Zaterdag 07/12/2019

Woodstock

‘Alles wat ik van Woodstock weet, heb ik van horen zeggen’: Een ooggetuigenverslag door Marc Didden

Beeld Burk Uzzle

Alles wat ik van Woodstock weet, heb ik van horen zeggen. Zelf stond ik op 15, 16 en 17 augustus 1969 achter de toog van café Dolle Mol in Brussel, waar ik namaakmarginalen voorzag van legale drank en het dito occasionele broodje kaas of worst – illegale rommel namen de klanten zelf wel mee. En toch leest u in dit ooggetuigenverslag de waarheid en niets dan de waarheid over een festival dat dan wel zijn naam, maar niet zijn faam heeft gestolen.

‘By the time we got to Woodstock

We were half a million strong

And everywhere was a song and a celebration

And I dreamed I saw the bomber death planes

Riding shotgun in the sky

Turning into butterflies

Above our nation’

(uit ‘Woodstock’ van Joni Mitchell)

Bovenstaande zinsnede kent u wellicht van de mooie versie die Crosby, Stills, Nash & Young ervan maakten op hun waarlijk legendarische tweede langspeelplaat Déjà Vu. Maar we mogen natuurlijk nooit vergeten dat het lied ontsproten is aan de goed ontwikkelde hersenen van Joni Mitchell, en dat háár handige handen de gitaar bespeelden die de melodie opleverde. Wie de tekst goed leest, en ook Joni’s oerversie tot zich laat doordringen, beseft snel dat deze song niet écht over het Woodstock-festival gaat, maar wel over de smerige oorlog die toen in Vietnam aan de gang was, en over hoe het vreedzame verzet van honderdduizenden jongeren op een festivalweide het bewijs leverde dat er ook een ánder Amerika was, dat niet noodzakelijk begeesterd was door een kapitalistische droom.

Mitchell vertelt dat ze de song ook uit ontgoocheling schreef, terwijl ze in haar hotel de eerste tv-beelden van het festival mocht aanschouwen. Ze was er zo graag bij geweest, en ze was er ook voor gevraagd, maar haar manager had haar ervan overtuigd dat ze daar niets te zoeken had, en dat een tv-optreden die avond, in de druk bekeken Dick Cavett Show, véél en véél belangrijker was. En misschien was dat ook zo, want als Joni wel naar Woodstock was getrokken, hadden wij de song ‘Woodstock’ nooit gehoord. Overigens heb ik nog een dienstmededeling: mijn favoriete versie van die song komt van de Britse folkrockers Matthews Southern Comfort. Ze staat op hun derde lp, Later That Same Year, en het was hun enige hit ooit.

✿✿✿

Voor we verdergaan, moet ik toch iets bekennen. Ik heb een hekel aan festivals. Altijd gehad. Rockfestivals, filmfestivals, theaterfestivals: ik mijd ze als het kan. Beroepshalve heb ik ze alle drie weleens moeten frequenteren, en na een uur of drie vraag ik me dan altijd af: wat doe ik hier in godsnaam? Het heeft niet alleen te maken met het teveel aan mensen, de te lange files bij de toiletten, het overaantal poseurs in de persruimte. Het gaat mij ook om de langdurige aanslag op je brein die zo’n festival toch altijd met zich meebrengt. Hoeveel impulsen kunnen onze hersenen aan, denk ik dan, en hoeveel hebben we er nodig? Wat hou je over als je dertig artiesten op één dag moet beluisteren en er ook nog iets over moet denken? Wie kan er zes films op één dag aan? Drie voorstellingen? Niemand, denk ik. Toch wagen veel recensenten zich eraan. Good luck to them. Zelf kan ik het niet. Als ik een goede film zie, kan ik de drie volgende weken geen andere films meer bekijken. Als ik een lp van een onbekende artiest ontdek, dan draai ik die tien dagen lang, altijd maar weer en weer. Als ik een prachtige voorstelling mag meemaken – theater, dans – dan kan ik daar een maand op teren. Als ik ergens een barslechte voorstelling moet ondergaan, blijf ik voor de rest van het lopende jaar uit die schouwburg weg.

✿✿✿

Beeld Burk Uzzle

De feiten. Wat gemeenzaam ‘Woodstock’ genoemd werd, heette in werkelijkheid An Aquarian Exposition in White Lake, N.Y.: 3 Days of Peace and Music. Het is waar dat het plaatsvond op 15, 16 en 17 augustus 1969 – en op 18 augustus, want de muziek ging door tot die maandagvoormiddag, wat van het driedaagse festival eigenlijk een vierdaags festival maakt. Het is waar dat het allemaal gebeurde in White Lake, een gehucht van het ook al niet grote stadje Bethel. Het is dus níét waar dat het festival in Woodstock plaatshad, ook al omdat die plek zich op 70 kilometer van Bethel bevindt. Evenmin waar is dat ik er toen bij was.

Het bezoekersaantal, dat volgens Joni Mitchell ‘half a million strong’ was, lag in werkelijkheid heel wat lager. De autoriteiten en organisatoren hadden het in eerder optimistische schattingen over min of meer 400.000 aanwezigen, al voegden ze daar vaak aan toe dat ze het eigenlijk ook helemaal niet wisten. Die 400.000 was het totaalaantal bezoekers, over alle festivaldagen heen, en het is niet denkbeeldig dat enkele tienduizenden van hen vier keer verrekend werden. Niemand wist het, want de verwerking van die cijfers gebeurde nog helemaal manueel. Op een bepaald moment verliep niets nog volgens plan: autowegen waren helemaal dichtgeslibd, helikopters geraakten niet bij de festivalsite, omheiningen werden omvergeworpen, kassa’s straal genegeerd.

Vanop het podium smeekte Chip Monck, de roemruchte master of ceremonies, ook via radio en tv om de bedevaart naar Bethel niet meer aan te vatten. John Morris, productiecoördinator voor de ‘Arts Fair’ en sindsdien voltijds Woodstock-legende, sprak daarna, overweldigd door de legioenen hippies die zich zonder tickets aandienden, de volgende historische woorden: ‘It’s a free concert from now on!

Niet dat een écht ticket kopen een ramp ware geweest voor het doorsnee spaarvarken. De ticketprijzen waren niet écht duur te noemen: 8 dollar per dag, 24 dollar voor de hele rit.

En daarvoor kregen de bezoekers ook wel wat in de plaats. Bijvoorbeeld drie dagen vrede, liefde en muziek van bijvoorbeeld Jimi Hendrix, Crosby Stills Nash & Young, The Band, Jefferson Airplane, Santana, Creedence Clearwater Revival, Joan Baez, The Who, Janis Joplin, Grateful Dead, Joe Cocker, Johnny Winter en vele, vele anderen. Ook veel minder bekende namen als Sweetwater, Quill en Keef Hartley verschenen er op de meest onwaarschijnlijke uren van de dag en de nacht. Hendrix begon aan zijn later historisch blijkende set op maandagochtend, voor een sterk uitgedund en zeer slaperig publiek.

Beeld Burk Uzzle

De swingende soul van Sly & The Family Stone stond er zij aan zij met de subtiele folk van The Incredible String Band. En succulente troubadours als Tim Hardin en John B. Sebastian ontblootten er ook, lichtjes tot zwaar beneveld, hun ziel.

Sebastian, bezieler en voorzanger van één van de beste Amerikaanse groepen ooit, The Lovin’ Spoonful, was in feite alleen maar aanwezig als toeschouwer, maar hij werd door de promotor de scène opgejaagd om vijf songs te zingen in afwachting van enkele andere acts die nog in de file stonden op de enige hoofdweg die van New York naar Bethel leidt. Hij ontving daarvoor een honorarium van duizend dollar. Geen vetpot, zult u denken, maar redelijk in lijn met wat zijn collega’s verdienden. Uit de boekhoudkundige archieven van Woodstock onthouden we vooral enkele vergelijkende cijfers: Jimi Hendrix: 18.000 dollar, Joan Baez: 10.000 dollar. Janis Joplin: 7.500 dollar, The Who: wellicht 11.250 dollar, Crosby, Stills, Nash & Young: 5.000 dollar. Ten Years After: 3.250 dollar, Joe Cocker: 1.375 dollar en Santana: 750 dollar. Het mag niemand verbazen dat Bob Dylan, alhoewel hij omzeggens naast het festival woonde, in het geheel niet geïnteresseerd was in deelname.

✿✿✿

Dat het festival van Bethel uiteindelijk en voor eeuwig en één dag Woodstock zou gaan heten, mag verwonderlijk lijken, maar is dat eigenlijk niet. Vier bevriende entrepreneurs hadden het festival begin 1969 bedacht in hun kantoortje in downtown Manhattan. Ze wilden iets leuks voor de mensen verzinnen in verband met die aankomende summer of love. Ze opteerden daarbij voor een activiteit in de gezonde buitenlucht. Hun keuze viel op het van oudsher kunstenaarsvriendelijke stadje Woodstock in Upstate New York. Het was een vredelievende plek waar schrijvers en schilders zich al van in het begin van de vorige eeuw gevestigd hadden rondom The Byrdcliffe Colony, en waar ze zich ook zeer thuis voelden. In de jaren 60 kwamen daar ook acteurs, regisseurs en andere kunstenaars bij. Bob Dylan, Eric Andersen, Milos Forman, Todd Rundgren en diverse leden van The Band gingen er in grote houten huizen wonen met zicht op de zacht stromende Mill Stream of de Overlook Mountain. Veel New Yorkers hadden er een buitenhuis. Met de auto, bus of de trein stond je namelijk op nauwelijks twee uur van op de keien van Greenwich Village in een volledig bucolische omgeving.

De mensen van Woodstock waren dus wel wat gewoon, en de aanwezigheid van diverse bioscopen, theaters, boekhandels en kunstgalerijen wees erop dat de Woodstockenaren wel van de kunsten hielden – maar niet van gedoe. De gedachte dat er in een stadje van vijfduizend zielen plotseling honderdduizend hippies zouden opdagen aan het pittoreske village green vond werkelijk niemand aantrekkelijk. Dus zochten de nieuwbakken concertpromotors hun heil elders, en uiteindelijk vonden ze een flink eind verderop de gronden van melkveehouder Max Yasgur, die positief stond tegenover de jeugd van tegenwoordig van toen en het hele festivalidee. Yasgur werd meteen een topstuk in het virtuele Museum van de Tegencultuur en wordt vernoemd in meer dan één door Woodstock geïnspireerde song, ook door Joni Mitchell.

✿✿✿

Zoals eerder gezegd: wij waren er niet bij, en de dagbladpers hier schreef toen nog maar zelden in extenso over rock-’n-roll en aanverwanten. De volledige impact van het gebeuren drong pas een jaar of wat later tot ons door, vanwege de gelijknamige film en de imposante driedelige soundtrack die daarbij hoorde, waarover zo dadelijk meer.

Wie er wel bij was, is Creedence Clearwater Revivals John Fogerty. We wilden hem tijdens zijn passage op TW Classic afgelopen maand vragen hoe dat ging, maar hij bedankte vriendelijk en verwees ons kordaat maar beleefd naar een populaire zoekmachine. Creedence beklom het podium in de nacht van zaterdag op zondag. Ze speelden al hun hits tot dan toe, goed voor een vluggertje tussen half één en tien voor half twee. Ze zaten geprangd tussen Grateful Dead en Janis Joplin en haar Kozmic Blues Band, maar werden achteraf wel tot de hoogtepunten van de vier dagen durende driedaagse gerekend. Dat ze vervolgens niet in de originele film voorkwamen, lag aan een toenmalig conflict tussen filmmaatschappij Warner Bros en Creedences management.

John Fogerty: «Wij stonden al uren klaar om er de beuk in te zetten, maar het was wachten, wachten en nog eens wachten, en toen we uiteindelijk op mochten, lag daar voor ons een half miljoen mensen te slapen. Het waren mensen die er écht door zaten. Een beetje zoals op een schilderij dat een verhaal van Dante navertelt: halfnaakte, uitgeleefde lichamen in de hel! Ze lagen daar allemaal in mekaar verstrengeld, helemaal onder de modder. De meesten sliepen. De anderen waren nog niet écht wakker. En dan gebeurt er iets wat ik mijn leven lang niet zal vergeten. Helemaal vanachter in het publiek, een kwartmijl van mij verwijderd, zwaait een gast met zijn aansteker, en met zijn schorre stem roept hij me toe: ‘Don’t worry, John. We’re with you.’ Ik heb toen de rest van de show alleen voor die kerel gespeeld.»

✿✿✿

Zoals bij wellicht anderhalf miljard andere mensenkinderen, is mijn beeld van wat Woodstock in werkelijkheid was vooral bepaald door de epische documentaire die Michael Wadleigh ervan maakte, en die van bij zijn release in maart 1970 grote indruk maakte op rock- én filmliefhebbers. Dat kwam wellicht omdat het strikt gesproken niet om een concertfilm ging, maar om een poging van documentarist Wadleigh een zo correct en onbevooroordeeld beeld van de jeugd van ’69 te schetsen. Van hoe seks, drugs en rock-’n-roll, tot spijt van wie ’t benijdt, delen van het dagelijkse leven aan het worden waren. Hoe een deel van Amerika niet akkoord ging met de geld- en jonge levens verslindende oorlogsmachine, en met wat de Johnsons en de McNamara’s met hun land van plan waren.

Wat ook hielp, was dat de vele kilometers aan filmstrook die Wadleigh en zijn leger cameralui dagelijks in de montagekamer dropten, daar vakkundig bewerkt werden door de jonge Martin Scorsese en zijn even eeuwige als geniale monteuse Thelma Schoonmaker. Wellicht kneedden die twee wat eerst een gewoon verslag leek helemaal om tot ware cinema.

Ik heb de film maar één keer gezien en ik teer bij de beoordeling vandaag dus op wat die 49 jaar geleden op mijn netvlies achterliet. Ik herinner mij Hendrix natuurlijk, en de fratsen van Sha-Na-Na. En dat Joan Baez redelijk op mijn zenuwen werkte, en ook dat Crosby, Stills, Nash & Young (ik herinner me Young zelfs niet meer) volgens mij vals zongen. Ook lekker: hoe Ten Years After via hun zanger en meestergitarist Alvin Lee in een bijna vijftien minuten lange versie van ‘I’m Going Home’ de hele rock- en bluesgeschiedenis bloemleesden.

Richie Havens vond ik eigenlijk niets. Joe Cocker, durf ik nauwelijks bekennen, ook al niet. Ik vond hem een beetje een huilebalk die het vrolijke en vederlichte ‘With a Little Help from My Friends’ nodeloos ombouwde tot een loodzwaar lamento.

The Who was natuurlijk wel goed. Hier en daar klonken wat valse klanken, maar de feilloze beat van drummer Keith Moon maakte veel goed. En dan was er nog Country Joe McDonald met zijn ‘Fish Cheer’ en zijn ‘Feel-Like-I’m-Fixing-to-Die-Rag’: nog altijd kippenvel.

Achteraf was ik toch blij dat ik weer buiten stond, en een beetje droef omdat de artiesten die ik toen echt graag hoorde – The Incredible String Band, Tim Hardin, CCR en The Band – eruit waren geknipt. Wel leuk en intrigerend vond ik de pure beelden, die idyllische afbeelding van wat een andere wereld zou kunnen zijn. In 1994 kwam er nog een ‘Director’s Cut’ uit, maar die beker liet ik aan mij voorbijgaan. Om van de ‘40th Anniversary Box’ en andere feestartikelen nog maar te zwijgen.

Beeld Burk Uzzle

✿✿✿

Samen met de film verscheen ook de driedubbele langspeelplaat ‘Music from the Original Soundtrack and More: Woodstock’. Ik heb me die vorige week voor het eerst in mijn leven aangeschaft, in de vorm van een dubbel-cd. Voor geen geld en dus niet eens op kosten van Humo. Ik heb er een paar keer na elkaar naar geluisterd en vond het een harde zit. Of zoals ergens op de bijsluiter staat: ‘The way we were isn’t always the way we were.’ De ellenlange gitaarsolo’s en de suffe en in wiet gedrenkte bindteksten van de meeste artiesten deden mij meer dan eens naar de afloop verlangen. Ik was 20 toen ik dat allemaal voor het eerst hoorde, en kan alleen maar zeggen dat dit vandaag even ver staat van de man die ik nu ben als van de Guldensporenslag. Tijdens de beluistering hoorde ik mezelf een paar keer ‘Fucking hippies!’ denken, op de wijze waarop zeer jonge meisjes ‘OMG’ uitspreken, en ook: ‘kust mijn botten.’

Ter info: in 1971 verscheen ook nog de dubbel-lp ‘Woodstock Two’, een Tupperware-doosje vol overschotjes waarvan de hoes menig pedofiel vrolijk zou stemmen: er stonden drie naakte kleuters op die een drumstel bestuderen.

✿✿✿

Het zogenaamde Woodstock-gevoel bestaat volgens sommigen nog altijd, zij het vooral in de lichtjes uitgerookte geesten van bepaalde oudere jongeren. Het wordt wat kunstmatig in stand gehouden door om de zoveel decennia op de Heilige Grond een nieuw Woodstock-festival te houden. Dat zou volgende week niet anders zijn, ware het niet dat de organisatie vorige week de boel afblies, nadat eerder al verschillende investeerders en artiesten als Jay Z, Miley Cyrus, Santana en John Fogerty zich terugtrokken. Vijftig jaar later kom je niet meer weg met dergelijk amateurisme.

Zelf ben ik in 1985 op bedevaart geweest naar Woodstock. Het stadje, niet de melkveeweide. Er was wel een zeker Woodstock-gevoel aanwezig, maar dan in zijn ergste vorm. In vrijwel elke handelszaak konden er posters en ansichtkaarten gekocht worden met afbeeldingen van Hendrix of Joplin. In de afdeling ‘goedkoop textiel’ was men er ook zeer kwistig met T-shirts waarop de beeltenis van beide beroemde drugdoden te zien was. Maar na één keer wassen wellicht niet meer.

✿✿✿

Conclusie: de driedaagse Aquarian Expo die Woodstock heette, heeft zeker in Amerika een hoge cultuurhistorische waarde gehad. Het was eigenlijk de eerste keer dat de modale Jan met de football-pet geconfronteerd werd met duidelijke tekenen van wat men toen ‘underground’ noemde. Met het besef dat er naast de gangbare cultuur blijkbaar ook een tegencultuur bestond.

In Europa was de impact minder. Al plantte Woodstock wel de zaadjes van de gedachte die de afgelopen halve eeuw overal opgeld maakt en waarbij het bezoek aan een festival als een soort ritueel hoort bij de zomerse wende die het eerste deel van het jaar afsluit en het begin van het volgende aankondigt. Voor jonge mensen is hun eerste festival ook vaak een soort ontgroening, de stap van schoolkind naar jonge man of vrouw.

Nick Lowe mag zich dan wel eens luidop afgevraagd hebben: ‘What’s So Funny About Peace, Love and Understanding?’ Wij verzekeren u ten stelligste dat wij die drie deugden nog altijd verkiezen boven oorlog, haat en onbegrip. Maar Woodstock-gek? Nee, dat zijn we nooit geweest.

✿✿✿

Terug naar Joni, ten slotte:

‘We are stardust, we are golden

We are caught in the Devil’s bargain

And we’ve got to get ourselves

Back to the garden’

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234