Woensdag 23/10/2019

Postuum

Afscheid van Amos Oz (1939-2018): geboren om te vertellen

Amos Oz. Beeld EPA

Amos Oz won bijna alle denkbare literaire prijzen, behalve de Nobelprijs voor Literatuur. Hij werd naast David Grossman en A.B. Yehoshua tot de grote drie van de Israëlische literatuur gerekend. Oz vocht in twee oorlogen, maar de strijd tegen kanker verloor hij.

“Daarom geloof ik dat literatuur een brug is tussen volkeren. En dat zich ­inleven in iemand een tegengif tegen fanatisme kan zijn. (…) Verbeeld je echt eens hoe de ander liefheeft, doodsangsten uitstaat, boos is of gepassioneerd. Er is te veel vijandschap tussen ons, te weinig nieuwsgierigheid.”

In die paar zinnen, uitgesproken bij de uitreiking van de Spaanse Prince of Asturias Award for Literature in oktober 2007, bracht de bekende Israëlische schrijver Amos Oz zijn literaire en politieke credo onder woorden. Het was zijn missie zijn ­lezers te vertellen over het leven, denken en voelen in Israël, waar hij leefde vanaf de proclamatie van die staat in 1947. Het gevoel bijvoorbeeld “te leven in geleende tijd, tussen de vorige en de toekomstige catastrofe”, volgens Oz kenmerkend voor de hoofdpersonen uit Mijn Michael, de roman waarmee hij in 1968 doorbrak.

Amos Oz werd op 4 mei 1939 als Amos Klausner geboren in Jeruzalem. Zijn ouders, Jehoeda Arje Klausner en Fania Mussman waren in de jaren 30 van de 20ste eeuw uit Oost-Europa naar het toenmalige Palestina geëmigreerd. Anders dan tal van achtergebleven familieleden ontkwamen ze zo aan de Holocaust. Amos’ oudoom Joseph Klausner stortte zich in de ­Israëlische politiek en was kandidaat voor rechts bij de eerste presidentsverkiezingen. Die verloor hij van de sociaal-democraat Chaim Weizmann. Toen Amos twaalf jaar was, benam zijn al langer door depressies gekwelde moeder zich het leven.

Kibboets

Op zijn veertiende verliet de jonge Klausner het ouderlijk huis en vestigde zich in de kibboets Hulda, waar hij tot 1986 bleef wonen, hoewel hij als landarbeider naar eigen zeggen ‘een lachertje’ was. Toen hij met schrijven begon, kreeg hij van het kibboetsbestuur toestemming daar één dag per week aan te besteden. Nadat Mijn Michael een bestseller was geworden, werden dat er drie. Na zijn militaire dienst – hij vocht in de Zesdaagse Oorlog en de Oktoberoorlog – mocht hij literatuur en filosofie gaan studeren; vanaf die tijd was hij docent en schrijver en bediende alleen nog op zaterdag als kelner in de eetzaal van de kibboets. Daar ontmoette hij ook zijn vrouw Nily, met wie hij drie kinderen kreeg.

Kort na aankomst in de kibboets veranderde Amos Klausner zijn achternaam in Oz, wat kracht betekent. Met die naamsverandering rebelleerde hij tegen zijn Europese achtergrond en liet hij zien dat hij loyaal was aan het land waar hij was geboren.

Met A.B. Yehoshua en David Grossman behoort Amos Oz tot de grote drie van de Israëlische literatuur. Zijn werk is in 41 talen vertaald, waaronder Arabisch en Chinees. Hij ontving tal van onderscheidingen en prijzen, onder andere het Franse Légion d’Honneur, de Goetheprijs, de Heinrich Heineprijs, de Israëlprijs en de al genoemde Prince of Asturias Award. Hij werd ook geregeld genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs, maar zover kwam het niet.

Hoogtepunten uit zijn oeuvre zijn behalve Mijn Michael de romans De heuvel van de boze raad (1976), Panter in de kelder (1995), Black Box (1987), Dezelfde zee (1999) en zijn als roman geschreven memoires Een verhaal van liefde en duisternis (2002).

In Panter in de kelder staan de thema’s loyaliteit en verraad centraal. Hoofdpersoon Proffy, een jongen nog, is lid van een ondergrondse beweging en droomt er ten tijde van het Britse mandaat over Palestina van om Buckingham Palace of de ambtswoning van de Britse premier in Downing Street op te blazen. Maar hij raakt bevriend met een Engelse soldaat en wordt door medegroepsleden beschuldigd van verraad. Oz laat hier blijken dat loyaliteit aan de Joodse staat geen zwart-witkwestie is.

Jiddische dromen

In het ontroerende Een verhaal van liefde en duisternis (2002) keert Oz terug naar het Jeruzalem van zijn kindertijd en beschrijft met veel liefde het erudiete en tegelijkertijd ontwortelde milieu van zijn ouders. “Mijn ouders hadden de gewoonte met elkaar te discussiëren in het Pools en Russisch (…) Zij lazen de Europese literatuur in de oorspronkelijke talen en ik geloof dat ze hun dromen in het Jiddisch droomden”, zei Oz in 2005 in de Volkskrant. “Maar ze stonden erop mij alleen Hebreeuws te leren. (…) Tegelijkertijd bleven de muziek, de conversatie, de landschappen, ja zelfs de lichaamstaal en gewoonten Europees.”

De Nederlandse literatuurcriticus Michaël Zeeman bewonderde Oz als een man “die leeft om te vertellen, iemand die de ernst beseft die het bezit van een stem en een pen met zich meebrengt”. Toch is die ernst maar een deel van het verhaal, want, zegt Oz: “Zoals mijn grootmoeder zei: ‘Als je bent uitgehuild, kan je alleen nog maar lachen.’”

Na de grote autobiografische roman Een verhaal van liefde en duisternis schreef Oz nog de roman Judas (2014), over de student Sjmoeël in Jeruzalem, 1959, die na rampspoed binnen en buiten de familie in een huis aan de rand van de stad komt te wonen bij een bejaarde invalide en de bijna twee keer zo oude bewoonster Atalja, op wie hij verliefd wordt.

Belangrijker dan de liefdesgeschiedenis zijn de filosofische gesprekken. Over Jezus en zijn boodschap van liefde en mededogen. Over Judas, die volgens Sjmoeël totaal is miskend. Hij heeft Jezus niet verraden, maar was juist zijn meest toegewijde discipel. Zeker, Judas was “de bedenker, de impresario, de regisseur en de producent van het spektakel van de kruisiging”, maar dat was omdat hij heilig geloofde dat Jezus ongeschonden van het kruis zou afstappen, zodat iedereen hem als Gods zoon zou herkennen. Zonder Judas was er geen kruisiging geweest en geen christendom en geen kerk en zou Jezus allang vergeten zijn, "net als al die tientallen andere dorpse wonderdoeners en predikers uit het afgelegen Galilea”.

Verrader

Behalve Judas is er nog een lijfelijk afwezig personage dat een hoofdrol in dit boek vervult: de vader van Atalja, de in 1950, twee jaar na de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog overleden Sjealtiël Abarbanel. Geleidelijk ontdekt Sjmoeël in de gesprekken met Wald en Atalja de geschiedenis van deze figuur. Abarbanel was de enige joodse leider in Palestina die tegen het proclameren van een joodse staat was, omdat hij voorzag dat dit zou leiden tot een bloedige oorlog en een eindeloos conflict. Hij dacht dat er ruimte was voor een historisch compromis, een samenleven van joden en Arabieren zonder de structuur van een staat. “Hij vond staten een kinderlijk en archaïsch concept”, vertelt Atalja. Abarbanel kreeg het stigma van een verrader, ook hij weer.

En zo blijft de lezer achter met een paar belangwekkende vragen: is verraad wel altijd wat het lijkt? En hoe was de geschiedenis verlopen als het net even anders was gegaan? Als Judas Jezus niet had overgehaald naar Jeruzalem te gaan? Als de eerste premier van Israël, David Ben Goerion, zich had laten overtuigen door iemand als Sjealtiël Abarbanel? Er zijn minder interessante kwesties om je het hoofd over te breken.

Vanaf haar ontstaan begin jaren 80 was Oz aanhanger van de Israëlische vredesbeweging. In zijn essays pleitte hij onafgebroken voor een tweestatenoplossing: Israël naast Palestina. In een fraaie metafoor omschreef hij die twee “als gevangene en cipier aan elkaar vastgeketend. Na zo veel jaar is er bijna geen verschil – de cipier is niet vrij en de gevangene is niet vrij.” Om daarin verandering te brengen, wilde Oz dat Israël de kolonisten aan banden legde en de Palestijnen tegemoetkwam. Hij hoopte dat zij op hun beurt positief zouden reageren op een moedige stap als het ontruimen van de Gazastrook. Graag citeerde hij het Arabische gezegde: “Met één hand kun je niet klappen.” De vrede waarnaar Oz hartstochtelijk verlangde, is er tijdens zijn leven niet gekomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234