonden, nadat ze eerder al zij aan zij opdoken in de tv-series Van vlees en bloed en Over water. Er waren 45 voorstellingen gepland, maar na amper tien opvoeringen haalde de realiteit hen in.

In een repetitieruimte van Toneelhuis roert Van Dyck in zijn ochtendkoffie. Zijn gedachten dwalen af naar het podium. “In de Waagnatie is het alsof er een kernramp is gebeurd en iedereen is gaan lopen. De kleedkamers zijn nog intact, onze kostuums hangen er nog. Laatst zijn we nog eens gaan kijken. Het is intriest, alles staat te wachten op onze terugkomst.”

Dewispelaere en Van Dyck stonden al langer in de startblokken om de voorstelling te hernemen. “Tekstueel is het een pittige partituur”, zegt Van Dyck. “Voor elk overlegcomité hebben we ons zitten opwarmen omdat we dachten: nu gaan we opnieuw mogen. En dan telkens weer die teleurstelling.” Dewispelaere had in zijn hoofd zelfs al afscheid genomen van het stuk.

Jeugddroom

Voor Van Dyck is Wachten op Godot een jeugddroom die uitkomt. Hij koestert het stuk sinds zijn tienerjaren – het verhaal hoe hij het boek ontvreemdde uit de bibliotheek van Herentals, is intussen genoegzaam bekend. “Ik begreep het niet altijd goed, maar ik moest er op mijn zestiende al mee lachen. Ik ben blij dat ik het nu pas kan spelen, omdat ik het beter snap dan toen. Het is ook belangrijk dat ik dit met Tom doe, en met Koen De Sutter en Nico Sturm, die de andere rollen spelen. Je kan Godot pas doen als je humor en ontroering kan delen. Je moet een intimiteit hebben om een stap verder te kunnen gaan en dat was met de Wispe het geval.”

Wachten op Godot van Samuel Beckett gaat over twee mannen, Vladimir en Estragon, die staan te wachten op iets dat niet komt of dat telkens wordt uitgesteld. Hun bestaan hangt ervan af en daar hebben ze geestige en diepe gesprekken over. “Veel van wat ze zeggen, kan je linken aan vandaag”, vindt Dewispelaere. “De sterkte van het stuk is dat het in 1953 is geschreven als reactie op de oorlog, maar op zo’n manier dat het vandaag nog standhoudt. Dat maakt het tot een kunstwerk.”

“Godot is een klassieker en die bieden altijd een passe-partout aan waarbinnen je de tijd kan plaatsen”, aldus Van Dyck. “Het grijpt naar de strot omdat het gaat over niet alleen kunnen zijn. Corona heeft ons de voorbije maanden veel geleerd, maar we hebben ook ingezien dat persoonlijk geluk van ondergeschikt belang is. We bestaan vooral in functie van de andere. Dat vind ik zo’n mooie vertelling over vandaag – los van de vraag hoelang we nog moeten wachten.”

Wachten op Godot staat hoog op het lijstje van elke acteur, maar toch wordt het zelden opgevoerd. Waarom heeft u het stuk gekozen?

Van Dyck: “Het is geestig en ontroerend, het is kolder en slapstick, maar ook zo poëtisch dat ik me telkens afvraag: wat is de kern? Wat is het beeld dat we hier moeten vatten? Het blijft zijn geheimen behouden.”

Dewispelaere: “King Lear heeft dat ook. Het meest pöetische stuk van Shakespeare, het hoogste niveau dat hij ooit heeft bereikt. Maar als je het begint te lezen, denk je: wat is dit? Waar ligt de sleutel?”

Van Dyck: “In het verleden is Beckett vaak afstandelijk-intellectueel benaderd. Zijn stukken hadden iets maniëristisch. Wij hebben er fysieke elementen aan toegevoegd: we laten de hoofdpersonages elkaar vastpakken. Hun woorden hebben we behalve muzikaliteit ook een menselijke adem gegeven.”

Dewispelaere: “Nico speelt Lucky, die de hele voorstelling niets zegt, tot hij gedwongen wordt te spreken. En dan komt er vijf minuten lang alleen wartaal uit. Altijd een moeilijke in Godot: wat doe je met de monoloog van Lucky? Ik zag versies op YouTube waarvan ik dacht: waarom doen jullie zo raar?”

Van Dyck (gezwollen): “Kunsjt!”

Dewispelaere: “Het deed me niks. Bij ons is Nico met verve erin geslaagd een mens van vlees en bloed neer te zetten die iets probeert te vertellen, maar die zijn gedachten niet meer kan ordenen. Zo dramatisch! Dat vind ik van een hoog spelersniveau en diep ontroerend.

“Er is ook de Waagnatie die ons helpt in de vertelling: een gigantische hangar, een half voetbalveld groot. Het publiek heeft hoofdtelefoons op, waardoor mensen ons van dichtbij kunnen horen terwijl wij vijftig meter verderop een gesprek voeren.”

De erfgenamen van Beckett zien er nauw op toe dat zijn stukken zo getrouw mogelijk worden opgevoerd. Een neef van de schrijver reageerde furieus toen een Australisch toneelgezelschap muziek gebruikte in Wachten op Godot. Ook in uw voorstelling is muziek te horen.

Van Dyck: “Dat zegt meer over de neef dan over die goeie ouwe Beckett.”

Dewispelaere: “Als je leest en hoort wat er allemaal is gebeurd met dat stuk, dan zal een liedje ook wel mogen, zeker? Je moet die verhalen met een korrel zout nemen. In de jaren tachtig hebben in Nederland vier actrices het stuk gespeeld, terwijl het volgens Beckett alleen met mannelijke acteurs mag. Daar is een proces van gekomen dat de erven hebben verloren.”

‘Wachten op Godot’. Beeld (c) Vincent Delbrouck
‘Wachten op Godot’.Beeld (c) Vincent Delbrouck

Tom, afgelopen zomer gooide u in deze krant een knuppel in het hoenderhok door te stellen dat de theaterwerking radicaal anders moet. U wilde meer geld voor de basis, de acteurs. Hoe waren de reacties?

Van Dyck: “Ik heb veel gesprekken gehad, met jong en oud, en er zullen er nog komen. Ik geloof dat je je als artiest moet kunnen ontwikkelen, maar dan moet je daar mogelijkheden toe krijgen. Bij zo veel jonge acteurs en actrices is in deze coronatijd de stekker eruit getrokken, waardoor hun ontwikkeling stilvalt. Ik wil niet terug naar de oude stadstheaters, ik wil gezelschappen die vanuit spelers vertrekken, zoals de Blauwe Maandag Compagnie destijds, of Olympique Dramatique, dat vast verbonden is aan Toneelhuis. Het is nu te veel een makerslandschap, waarin elke acteur de titel ‘maker’ moet dragen.”

De indruk ontstond dat je een kransje van acteurs krijgt die verbonden zijn aan grote gezelschappen en dat de rest het met de kruimels moet doen.

Van Dyck: “Dat heb ik van in het begin onderuitgehaald door de nadruk te leggen op het parcours dat je als acteur moet afleggen. Noem me oubollig, maar ik geloof in vakmanschap. Dat bereik je niet door in je eigen kring je ding te doen. Voor mij is Woestijnvijs mijn vast gezelschap geweest. In de gloria heeft mij enorm doen groeien als acteur. Peter Van Den Begin staat waar hij staat, mede omdat hij al die jaren bij de Blauwe Maandag Compagnie heeft gespeeld.”

Dewispelaere: “Bij Olympique Dramatique is de centrale plek voorbehouden aan de speler. We dragen makers hoog in het vaandel, maar zijn altijd op zoek naar spelersstukken om dat te bewerkstelligen. We proberen ook beginnende spelers kansen te geven. Met Angels in America hebben wij Tijmen Goovaerts de eerste keer op het toneel gebracht. Sanne-Samina Hansen is bij ons begonnen met een minirol in Augustus, ergens op de vlakte. Een paar jaar later speelde ze bij ons Lady Anne in Risjaar Drei en de rol van Harper in Angels in America, waarvoor ze een nominatie kreeg voor de Columbina.”

Van Dyck: “Stel dat die mensen het allemaal zelf moeten doen en maar zeven keer gaan spelen met een eigen voorstelling... Dan kan je toch niet groeien? Ik heb niet te klagen: ik behoor tot de happy few die altijd hebben kunnen leven van hun vak. Maar ik behoor ook tot de politieke strekking die vindt dat de sterke schouders de zwakkeren moeten dragen.”

Kent u collega’s die door de coronacrisis acteur af zijn?

Van Dyck: “Nee, maar wel heel wat technici die nu zonnepanelen leggen of in de bouw werken. Pas op het einde van het jaar zullen we de eindafrekening kunnen maken.”

Dewispelaere: “Ik heb berichten gehoord van acteurs die naar de voedselbedeling moeten gaan. Heel triest. Als je een speelreeks had van twee maanden die plots wegviel en je hebt geen kunstenaarsstatuut of buffer, dan houdt het op. Ik had het geluk dat ik enkele maanden kon terugvallen op steun van de overheid.”

Van Dyck: “Mijn bedrijfje heeft een vergoeding gekregen omdat Ex, een voorstelling die ik zou spelen met Lucas Van Den Eynde, Ariane Van Vliet en mijn vrouw Alice Reijs, is weggevallen. We hadden 55 voorstellingen gepland. Met de premie die ik kreeg, kon ik amper de lonen van spelers en techniek voor vijf voorstellingen vergoeden. Fijn, maar het bleef een erg schrale troostprijs.

“Ik heb de afgelopen maanden zo veel tijd gestoken in administratie: wat als we kunnen spelen, wat als het wordt afgelast? Hoorndol werd ik ervan, ik zat alleen maar achter mijn bureau te plannen en het geplande te herplannen. Ondertussen kon ik mijn mensen niet betalen. Wij zijn een gelegenheidsensemble dat perfect bolt als we kunnen spelen. Maar als dat wegvalt... Zelfs Nick Cave heeft voor zijn techniekers een tombola moeten organiseren.”

De cultuursector is de enige die nog stilligt. Maakt u dat kwaad?

Dewispelaere: “Natuurlijk. De regering hanteert verschillende maten en gewichten. Normaal gingen wij met onze voorstelling op tournee. Heel snel hebben we beslist dat niet te doen en te verhuizen naar een gigantische loods, waar we zelf een tribune hebben gebouwd met bubbels van twee en anderhalve meter ertussen. Er waren protocols om mensen niet met elkaar in aanraking te laten komen: iedereen werd naar zijn plaats gebracht, je mocht niet zomaar opstaan om naar de wc te gaan. En dan kom je na de voorstelling buiten, zie je de tram voorbijkomen en denk je: huh?”

Van Dyck: “Op een zaterdag zat Jan Jambon, de Vlaamse minister-president en minister van Cultuur, in de zaal. ’s Anderendaags zei hij in De zevende dag over Wachten op Godot: ‘Veiliger kan theater niet gebeuren.’ Drie dagen later moesten we dicht. Ik begrijp dat het niet gemakkelijk is om een lijn te trekken, maar je moet toch durven toe te geven dat in ons geval het theater gewoon had kunnen openblijven? Ik keek mijn ogen uit toen de terrassen opnieuw opengingen. Compleet onbegrijpelijk, sloeg als kut op dirk.”

Pardon?

Van Dyck: “Kut op dirk. Een geijkte Nederlandse uitdrukking.”

Dewispelaere: “Dat heb ik nog nooit gehoord.”

Van Dyck (neemt gsm en tikt): “Dat. Slaat. Als... kut op dirk. Zie: als een tang op een varken!”

Dewispelaere: “En dat wordt bij u thuis vaak gezegd?”

Van Dyck: “Bij ons slaat kut vaak op dirk, ja.”

Tom Dewispelaere en Tom Van Dyck in ‘Wachten op Godot’. Beeld kurt van der elst
Tom Dewispelaere en Tom Van Dyck in ‘Wachten op Godot’.Beeld kurt van der elst

Het langste dichtblijven, het steeds met minder moeten doen en amper protest vanuit de bevolking: ziet u daarin een teken dat de Vlaming niet hoog oploopt met cultuur?

Van Dyck: “Het is de politiek die cultuur niet belangrijk vindt, niet de Vlaming. Natuurlijk willen mensen naar het theater en willen ze acteurs aan het werk zien in films en op tv. Cultuur gaat breed: van bierfeesten en fanfares tot het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Het gaat over wie we zijn, onze identiteit. De politiek heeft daar graag greep op. Dat vind ik verontrustend. In alle raden van bestuur in de culturele wereld is de politiek binnengesijpeld. Kijk naar het VAF (Vlaams Audiovisueel Fonds, dat subsidies verdeelt voor de audiovisuele sector, SS), waar een rare oude man ineens denkt dat hij geld kan uitdelen aan iemand die openlijk sympathie betuigt voor zijn partij. Ja, hallo?! (VAF-voorzitter en tevens voormalig N-VA-parlementslid Siegfried Bracke wilde regisseur Jan Verheyen zelf laten kiezen voor welke film hij subsidies zou krijgen, SS). Dat is toch heel erg kut op dirk?”

Sociaal ondernemerschap is een subsidiemagneet, terwijl het voor de cultuur altijd krabben is. Hoe voelt een acteur zich daarbij?

Van Dyck: “Cultureel ondernemerschap wordt langs alle kanten gestimuleerd, maar vaak komt het neer op: los het zelf op. Wie iets wil opstarten, laat zich maar beter omringen door mensen die weten waar je het geld kan gaan halen, anders kom je niet meer toe aan spelen. Maar hoe betaal je zo iemand? Dat is de kloterij. Als ik bij Toneelhuis onder de vlag van Olympique Dramatique kan werken, besef ik hoe heerlijk het is om in een structuur te zitten waar er mensen zijn die alles voor je doen. Maar zulke structuren zijn schaars, terwijl die nodig zijn om acteurs te laten groeien.”

Dewispelaere: “Sinds onze start zijn wij snel opgepikt door Toneelhuis en hebben we ons alleen maar kunnen bezighouden met het artistieke. Ik besef dat dat een luxepositie is.”

Van Dyck: “Op den duur is het luxe om in normale omstandigheden te kunnen werken. Je zou je bijna schuldig voelen. Dat is toch van de zotte?

De recensenten die al kwamen kijken naar Wachten op Godot, vonden het fantastisch. Houdt u dat bezig?

Dewispelaere: “Niet zoals vroeger. Toen bladerde ik zenuwachtig door de krant om te weten wat er over ons werd geschreven.”

Van Dyck: “Het gebeurt zelden dat je de grond in wordt geboord en dat het publiek rechtstaat om te applaudisseren.”

Toen Den elfde van den elfde niet overal even enthousiast werd onthaald, was u toch boos.

Van Dyck: “Mijn werk, dat ben ik. Alice probeert mij al jaren duidelijk te maken dat ik daar los van moet staan, maar ik slaag daar maar niet in. Ik heb het er moeilijk mee als mijn werk de grond in wordt geboord. Niet omdat ik niet tegen kritiek kan, maar ik steek er mijn hart en ziel in. Thuiskomen en zeggen: allez, dat was het werk voor vandaag – nee, sorry. Het stopt niet.”

Heeft u het spelen nodig voor uw mentale welzijn?

Dewispelaere: “Ik kan niet zonder. Soms vraag ik me af of ik niet iets anders moet gaan doen in mijn leven. Maar ik zou niet weten wat.”

Van Dyck: “Ik heb die speeltuin nodig om aangenaam te blijven voor mijn omgeving. De laatste maanden werd ik zo ambetant dat zelfs mijn kinderen zeiden: ‘Kan je geen vriendje bellen, zodat je kan gaan spelen?’”

Wachten op Godot, van 9 tot 27 juni, Waagnatie Antwerpen. Alle voorstellingen zijn uitverkocht.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234