Zondag 07/06/2020

InterviewBoeken

Alfred Birney schrijft ziekenhuisroman: ‘Als je moeder je niet bezoekt, voel je je verlaten’

Alfred Birney: ‘In mijn roman maak ik van oude mensen insecten die jongeren in de weg zitten. Ik wist dat zo’n tijd ooit zou komen. Maar niet zo snel al.’Beeld © Stefaan Temmerman

In zijn felle ziekenhuisroman In de wacht schuwt Libris-laureaat Alfred Birney (68) de charge en de provocatie niet. ‘Alles wat me dwarszat, wilde ik ventileren.’

Ik moet constateren dat de Nederlanders een tamelijk koud volk zijn. Bij het opdreunen van de coronastistieken vergat men al snel dat het om mensen gaat. Altijd staat hier de handel voorop. De economie moet blijven draaien. Zo is het in Nederland al eeuwen en zo zal het ook altijd blijven.”

Alfred Birney mag zich eigenlijk niet druk maken. Als hartpatiënt moet hij extra uit zijn doppen kijken. Maar de coronacrisis houdt hem intens bezig en op Twitter ventileert hij regelmatig zijn bezorgdheden. “De buren doen de boodschapjes voor mij”, zegt hij vanuit zijn Haagse appartement via Skype. “En nu ben ik op zoek naar een roeimachine. Want fietsen, dat is door de drukte bijna niet meer te doen. Voor mijn hart moet ik per week drie keer oefenen van mijn fysiotherapeut. Maar ik heb een bloedhekel aan een hometrainer.”

BIO • geboren op 20 augustus 1951 in Den Haag • stelt in zijn werk o.a. het gebrek aan kennis in Nederland van de eigen koloniale geschiedenis aan de kaak • fervente verdediger van de multi­culturele samenleving • was musicus, werkte als gitaarleraar • debuteerde in 1987 met de roman Tamara’s lunapark • won in 2017 de Henriette Roland Holst­prijs en de Libris Literatuur­prijs met De tolk van Java • komt nu met de roman In de wacht • woont in Den Haag

Birney is ontwapenend charmant en openhartig. Tijdens ons lange namiddaggesprek schiet hij regelmatig in een luide lach, hoe zwaar de thema’s ook mogen zijn.

De afgelopen jaren zag hij hemel en hel. Na dertig jaar schrijven in een betrekkelijke luwte viel Birney, die zowel Indische als Schots-Chinees-Nederlandse wortels heeft, met De tolk van Java in 2017 de Libris Literatuurprijs te beurt. Het succes van de virulente roman over zijn vader, ‘de paranoïde desperado’ die zijn oorlogstrauma’s afwentelde op zijn vrouw en vijf kinderen, zette zijn leven volkomen op zijn kop.

“Ik ging totaal over mijn adrenalinepieken”, zegt Birney. Hij belandde in het ziekenhuis en moest een openhartoperatie ondergaan. ‘Ik heb lang met mijn geest geleefd en mijn lichaam verwaarloosd’, noteert hij daarover. Aan voorzichtig revalideren heeft hij een dagtaak. “Maar ik voel me rustiger nu. Er kan me nog weinig gebeuren.”

Ook omdat hij alle ziekenhuisperikelen van zich af schreef in zijn nieuwe roman In de wacht, die wellicht voor een vers schokgolfje zorgt. Zijn alter ego Alan Noland vertoeft veertien dagen in ziekenhuizen en observeert daar genadeloos scherp maar niet zonder humor zijn omgeving. Terwijl jeugdtrauma’s ronddobberen, de verhouding tot vader én moeder wordt afgewogen, herinneringen aan ex-geliefden hem plagen én hij harde noten kraakt over de veranderende, multiculturele samenleving of de zorg. In de wacht is een grillige, ja, soms glibberige maar meeslepende roman, gevat in een ongepolijste, directe taal met vertelmotiefjes die elkaar behendig opjutten. Eigengereid en bozig maar ook onverhoeds warm en teder.

“Wij doen wat wij willen en laten ons door niemand iets voorschrijven”, typeert Birney zijn familie én zichzelf.

Het is wél even schrikken, vroeg in uw roman. Op pagina 13 maakt uw hoofdpersonage een morbide zinspeling: ‘Verspreid anders op de gok een uitgekiende bacterie over de wereld, ergens in Centraal China, dat tikt lekker aan, die bacterie lift gewoon mee op de jaarlijkse griepgolven, totdat de aarde weer wordt bevolkt door zo’n anderhalf miljard mensen.’

Alfred Birney: “Daar speel ik inderdaad met de gedachte over het loslaten van een virus. Je moet weten: dit is geschreven lang voor de pandemie. Bij de correctie van de drukproef heb ik er een voetnoot bij geplaatst. Zodat de lezer niet denkt dat ik de huidige tijd aangrijp om mijn boek een extra lading te geven.

Maar wat wilde u dan precies aankaarten met deze oprisping?

“Ik wilde een taboe aansnijden: de overbevolking van de aarde. Maar wat merk ik? Mijn roman was nog niet verschenen of dát thema bleek – door corona – opeens bespreekbaar.”

Hoezo dan?

“Je leest het overal. Mensen worden plots in leeftijdscategorieën opgedeeld. Men zegt bijvoorbeeld: ‘We zijn bezig mensen van tachtig te redden die nog maar twee of vijf jaar te leven hebben.’ Die discussie neemt naargeestige vormen aan. Er komen steeds meer mensen die afgeven op tachtigplussers die zwaarlijvig zijn. Die moet je niet meer  helpen, vinden ze. Sommigen zetten zelfs al de streep bij zeventig.

“Welnu, ik ben over anderhalf jaar zeventig. Wacht eens even! Dus als mij iets overkomt én ik het ziekenhuis word ingereden, dan ga ik meteen de kliko (afvalcontainer, red.) in? Heftig, toch? Tja, in mijn roman maak ik van oude mensen insecten die jongeren in de weg zitten. Ik wist wel dat zo’n tijd ooit zou aanbreken. Maar niet zo snel al, tegelijk met het verschijnen van mijn roman.”

Een ziekenhuisboek lijkt in veel opzichten razend actueel. Uw hoofdpersonage en alter ego Alan Noland laat ook in een soort ijltoestand zijn hele leven de revue passeren, tijdens de veertien dagen tussen een hartaanval en de vervolgoperatie. Waarom die vorm?

“Mijn antwoord stelt je wellicht teleur, maar écht structureren? Dat heb ik in feite niet gedaan. Mijn plan was aanvankelijk zelfs om te stoppen met schrijven. Ik dacht, ik ga weer gitaarspelen en gewoon van mijn oude dag genieten. En ik laat verder alles maar op z’n plaats zitten in die ouwe kop van mij. (lacht)

“Ik probeerde wel wat op papier te zetten, maar ik was er niet tevreden over. Toch werd ik levendig geplaagd door herinneringen aan mijn voorlaatste ziekenhuisopname, toen ik een openhartoperatie onderging. Daar bleef ik mee zitten. Ik was bang dat ik dood zou gaan, de operatie was ook niet goed gelukt. Ik zat in zak en as. Ik had bovendien problemen met mijn kortetermijngeheugen.”

Raakte u in paniek?

“Nee, maar ik weet dat trage geheugen eerst aan de narcose. En ik klopte aan bij mijn cardioloog. Die zei: ‘Dat is het gevolg van de hart-longmachine, waaraan je een tijd gelegen hebt.’

“Weet je iets af van hartoperaties? Nou, ze leggen dus je hart en longen stil, ze koppelen je als het ware los. En die machine, die stuurt zuurstof naar je hersenen. Dat is een mechaniek, een soort robot. Dat heeft effect op je hersenen, de weerslag kan twee jaar duren, vertelde hij me.”

Hoe kwam uw roman dan toch op dreef?

“Verleden jaar zat ik op een bepaald moment toch weer op mijn laptop te tokkelen. Ik dacht: ik ga mijn hoofdpersonage – een gitaarleraar, net als ik destijds – maar weer eens in dat ziekenhuis deponeren. Ik goochelde met de chronologie. Want in feite kreeg ik mijn eerste hartinfarct al in 2006. Ik verplaatste de handeling naar 2011, toen ik net 60 jaar was geworden. In werkelijkheid lag ik in 2017 ook langdurig in het ziekenhuis. Ik vroeg me af: wat is er nou gebeurd, wat heb ik daar gezien? Ik ben ‘op mijn herinnering’ gaan schrijven, vrij associërend. Die werkwijze ligt me.”

‘In Holland hebben ze geprobeerd om ‘kleurenblindje’ te spelen: het doet er niet meer toe of je blank, zwart of bruin bent. Maar het doet er wel toe!’Beeld © Stefaan Temmerman

Over uw aanslepende hartperikelen schreef u ook al in uw Privédomein-dagboek Niemand bleef. Maar in de roman is het alsof de gedachten van Alan Noland met hem op de loop gaan. Of alsof hij op de hielen wordt gezeten.

“Weet je wat zo raar was? Nooit eerder heb ik zo snel een boek geschreven. Het ging plots heel makkelijk. De chronologie van twee weken stond vast, dat was het fundament. Daaromheen cirkelen herinneringen, fantasieën, gedachten. Een paar ongebruikte dagboekfragmenten fungeerden als vertrekpunt.

“Het klinkt idioot, maar het schrijven van In de wacht kreeg ineens een therapeutische functie. Nu ben ik helemaal verlost van die angsten. Ik ben niet meer bang om dood te gaan. Normaal werkt het echt niet zo, hoor. Want anders zat iedereen maar te schrijven.” (grinnikt)

Vertellen wat een hartaanval precies inhoudt, noteerde u in Niemand bleef, ‘is net zo lastig als een maagd of een knaapje uitleggen wat een orgasme is’. De beschrijving van uw hartaanval is hier nochtans heel plastisch. Ook uw haar wordt in één nacht grijs.

“Ik wilde dit keer wél een poging doen om het haarfijn te vatten. Omdat het mij al zo vaak gevraagd is. Mensen zijn er mateloos nieuwsgierig naar. Het kostte me nu weinig moeite. Iedereen weet wel wat pijn is. En die pijn gaat door merg en been. Maar een mens weet eerst wat pijn is en pas later wat een orgasme is. Als ze me nu vragen hoe een hartaanval voelt, dan zeg ik gewoon: lees mijn boek maar!” (lacht)

Er is die intense gejaagdheid. En opvallend: hoe u vlak voor de hartaanval alle lichten in uw appartement aansteekt.

“Ja, alsof je gezien wilt worden, een soort hulpkreet. En het beleven van een hartaanval wordt gekleurd door wat we in Amerikaanse speelfilms krijgen voorgeschoteld. Een man ligt in een ambulance, ze rennen door gangen, je ziet vanaf een rijdende draagberrie plafondlichten, wat gebeurt er eigenlijk?

“Ik merkte al schrijvend dat ik elementen uit de romanliteratuur – met zelfs Kafka’s De gedaanteverwisseling – en cinema gebruikte om dat effect nog te versterken. Ik ontdekte hoe troostend kunst en fictie kunnen zijn, als belangrijke toevoeging aan het ordinaire leven. Mijn leesgeheugen kwam me van pas, ja, zelfs Moby Dick.”

Ik moest een paar keer denken aan Cliënt E. Busken, de recente roman van Jeroen Brouwers waarin de hoofdpersoon ook in een zorginstelling zit en daar zijn rondtollende hersenspinsels de vrije loop laat, uithaalt naar psychologie, gezondheidszorg... Er zijn parallellen met het gemopper van uw hoofdpersonage.

“O, goed dat je dat zegt. Ik heb Cliënt E. Busken nog niet gelezen, wél ooit dat prachtige De zondvloed. Zet hij zich ertegen af? Moppert hij ook, ja?”

Hij moppert superieur. Maar uw stijl is franjelozer.

“Ik wilde mijn hoofdpersonage een soort spreektaligheid meegeven. Het moest zo realistisch mogelijk klinken. Die directheid hanteerde ik ook al in De tolk van Java. En trek ik hier door. Terwijl mijn eerste dertien boeken veel meer literair van opzet waren.”

Eenzaamheid en isolement is een belangrijk motief in In de wacht. En tussen twee stoelen vallen. Ook etnisch.

“Zeker. Indo’s in Nederland zijn daar heel vatbaar voor. Je hoort niet bij de blanke Nederlanders maar ook niet bij de Indonesiërs. Indo’s maken onderling veel ruzie. We zeggen weleens spottend: het enige wat ons bij elkaar houdt is de koloniale rijsttafel. Daar zit een grond van waarheid in. (schatert) Ik nam nu de gelegenheid te baat om te tonen hoe nakomelingen van de Nederlandse koloniale geschiedenis met elkaar omgaan. Dat zie je ook in de ziekenhuizen, waar het tussen blank en bruin en geel en zwart sinds kort fel is gepolariseerd.”

U hekelt een paar keer hevig de manier waarop bevolkingsgroepen over dezelfde kam worden geschoren. Dat er geen onderscheid meer mag bestaan tussen blank en zwart, is een nieuw taboe, zegt u. Verklaar u nader?

“Kijk, in Holland hebben ze geprobeerd om ‘kleurenblindje’ te spelen: het doet er allemaal niet meer toe of je blank, zwart of bruin bent. Terwijl ik vind: het doet er wel toe! En het doet er zéker toe of je een man of vrouw bent. Want ook dat wordt ter discussie gesteld. Tegenwoordig ligt de klemtoon op genderneutraal. Ik voer in dit boek wel een transgender op. Maar ik vind het verder nogal bespottelijk.”

Waarom? De maatschappij én samenlevingsvormen zijn intussen toch flink geëvolueerd?

“We kijken in de dagelijkse omgang allemaal naar sekse, of we dat nu toegeven of niet. Hoe kan ik nu een vrouw benaderen zonder te weten of ze een vrouw is? En vooral als het een vrouw is die ik mooi vind? (lacht)

“Als ik een man in de supermarkt aanspreek, even oud als ik, dan zeg ik: ‘Hé, weet jij waar de blikjes vis staan?’ Nou, zo zou ik nooit tegen een vrouw praten. ‘Pardon, mag ik je iets vragen?’ Zo doe ik dat. En als ik een Turk of Marokkaan aanspreek, gedraag ik me anders dan bij een Hollander. Wanneer ik aanbel bij een Chinees en binnenstap, dan weet ik dat ik mijn schoenen moet uittrekken. Kortom, het helpt om die gevoeligheden te kennen.”

Maar wat is uw boodschap dan precies?

“De mensen denken veel te snel aan racisme en discriminatie. Terwijl er niets mis is met ‘etnisch profileren’, mocht dat woord niet zo’n negatieve bijklank hebben. Het is juist mooi om meer te weten te komen van elkaars cultuur. Daar ligt de basis van wederzijds respect en dialoog tussen verschillende bevolkingsgroepen.

‘De roem is dubbelzinnig. leuke dames van de uitgeverij pikten me op. Ontzettende lachpartijen onderweg! Maar op den duur werd ik moe en begon ik in te storten.’Beeld © Stefaan Temmerman

“Het probleem is dat de kranten bijvoorbeeld niet durven te schrijven over een Marokkaanse dader in een verkrachtingszaak. Nochtans, als je dat juist wél doet, zullen Marokkanen elkaar onderling gaan corrigeren. Je krijgt wellicht minder racistisch gemor op Twitter. Het klinkt allemaal tegenstrijdig, maar dat komt doordat alles onder de noemer ‘racisme’ wordt geplaatst. Misschien moet ik hierover maar eens een volledig boek schrijven.”

Dus als je alles over dezelfde kam scheert, neemt het onbegrip enkel toe?

“Ja, alle verschillen artificieel uitwissen, is regelrechte onzin. Ik heb hier trouwens nog een leuk medisch verhaal over. Mijn huisarts denkt al een hele tijd dat ik de longziekte COPD heb. Ze geeft me daarvoor inhalers en stuurde me naar de longarts. Zij toonde me een röntgenfoto en zei: ‘Dit zijn jouw longen, laten we eens gezellig etnisch profileren.’

“Ik moest ontzettend lachen. Kennelijk vond ze dat ze zoiets tegen mij wel kon zeggen. En nu komt het: ‘Jij bent onderzocht met testen voor de gemiddelde Noord-Europeaan. Die hebben van nature grotere longen.’ Je moet weten, ik ben zowel Chinees, Schots, Indonesisch als Nederlands. Welja, zei ze, die Aziatische component is terug te zien in je longen. ‘In jouw geval lijkt het dus of je COPD hebt. Terwijl Aziatische longen gevoeliger zijn en meer gaan piepen bij slecht weer dan bij een Hollander.’

“Geef toe, ik mocht dus blij zijn dat deze jonge longarts aan positief etnisch profileren deed. In ieder geval hoefde ik die puffers niet meer te nemen.”

Regelmatig raakt u thema’s aan waarover u de blik wil doen kantelen. U deinst niet terug voor polemiek. Dat is niet zo courant meer in een roman.

“Men durft tegenwoordig niet meer. Als je een polemisch stuk schrijft, krijg je gewoonweg geen respons meer. Maar kijk eens naar de polemieken destijds van Jeroen Brouwers en Rudy Kousbroek. Die maakten elkaar af, dat was om van te smullen! Ze begrepen allebei het verschijnsel polemiek.

“Als je tegenwoordig kritiek geeft op wat iemand schrijft, dan trekken mensen zich dat persoonlijk aan. Maar als je Jeroen Brouwers aanvalt, pak je toch niet de mens Brouwers aan, maar wel wat hij schrijft? Die voorzichtigheid is jammer.”

U haalt bijvoorbeeld uit naar ‘de onverbiddelijk oprukkende colonne der hulpverleners, de soldateske paladijnen van de medicijnenmaffia’. En naar psychologen.

“Alles wat me dwarszat, dacht ik maar even te ventileren. Ik heb moeite met de verzelfstandiging in de gezondheidszorg. Rondom een ziekenhuis heb je tegenwoordig allerlei kleine psychiatrische hulpverlenersinstanties. Ze verhogen het aantal diagnoses enorm. Een paar jaar geleden las ik dat het aantal mensen met het syndroom van Asperger ferm was toegenomen in Nederland en de VS. Vreemd genoeg bleek van de tien ‘Aspies’ negen een jongen. Ook mijn zoon heeft die diagnose. En bij de meisjes? Die krijgen meestal andere etiketten. Vaak borderline. Dat hoor je dan weer veel minder bij jongens. Hoe zit dat nou?”

En uw eigen ervaringen met de pillenindustrie?

“Ik heb een zware jeugd gehad, veel internaten gezien. En psychiaters hebben me de meest afgrijselijke middelen doen slikken. Nu maak ik het ook weer mee met mijn cholesterol, die elk jaar onder nog lagere waarden moet duiken. Dat betekent statines slikken die veel geld kosten. Maar op den duur word je impotent of krijg je spierpijn. Ik slik die zware pillen dus niet meer.”

U laat in dit boek uw antipathieën de vrije loop, maar tegelijk zijn er ook tedere portretten van lieve en attente verzorgers.

“Ik had inderdaad een lievelingsverpleegster. Met van die hele vette haren nog wel. (schatert) Ach, wij mensen hebben nu eenmaal snel sympathieën of antipathieën. Je kunt evengoed een antipathie hebben tegen een chique blanke arts als tegen een Turk. Dat heeft op zich niets met ras of discriminatie te maken. Het is gewoon erg menselijk.

“Stel, je hebt een aanvaring of ruzie met iemand die toevallig zwart is, dat is me weleens overkomen. Maakt me dat tot een racist? Juist niet! Je bent eerder een racist als je denkt: oh, ik ga geen ruzie maken met zwarte mensen, want die hebben het al zo moeilijk met hun kleur. Dan pas ben je paternalistisch bezig, toch?”

Uw hoofdpersonage kwam in het ziekenhuis te liggen naast Rinus, een voormalige cafébaas die geen blad voor de mond neemt. Maar tegelijk kon u goed met hem opschieten, ondanks zijn volkse racisme.

(lacht) “Ja, en dan moet je weten: hij had in de Haagse binnenstad een café en ik wilde er als 21-jarige ooit binnen om naar een voetbalwedstrijd te kijken. Maar ik kwam er niet in vanwege mijn huidskleur. En dan beland ik nét bij deze kastelein, op zo’n tweepersoonszaaltje. We werden lotgenoten.”

U ergert zich ook nogal aan het middelmatige eenheidsvoedsel in de ziekenhuizen.

“Het eten is meestal niet goed, want ze maken een gemiddelde van alle patiënten. Ik kende die ellende al uit de internaten. Alleen: je ziet dat ze ook aan hartpatiënten vaak het foute eten geven. Kaas, margarine, zoute charcuterie: dat is niet aangewezen.

“Soms kantelt het. In het Amsterdamse Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, waar ik voor mijn operatie lag, werd ooit een beroemdheid opgenomen. Hij schreef een stuk in de krant over het beroerde eten. En wat gebeurde er? De directeur sommeerde hem bij zich. ‘Hebt u een tip?’

“Vanaf dat moment betrokken ze hun eten van buiten. Een Surinaamse roti kwam uit een echte toko en pizza van een echte Italiaan. Daar profiteerde ik van.

“Het idee is natuurlijk: we moeten patiënten een beetje verwennen. Niet zozeer gezond houden, hoor.”

'Stel, je hebt een aanvaring of ruzie met iemand die toevallig zwart is, dat is me weleens overkomen. Maakt me dat tot een racist? Juist niet!'Beeld © Stefaan Temmerman

Een terugkerend, bijna obsessief motief in de roman is het verlangen naar bezoek. En in dit geval: de afwezige moeder, die al vanaf de eerste pagina de mantel wordt uitgeveegd.

“Als je daar ligt en er komt helemaal geen bezoek, dan praat je maar met je medepatiënten. Tot je stokoude vrouwtjes van in de negentig toch door de gangen ziet sjokken. Ze komen hun zonen opzoeken. Dan denk je aan je eigen moeder die wegblijft. Dan voel je je verlaten. Komt ze ooit nog? Je kunt toch even een taxi nemen? Ook verplegers verwachten dat je moeder komt. Dan koester je plaatsvervangende schaamte over je wegblijvende moeder. De volgende gedachte is: ‘Misschien houdt ze wel echt niet van me.’ Op een gegeven moment liet ik het los.”

Bent u een andere schrijver geworden na die Libris Literatuurprijs, die u op uw 65ste kreeg? U kapseisde bijna onder alle aandacht. Hoe overweldigend was het?

“Als je jong beroemd wordt, dan lukt het stukken beter om er mee om te gaan. Je raakt dat ritme van de roem gewend, je geeft lezingen en je rolt er vanzelf in. Op je 65ste valt er sowieso weinig aan je te veranderen.

“Het was dubbelzinnig. Het was een hele leuke tijd. De uitgeverij boekte twee à drie optredens per dag, ik werd gehaald en gebracht door leuke dames van de pr. Ontzettende lachpartijen onderweg! We kwamen te laat en verdwaalden. Maar na een tijd ging het niet zo goed meer met me. Ik had niet in de gaten dat ik constant over mijn adrenalinepiek ging. Ik werd moe en begon in te storten. Zo belandde ik dus weer in het ziekenhuis.”

Was het dan toch prettiger de writer’s writer te blijven die u ooit decennialang was? Of kunt u er nu beter mee om?

“Ik heb niet langer het gevoel dat ik me nog moet bewijzen. Al zei ik wel tegen mijn huidige uitgever (De Geus, DL): ‘Ik kom niet meer over die tolk van Java heen. Ik kan geen belangrijker boek meer schrijven. Dat idee heb ik moeten loslaten. Nu ben ik er relaxter over.

“Ik heb met mijn huisarts afgesproken dat ik maximaal twee of drie interviews of optredens per week mag doen. Dat nu alles door corona is afgeblazen, vind ik wel doodjammer, ja. En zo’n nieuwe roman zonder lancering, dat is pas écht raar.”

Alfred Birney, In de wacht, De Geus, 360 p., 22,50 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234