Vrijdag 03/02/2023

InterviewJean Blaute

‘Al mijn geld is op. Ik ben zakelijk echt een nul’

Jean Blaute: 'Gitaarporno, ik weet wat dat is.' Beeld Thomas Sweertvaegher
Jean Blaute: 'Gitaarporno, ik weet wat dat is.'Beeld Thomas Sweertvaegher

Een sneer van zijn moeder leerde hem: lach nooit met de smaak van andere mensen. In de memoires Met vallen en opstaan duikt muziekproducer Jean Blaute (70) in zijn rijke carrière. ‘Ik moest altijd om geld schooien om een plaat te maken.’

Mark Coenen

Zonder Jean Blaute zou Vlaanderen qua popmuziek een barre woestijn zijn: het klinkt licht overdreven, maar dat is het niet. Niemand heeft in de laatste 50 jaar meer invloed gehad op de kleur en klank van de Vlaamse rock dan Blaute, zij het dat hij meer voor de microfoon stond dan erachter. Hij is zoals de trainer van een topploeg: hij selecteert, coacht en dirigeert en ziet vanaf de zijlijn dat het goed is.

Blaute is de definitie van ad rem en joviaal, maar heeft gelukkig, in de woorden van vriend Ben Crabbé, ook een donker kantje. De titel Met vallen en opstaan dekt dan ook exact de lading van het boek, dat leest als een schelmenroman die echt gebeurd is: succes en depressie liggen soms dichter bij elkaar dan men denkt.

Ons gesprek in een huis vol memorabilia en foto’s van vrienden, geliefden en natuurlijk The Beatles wordt regelmatig onderbroken door lachsalvo’s: Blaute mag het de laatste jaren niet gemakkelijk gehad hebben, zijn gevoel voor humor liet hem nooit in de steek.

Met vallen en opstaan is een heel eerlijk boek. De meeste memoires lijken niet bijgekleurd; je noemt, zij het met veel liefde, man en paard. En je hebt ook een knalgoed geheugen. Daar kan ik alleen maar jaloers op zijn.

“Toen ik aan het boek begon, maakte ik losweg notities; alles wat mij te binnen schoot noteerde ik. Ik wilde eigenlijk geen autobiografie schrijven. Men had mij dat al een paar keer gevraagd, maar ik citeerde dan altijd Mark Eyskens: ‘Pas op met een autobiografie. Als je ze te vroeg schrijft, heb je geen vrienden meer. En als je ze te laat schrijft, geen lezers.’ (lacht) En zo’n biografie zou 1.500 bladzijden lang zijn, dat lezen de mensen toch niet.

“Ik heb een boek geschreven voor de mensen die zich wel eens afvragen: wie is die kleine met dat baardje? Het is een hopelijk interessant, niet-chronologisch overzicht van mijn muzikale leven, om de mensen mee te laten kijken vanuit de backstage, of door het kleine deurtje van de studio. Dat was alleszins de bedoeling.

“Ik had de pretentie om het helemaal zelf te schrijven, ik dacht: ik kan dat wel, ik schrijf weleens een column, hoe moeilijk kan het zijn? Het voorwoord stond er meteen en toen begon ik aan het stuk over mijn ouders en dan het hoofdstuk over Rocco Granata: dat waren elk apart al bijna echte boeken. Veel te veel en veel te lang dus. En toen liep ik vast in mijn eigen notities. En werd ik aan mijn ogen geopereerd, dus kon ik zeker niet meer schrijven en wist ik dat ik de deadline – februari van dit jaar, ik werd 70 op 1 maart – zeker niet zou halen. Ik dacht: de oude heer Lannoo gaat mij vermoorden!

“Maar mijn redacteur zei: maak je geen zorgen, het mag ook in de herfst uitkomen, dan ben je nog altijd 70. Hij raadde me een medeschrijver aan. En dat werd Peter Van Dyck, die net een goed boek heeft geschreven met muziekverhalen: Het geheim van Bowie. Peter houdt van muziek en zou geen domme vragen stellen. Die weet meteen over welke Jean-Marie ik het heb en wat een Strat is als ik over een ‘Jean-Marie met zijn Strat’ begin. Jean-Marie Aerts en een Fender Stratocaster dus.

“Ik merk ook, nu ik het herlees, dat er in mijn tijd veel gedronken werd. Niet overdreven hoor, niet elke dag. Om de twee dagen.” (lacht)

Als ik het boek lees, lijkt het alsof je aan het vertellen bent. Alsof we naast elkaar staan in het café.

“Dat zegt iedereen die het boek al gelezen heeft. Peter zorgde voor structuur en dat was nodig voor de slordige archivaris in mij die zijn verleden bij elkaar liegt. Het is dan ook geen autobiografie, het zijn memoires. Ik kwam met een titel die Christophe (Turcksin) geniaal vond, maar dat is logisch want hij is mijn manager en die moeten alles geniaal vinden van hun poulain. Ik heb maar één man wat dingen laten nalezen en dat is Christophe, die trouwens meer mijn vriend is dan mijn manager. Ik ben ook niet te managen, ik manage hem om mij te managen, bij wijze van spreken.” (lacht)

Schrijf je ook geen boeken om iets achter te laten voor de kinderen en kleinkinderen?

“Het was zeker niet mijn opzet, maar het heeft misschien wel die bijbedoeling, achteraf gezien. Het is de eerste keer dat ik een boek schrijf, het is bijna even spannend als toen mijn eerste plaatje uitkwam waarop ik meespeelde. Op Cardinal Records, iets van Roland. Er staan ook hele mooie foto’s in. Van de winkel van mijn ouders bijvoorbeeld, dus in Zottegem gaat dat heel goed verkopen. (lacht)

“De geweldige boekhandel Uylespiegel is er jammer genoeg niet meer. Dat was een alternatief winkeltje, schuin tegenover de winkel van mijn ouders waar je al die Nederlandse romans kon kopen: Cremer, Wolkers, Hermans. Voor mij was dat het paradijs.”

Jouw vader kwam uit het Henegouwse dorpje Familleureux. ‘Gelukkige familie’. Dat kan geen toeval zijn.

“Mijn ouders, die winkel, het Zottegem van toen: dat swingde allemaal. Veel cafés, veel muziek, ik mocht al vroeg op café gaan. Dan zei mijn moeder: ga daar eens iets drinken, die mensen komen ook ‘op onze winkel’. En dus ging ik op mijn veertiende een Rodenbach drinken en draaide ik op de jukebox de platen die ze bij ons gekocht hadden. Voor de school begon, gingen wij ons huiswerk maken op café en dronken wij alweer een Rodenbach. We waren daardoor altijd goedgezind, zeker als het eerste uur Duits was. Dat is nu nauwelijks nog voor te stellen.

‘Met De Kreuners wilde ik de studio in omdat ik wist: dit wordt echt lachen. En we gaan hard werken en hits maken. En dat is nog gelukt ook.’ Beeld Thomas Sweertvaegher
‘Met De Kreuners wilde ik de studio in omdat ik wist: dit wordt echt lachen. En we gaan hard werken en hits maken. En dat is nog gelukt ook.’Beeld Thomas Sweertvaegher

“Hoe speciaal mijn ouders waren heb ik pas gaandeweg ontdekt. Al die muzikanten met wie ik speelde, Roland, Raymond, Patrick Riguelle, Ben Crabbé: dat werden vrienden van mijn ouders. Vooral van mijn moeder, want daar kwam ‘klap’ uit gelijk ze zeggen. Voor Roland was mijn ouderlijke huis zelfs zijn tweede thuis. Hij heeft een tijd bij ons gewoond, mijn moeder knipte zijn haren en zijn teennagels. (lacht) Ze voerden hem soms rond naar optredens, waar ze zelf ook nieuwe muziek ontdekten. Zo bracht mijn moeder eens een exemplaar van een elpee van The Flying Burrito Brothers mee. Drie elpees: een voor haar, een voor mij en een voor Roland. Geen enkele voor de winkel, ‘want dat kopen ze in Zottegem toch niet’.

“De winkel van mijn ouders lag vlak bij het station en ging al open om 8 uur ’s morgens. Dan passeerde de jeugd op weg naar school, en ’s middags kwamen de jonge meisjes, tijdens de pauze van hun werk. Die kwamen dan eerst bij ons binnen. Naar plaatjes kijken. Ik maakte die van alles wijs, heel gemeen. Ik weet nog dat zo’n meisje van de fabriek de nieuwe plaat van Jimmy Frey kwam kopen. Ik wist dat we die plaat niet hadden en nam een singletje van Marva en draaide dat op 33 toeren. ‘Oeioei, dat klinkt komiek’, zei ze. (lacht)

“Ook toen iemand Eddy Wally kwam kopen was ik heel pretentieus: ik had toen net Miles Davis ontdekt. Seven Steps to Heaven: ik viel van mijn stoel. Mijn moeder hoorde mijn reactie en zei toen: ‘Jean, het is niet Eddy Wally’s schuld dat de mensen in Zottegem geen platen van Miles Davis kopen’. Dat is bijna mijn adagium geworden: lach niet met de smaak van de mensen.”

En veel hangt van de context af: Sam Gooris op een schlagerfestival is ook top als je er voor openstaat, heb ik onlangs gemerkt. Je kunt ook heel goed complimenten geven, vind ik, al geef je sommige mensen met wie je nog veel contact hebt ook wel eens een veeg uit de pan.

“Je moet beleefd zijn tegen de mensen, en vriendelijk. Niet commercieel vriendelijk, maar gemeend. Als dat over muzikanten gaat met wie ik gewerkt heb, is dat vrij gemakkelijk, omdat ik toch altijd selectief ben geweest met wie ik wilde werken. Het waren altijd mensen voor wie ik zelf bewondering had: Hugo Matthysen, Henny Vrienten, Boudewijn de Groot, Jan De Wilde.

“Ik ben ook nieuwsgierig. Met De Kreuners wilde ik de studio in omdat ik wist: dit wordt echt lachen. En we gaan hard werken en hits maken. En dat is nog gelukt ook. Die veel besproken en soms uitgelachen teksten van Walter: als ik echt eerlijk ben, ben ik daar een geweldige fan van. Zeker van zijn titels. Ik heb onlangs nog een nummer met hen meegespeeld op Suikerrock: ‘Zij heeft stijhel’. Het heet eigenlijk ‘Zij heeft stijl’, maar dat zingt Walter niet. Hij zingt: ‘Zij heeft stijhel’. Ik kan het ook niet anders meer zingen daardoor.

“Je weet toch dat er van vele Kreuners-nummers tweede versies bestaan omdat de originelen verloren zijn gegaan toen Walter met de multitracks naar Canada trok om de internationale doorbraak te forceren? Na Hier en nu wilde de platenfirma een best of, en toen bleek dat die opnames niet meer te vinden waren. Ze zijn allemaal opnieuw opgenomen. De platenfirma’s waren trouwens geweldig slordig met hun archief en wisten dikwijls het verschil niet tussen een multitrack en een mastertape.

“Enfin, van mij kwamen ze het niet te weten, want ze mochten nooit binnen als ik in de studio zat. En toen Ben Crabbé kwam solliciteren bij De Kreuners, bleek dat hij het repertoire van de groep beter kende dan de stichtende leden. Het is dankzij Ben dat de groep nog bestaat, hij is de motor geweest van de heropstanding.”

Je relaties met de platenbusiness zijn niet altijd makkelijk geweest, lees ik een paar keer in uw boek. Zeker publishers en A&R-managers (talentmanagers) krijgen ervan langs.

“Ik zat niet permanent in een oorlogssituatie, maar ik moest wel altijd om geld schooien om een plaat te maken. Dat gaf altijd veel gedoe, maar ik had na jaren wel een goeie reputatie opgebouwd. Ik eindigde altijd binnen budget. Die discussies leidden soms tot rare gesprekken. Het kan goedkoper, zei ik dan altijd, maar dan moet je bijbetalen voor de gitarist en de orgelist en de pianist en dat was ik telkens zelf. (lacht) Alleen drummen kan ik niet. Dan stopten de discussies snel, want de gage van een sessiemuzikant lag hoger dan die van producer.

“Ik heb van geen enkele A&R-manager iets opgestoken. In de jaren 80 werd er veel geld verdiend en plots moest iedereen zo’n A&R-manager hebben. Die vervolgens alleen maar druk deed en rondliep. De enige aan wie ik ooit iets gehad heb, is Annie Roseberry, in de tijd van K’s Choice. Die was ons aan de hand gedaan door de grote Peter Asher.

BIO

• muzikant, arran­geur, producer, tv-persoonlijkheid • geboren 1 maart 1952 in Zotte­gem • speelde als muzikant o.m. bij Urbanus, Johan Verminnen en De Nieuwe Snaar • schreef muziek voor series als Dag Sinterklaas en Kulderzipken • arrangeerde en pro­ducete pla­ten van K’s Choice, Clouseau, Henny Vrienten, Ray­mond van het Groenewoud... • tv-werk, o.m.: De Bende van Wim, Tournée Générale

“Maar die A&R-gasten liepen binnen en buiten en zeiden de storendste dingen. ‘Oei, die bas staat te luid’, als je net een bas aan het opnemen bent. Nooit eens iets constructiefs, nooit een opmerking waardoor de song beter ging klinken. Toen dacht ik: die worden hier dik betaald en ik moet schooien? De grote Jan uithangen op de Croisette in Cannes tijdens de muziekbeurs MIDEM: dat konden ze wel goed.”

Ik voel in het boek ook een zekere frustratie over inkomsten en opbrengsten. Je had misschien niet op een berg geld moeten zitten nu, maar een mens verdient financieel toch wat comfort op zijn zeventigste.

“Ik heb nooit geleefd in voorbereiding van mijn oude dag en ik ben zakelijk echt een nul. Het is een beetje gênant. Ik heb mijn geld vooral opgedaan en ten volle genoten van wat er binnenkwam, maar het is wel allemaal buiten, nu. De eerste treffelijke auto die ik kocht – daarvoor reed ik op drie wielen –, kocht ik met geld van een productie van Clouseau. Met meubilair ging dat ook zo. (wijst) Daar staat bijvoorbeeld de kast van K’s Choice. En dit koffiekopje is van Jasper Steverlinck.” (hilariteit)

Je hebt altijd een dienende rol gehad, een beetje zoals de Britse muziekproducent George Martin, die de platen van The Beatles producete. Een ploegspeler. Iemand die andere mensen beter maakt.

“Ik heb geen standaardprocedé, geen eigen sound zoals Phil Spector. Ik ben ook geen productiefabriekje. In de jaren 90 heb ik heel veel producties gedaan, van Clouseau en De Mens tot de Kreuners, en iedereen kreeg een eigen geluid. Ik hou van muziekinstrumenten, ik hou van muzikanten. Ik wil zangers doen zingen tot ik ze geloof en dan het liefst vanaf de eerste take. Niet forceren! Het is een genot om in een studio te zitten.

“Ik heb alles gelezen over The Beatles, dus ik weet dat Martin ook zo werkte. Hij observeerde en gaf daarna de juiste opmerkingen. Dat zie je ook in de documentaire The Beatles: Get Back: hoe ze dingen uitproberen in de studio en zo tot fantastische muziek komen. Je ziet ‘Let It Be’ gewoon geboren worden. Ik wil mij zeker niet op de hoogte van Martin tillen, maar zo wilde ik ook altijd werken.

“Wat helpt is dat ik ook muzikant ben, zelf de arrangementen schreef en verliefd ben op techniek. Dan kies je vanzelf de beste studio’s en technici. En dankzij Jean Kluger ben ik ook professioneler geworden. Gedaan met een hele studio met 24 strijkers te laten wachten op de producer. (lacht) Jean stuurde me naar Parijs en Londen om daar met de beste muzikanten op te nemen. Hij ging nooit onder de lat door. Maar het begint sowieso altijd met goed luisteren.”

Het is niet – of juist wel – toevallig de nieuwe baseline van Radio 1: alles begint bij luisteren.

“Hoeveel auteursrecht mis ik nu weer? Story of my life!” (lacht)

Om een goeie producer te zijn heb je ook een soort van nederigheid nodig, denk ik.

“Dat is de aard van het beestje. Ik pas me makkelijk aan. Ik wacht af en observeer: wat doen de muzikanten? Waarom doen ze dat? Dat heb ik met iedereen bijzonder goed en graag gedaan, maar nog het meest met Hugo Matthysen. Ook witte wijn drinken konden we heel goed. ‘Het is voor mijn stem’, zei Hugo dan. ‘En voor die van mij ook, want ik zing tweede stem’, vulde ik dan aan.

“Ik kon met Hugo in preproductie twee dagen in mijn studiootje aan een nummer klooien. We voedden elkaar. We hadden een bijzondere creatieve manier van werken, omdat we elkaar volledig vertrouwden. We bewonderden elkaar ook. Niet dat we elkaar pijpten, hoor. Maar aftrekken natuurlijk wel.” (hilariteit)

Oké, we kunnen stoppen, we hebben een titel voor boven het stuk. Bart Peeters en Hugo hebben ooit zwaar ruziegemaakt over jou: je speelde bij The Radio’s, maar Hugo wilde dat je bij De Bomen kwam spelen. Je had namelijk zijn plaat geproducet. Dat was uitzonderlijk, want die mannen maken niet vaak ruzie.

“Hugo stond toen elke dag met een tweeloop voor het huis van Bart, dat zal ook wel geholpen hebben. Op een bepaald moment stond Hugo ook hier voor de deur en ik liet die gewoon niet meer binnen. Ik heb beiden laten weten: ik wil geen twee vrienden verliezen, ik speel met geen van beiden meer. En toen heeft Bart beslist: Jean is een boom. Hij schreef mij een brief met die ene zin. Er is ooit wel gedacht aan de heropstart van de Bomen. Ik hou daar niet echt van, om terug te keren in de tijd, ik heb geen aanleg voor nostalgie. Het steekt op, natuurlijk, maar ik duw het weg. Als ik ga wandelen, dan neem ik ook nooit hetzelfde paadje terug.”

'Mijn behaagzucht is echt verminderd. Omdat dat zo onnozel is. Ik was nooit een allemansvriend, maar er zijn genoeg ‘allemansen’ die dachten dat ik wel hun vriend was.' Beeld Thomas Sweertvaegher
'Mijn behaagzucht is echt verminderd. Omdat dat zo onnozel is. Ik was nooit een allemansvriend, maar er zijn genoeg ‘allemansen’ die dachten dat ik wel hun vriend was.'Beeld Thomas Sweertvaegher

Dat je sukkelde met je gezondheid was ook niet iets om vrolijk van te worden. Terwijl je generatiegenoten nog van jetje geven. Jean-Marie Aerts heeft net een plaat uit. Philip Catherine wordt straks 80 en speelt nog veel.

“Het heeft me letterlijk verlamd. Het begon, nog voor corona, met een verkeerde diagnose: bevroren schouder. De kine hielp niet en de pijn was op den duur constant. Ik kreeg mijn handen zelfs niet meer tot op de hoogte van het klavier. Ondertussen ben ik bij een goede reumatoloog en is het redelijk onder controle, maar het gaat nooit meer weg. Ik heb producties moeten annuleren, met grote financiële consequenties. Ik kon net op tournee met een show met liedjes van Drs. P en toen kwam de coronacrisis. Alles viel weg: de routine, het vertrouwen. Als ik geen project heb, speel ik ook niet veel. Dan kijk ik vooral naar mijn gitaren. Ik krijg daar ook al eens gevoelens bij. Gitaarporno: ik weet wat dat is. (lacht)

“Nu ben ik mij stilaan aan het heruitvinden, omdat er ook plannen zijn om in 2023 weer de baan op te gaan, om de bedelstaf te vermijden ook. Geen grote producties, maar spelen met wat vrienden, of met mijn zoon Jens, bijvoorbeeld. Ik ga vertellen en muziek spelen.

“Er zijn twee dingen die mijn moeder me niet lang voor haar dood heeft opgedragen. Ze zei: ‘Jean, speel goede muziek en laat de mensen lachen, want dat kunt ge.’ Dat zei ze letterlijk: ‘Dat kunt ge.’ Auto’s repareren, een kader recht hangen: dat kan ik niet. Maar dat andere kan ik wel. Het is een van de quotes van mijn moeder die mij heel mijn leven gestuurd hebben.”

Je bent ook heel eerlijk over je verlangen om te behagen. Je goede vriendin Arlette Vereecke zegt zelfs dat je een beetje aan een stockholmsyndroom lijdt. Dat zijn mensen die sympathiseren met hun gijzelnemer.

“Ja, dat was me het avondje wel: zware psychoanalyse in Los Angeles door Francia en Arlette na vele glazen wijn, waar ik een beetje schaapachtig bijzat. Het ging specifiek over iemand die me echt een mes in de rug had gestoken en tot wie ik toch nog toenadering zocht. Terwijl de wonde nog open lag. Daar ben ik toen wel even mee bezig geweest. Je moet niet revanchistisch zijn, maar stop toch met dat conflictvermijdend gedrag. Sindsdien hou ik wel een veilige afstand tot de mensen die ik niet echt vertrouw.

“Mijn behaagzucht is ook echt verminderd. Omdat dat zo onnozel is. Niemand wil een allemansvriend zijn. Ik ben dat ook nooit geweest, maar er zijn genoeg ‘allemansen’ die dachten dat ik wel hun vriend was. Ik zie er ook vriendelijk en onschuldig uit. En ik ben klein. Tenminste, als je 1 meter 80 klein vindt. (lacht)

“Bij de Stelvio’s, het motorclubje dat ik had met wijlen Patrick De Witte, stuurden ze mij altijd vooruit als we op een laat uur nog een kamer moesten vinden. ‘Met mijn boeventronie lukt dat nooit’, zei Patrick altijd, en het was nog waar ook. Patrick en ik waren boezemvrienden, we hadden ook dezelfde achtergrond. We mailden en belden elke dag, keken samen naar Duitse shows waar we dan commentaar op gaven. Ik mis hem nog altijd. Dit zouden gouden tijden zijn voor hem. Toen hij stierf, zijn we meteen gestopt met ons motorclubje. Er zijn al te veel leuke mensen in mijn leven dood. Nu ik 70 ben, gaat dat er niet op verbeteren, vrees ik.”

Jean Blaute, 'Met vallen en opstaan. De memoires', Lannoo, 272 p., 24,99 euro. Beeld rv
Jean Blaute, 'Met vallen en opstaan. De memoires', Lannoo, 272 p., 24,99 euro.Beeld rv

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234