Maandag 23/11/2020

InterviewSara De Roo

Actrice Sara De Roo kruipt in de huid van de premier in nieuwe Eén-reeks ‘Black-out’: ‘Het perverse tonen is deel van ons vak’

Beeld Charlie De Keersmaecker

Actrice Sara De Roo (49) speelt de premier in de nieuwe zondagavondreeks Black-out op Eén, maar daar ging wel een strijd aan vooraf. Zo wilde ze in geen geval haar grijze haren laten kleuren. ‘Ik kreeg de rol van machtigste vrouw van het land, maar moest er wel uitzien zoals mannen dat willen.’ 

“Ik zeg maar wat”, zal de actrice ongeveer halverwege ons twee uur durend Zoom-gesprek verzuchten. Maar dat klopt niet. Sara De Roo denkt juist diep na bij elke vraag. Ze zal op een gegeven moment vertellen dat ze aan het imposter syndrome lijdt, waarbij een mens telkens weer opnieuw ­twijfelt aan zijn eigen kunnen. Hoe indrukwekkend je cv ook oogt. Want De Roo bracht theaterstukken als Alleen, The Marx Sisters en Lucia smelt, en speelde mee in tv-series De parelvissers en Met man en macht. Maar je kan haar ook ­kennen van films als Rosie, de populaire publiekstrekker Brasserie Romantiek of het wondermooie Swooni.

En nu is er Black-out, van regisseur Joël Vanhoebrouck, die eerder al succes oogstte met Eigen kweek. Het verhaal: Annemie Hillebrand is premier van België wanneer haar dochter wordt ontvoerd, uitgerekend op het moment dat er een stroompanne is. Als het licht aan zal gaan, sterft haar kind, dreigen de ontvoerders. “Het is een politieke thriller, maar ook een actiereeks.”

Sara De Roo oogt in de serie geloofwaardig als eerste minister, in het echte leven schuilt er geen leidersfiguur in haar. “Ik ben niet strategisch en ook geen leiderstype. Ik heb 25 jaar in een theatercollectief gewerkt, bij STAN. Daar is het collectieve proces om tot een beslissing te komen belangrijker dan in een politieke context zoals in Black-out. Ik ben wel opgevoed met de idee dat je je mond moet opendoen als je het ergens niet mee eens bent. Zolang dat met respect gebeurt, kan je veel zeggen.”

Bio

geboren in het Nederlandse Delft, op 10 december 1970 / studeerde af in 1991 aan het ­Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen bij Dora van der Groen / was 25 jaar lang kernlid van ­toneelgroep STAN, tot 2018, met acteurs Frank Vercruyssen, Damiaan De Schrijver en Jolente De ­Keersmaeker / speelde mee in films als Rosie, Loft, Swooni, Brasserie Romantiek en Vele hemels boven de zevende / acteerde ook in de prestigieuze Woestijnvis-reeksen De parelvissers en Met man en macht / woont in Antwerpen, heeft een man en twee kinderen (13 en 18)

Sara De Roo wist al vroeg dat ze actrice wilde worden. Toen ze in het middelbaar zat, kregen leerlingen op Sint-Lutgardis in Antwerpen een uur Nederlandse expressie per week. “De leerkracht wees me op een kwaliteit die ik had, en waar ik me tot dan toe niet bewust van was. Op een surfkamp ontmoette ik Jolente De Keersmaeker (actrice en toneelregisseur, red.), met wie ik later bij STAN zou werken. Ze was iets ouder en ging naar het Conservatorium. Ik wilde daar ook naartoe, voor Luk Perceval, Dora van der Groen, Ivo van Hove en anderen die er lesgaven.

“Voordien had ik nooit toneelgespeeld, ik had alleen gedichten en korte proza gedaan op de academie in Borgerhout. Tijdens de toelatingsproef op het Conservatorium zeiden ze: ‘Het is goed, maar die voordracht moet eraf’. Ik denk dat ik heel netjes was opgeleid, maar ik moest terug naar de kern. Wat ik deed, vonden ze te gepolijst. Toch heb ik nooit spijt gehad van mijn voordrachtlessen, want die hadden me in leven gehouden. Elke woensdagmiddag na school fietste ik erheen. Iedereen kreeg een halfuurtje individuele les. Ik bleef altijd uren kijken naar wie voor en na me kwam. Het was het heerlijkste wat er was. Die voordracht vormde een handvat, een boei tijdens mijn tienerjaren. Ik denk soms wel dat ik een sombere puberteit heb gehad.”

Wat maakte je somber?

(wikt haar woorden) “Ik worstelde met mijn zelfbeeld en de verwachtingen van de buitenwereld. Het vrouwbeeld ­waaraan ik dacht te moeten voldoen en waar ik totaal niet aan voldeed. Ik vond dat een heel heftig proces, vrouw ­worden. Ik voelde me totaal niet thuis in die rol.”

Bedoel je letterlijk de puberteit in de zin van: borsten krijgen en ongesteld worden?

(knikt) “Vreselijk vond ik dat.”

Heb je ooit een jongen willen zijn, als kind?

“Ik denk dat ik er heel lang als een jongen heb uitgezien en dat de overgang naar de puberteit ook daarom zo heftig was. Omdat ik écht geen zin had om vrouw te worden. Winkeliers spraken me vaak aan als jongen toen ik kind was. Leuk was dat niet, maar ik vond het niet erg genoeg om er mijn uiterlijk voor te veranderen en me meisjesachtiger te kleden.”

Waar had het mee te maken, dat stukje van jou dat liever een jongen was geweest?

“Ik weet het niet. Ik voel me aangesproken door de vrijheid die jongeren tegenwoordig nemen om zelf te beslissen of ze man of vrouw zijn, of iets ertussenin. Sommigen blijven voortdurend in beweging, tussen de twee seksen, of willen juist niks met het binaire te maken hebben. Intussen heb ik me na vijftig jaar ergens tussen de twee stereotiepen in gepositioneerd. (denkt na) En er is natuurlijk iets wat ­opwindend is, namelijk datgene wat niet kan. Ik kan nooit een penis hebben. Alleen al door het me in te beelden, denk ik: wow. Dat is wat verbeelding teweeg kan brengen. Als ik jonge mensen met hun identiteit zie experimenteren, vind ik dat geweldig. Heel bevrijdend. (lacht)

“Maar goed. Uiteindelijk beland je op de toneelschool en besef je dat je meekan, al zie je er niet uit als een stereotiepe vrouw. Het gaat niet meer over hoe je eruitziet, maar over wat je doet. De tegenstelling tussen wat je voelt en hoe je eruitziet, is iets van toneelspelers. Zíj moeten niet voelen, het is het publiek dat moet voelen. Hoe iemand zich voelt op de scène is niet zo belangrijk. Ook dat vond ik bevrijdend.”

Heb je jezelf meer leren aanvaarden dankzij het toneelspelen?

“Ken je het imposter syndrome? De angst voor ontmaskering. Dat iemand je uit de rij pikt, op je schouder tikt en zegt: ‘Gij kunt dees niet.’ De eerste keer dat ik Black-out helemaal ­achter elkaar zag, vond ik zo confronterend. Ik dacht: ­misschien geraak ik nu voorgoed van het imposter syndrome verlost, want hiermee zal de totale ontmaskering zich ­voltrekken. Die angst – doe ik het goed? – is en blijft des mensen.

“Het mooie van toneelspelen is dat je daar iets mee kan. Roeren in die angst en hem inzetten voor creatie, is heilzaam. Dus ja, toneel heeft me daarin geholpen. Tegelijk is het meedogenloos en wordt het niet gemakkelijker, omdat je altijd zo blootgesteld bent aan meningen. Het is elke keer…”

... Een examen afleggen?

“Een groepsproces. Als iemand vraagt waarom ik die rol in Black-out zo streng speel, besef ik: dat was een bron van ­discussie tijdens de draaiperiode. Ik hoop dat iedereen tot de laatste aflevering kijkt, omdat ik daar kon spelen wat ik wilde. Het verhaal was een grote kans, maar als ik alle ­afleveringen achter elkaar zie, denk ik dat ik iets heb laten liggen. Daar moet ik mee leven.”

‘Als er één taboe is, dan is het de dagprijs. Het zou me niet verbazen dat ik structureel minder betaald word dan mannelijke collega’s. Misschien heb ik geen zin om het antwoord te kennen.’Beeld Charlie De Keersmaecker

Een toneelstuk laat je de avond zelf misschien los. Is dat het verschil met theater?

“Als dit theater was geweest, had ik na de première gezegd: dit ga ik anders spelen. Dat is heerlijk aan theater. Het is er en dan is het weg. Vermoeiend, want je moet het altijd weer van nul geboren laten worden. Maar het momentane en vluchtige is ook waarom ik zo van theater hou.”

Spelen zonder baas

Sara De Roo vond in 1992 haar vaste plek bij STAN. Het gezelschap liet zich inspireren door het Nederlandse collectief Maatschappij Discordia, dat het zonder regisseur deed. “Wij verzetten ons bij STAN tegen de regisseur als almachtige eindverantwoordelijke die zegt: zo ga je het spelen, want ik ben de baas. Na een hevig conflict over hoe de eindscène van een stuk gespeeld moest worden, besliste ik: dit wil ik niet meer, ik ga definitief bij STAN, dan heb ik ­tenminste ­zeggenschap over hoe ik mijn rol en het stuk interpreteer.”

Ze leerde er discussiëren en voor zichzelf opkomen. “Het was een voortdurend ontvoogdingsproces. Je niet laten afschrikken door meningsverschillen, maar ze als grondstof voor creatie beschouwen. Daar is een heel mooi woord voor, dissensus. Het samenwerken in onenigheid.”

Black-out is gefilmd vóór de regering-Sophie Wilmès, maar intussen heeft de politieke realiteit de fictiereeks ­ingehaald, want die eerste vrouwelijke premier is intussen alweer achter de rug. Ik wil van De Roo weten hoe haar ­sector ten goede veranderd is voor vrouwen. Ze speelde mee in de eerste Belgische langspeelfilm van een ­vrouwelijke regisseur: Rosie, van Patrice Toye. In 1998. “We lopen niet voorop, nee.”

Wat is er sindsdien gebeurd?

“Er is ontzettend veel veranderd – #MeToo is een kantelpunt geweest – in die zin dat er nu een bewustzijn onder vrouwen en zeker jonge vrouwen is over ownership. Over hoe ze op een scène staan en in beeld gebracht worden. Ik ben ­eindverantwoordelijke voor de opleiding acteren aan het Conservatorium. Gisteren had ik een onlinemeeting waarin een jonge toneelmaakster haar plannen voorstelde aan een beperkte groep en het gesprek achteraf ging daarover. Bijna de hele toneelliteratuur is geschreven door mannen. De abele spelen (de oudste bewaarde profane toneelstukken uit ons taalgebied, overgedragen dankzij een handschrift uit 1410, red.) zijn pittoreske teksten, maar als je luistert naar hoe mannen en vrouwen met elkaar praten, doet het pijn aan de oren. De vraag is: is een repertoire dat bijna altijd door ­mannen is geschreven en waarin vrouwen bijna altijd ­stereotiep worden neergezet, representatief voor nu? Er moeten nieuwe verhalen verteld worden en dat zijn niet alleen dekoloniseringsverhalen, maar ook feministische ­verhalen. Toen ik afstudeerde, was dat niet aan de orde.”

Heb je ooit meegemaakt dat een mannelijke tegenspeler van jouw leeftijd meer verdiende dan jij?

“Als er één taboe is, dan is het wel de dagprijs. (fronst) Zéér moeilijke materie. Het zou me niet verbazen als ik ­structureel minder betaald zou worden dan mannelijke ­collega’s. Mannen en vrouwen moeten een gelijke verloning krijgen, maar ik vrees dat dat nog niet het geval is. Misschien heb ik geen zin om het antwoord te kennen.”

Hoe kies je rollen? Let je erop dat ze stevig zijn?

“Er belandt heus niet elke maand een script in mijn ­brievenbus. Ik denk ook niet dat ze mij snel vragen voor een ‘opvulrol’. (lacht) Bij Black-out heb ik aangedrongen op diversiteit in de cast. Ze weten in de sector wie ik ben. Ik heb ooit een reclamefilmpje afgezegd – ‘Ik vind het hoererij!’ had ik geroepen – en sindsdien vragen ze me daar niet meer voor. Als een acteur je overdag via de radio auto’s aansmeert en ’s avonds hoor je die stem Shakespeare voordragen, dan geloof ik die woorden niet meer zo gemakkelijk. Ik kijk ­collega’s er niet vies op aan. Maar ethisch vind ik niet dat het bij ons vak hoort.”

Je personage in Black-out is de afwezige moeder. ‘Sorry dat ik er zo weinig ben’, zegt premier Hillebrand tegen haar dochter. In hoeverre was dat schuldgevoel herkenbaar?

“Totaal niet. Al heb ik gemakkelijk praten, want er was altijd iemand die voor de kinderen zorgde. Ik heb een man die, tot ik wegging bij STAN, halftijds werkte en de continuïteit in het huishouden verzekerde. Hij ging altijd de kinderen van school halen en kookte. Ik kan hem alleen als uithangbord gebruiken voor andere mannen. (lacht) Hij doet zijn job ook met passie, vroeger in het Kaaitheater en nu bij Opera Ballet Vlaanderen. Bij STAN was ik niet de enige met kleine kinderen, we namen ze soms zelfs mee op tournee. Zolang er een ouder is, of iemand anders die zorgt voor continuïteit, regelmaat, geborgenheid en liefde… Waarom zou ík me schuldig moeten voelen, terwijl dat nooit aan mannen gevraagd wordt? Ik begrijp de vraag, want het thema zit in het ­scenario. Het zijn die subtiele mechanismen die in dialogen opduiken. Een vrouwelijk personage dat zich schuldig voelt omdat ze er te weinig is voor haar dochter, want ze heeft een veeleisende job. Wat voor flauwekul is dat? We leven in de 21ste eeuw.” (lacht)

Met 16 procent vrouwelijke regisseurs scoort België onder het Europese gemiddelde van 21 procent en helemaal onder de 40 procent van onze noorderburen. De redenen zouden gaan van zelftwijfel tot een moeilijke combinatie van werk met gezin.

“Toneelspeelsters, actrices en regisseuses moeten natuurlijk goed omringd zijn, want het is een job die altijd doorgaat. In die zin zijn we er nog niet, omdat die zorg nog altijd meer op de schouders van vrouwen belandt. (denkt na) De ­verwarring bij de man is tekenend. Die weet niet meer wie hij is en welke rol hij te spelen heeft tegenover de vrouw en in de maatschappij, maar ik denk dan: verwarring is goed. Ik hou van verwarring en beweging. De vraag is alleen: waar gaan we naartoe? Waar brengt het ons? Ach, ik weet het niet. Ik zeg maar wat.” (lacht)

‘De jongeren op de toneelschool hebben het moeilijk, soms heel moeilijk. Alles valt weg. Structuur. Plezier. Je verliezen in elkaar. Alle leuke, belangrijke dingen die een toneelspeler voeden’Beeld Charlie De Keersmaecker

Had je niet onlangs De tweede sekse van Simone de Beauvoir gekocht?

(haalt het erbij) “Ik kan het je tonen. Ik vond het tweedehands bij Kartonnen dozen, een belangrijk boekenwinkeltje in Antwerpen.”

Dat boek gaat onder meer over de male gaze en hoe je ervan verlost geraakt als je ouder wordt. Een vreselijke vraag, maar ben je daarmee bezig? Je nadert de vijftig en vrouwen krijgen dan dikwijls minder rollen aangeboden.

“Waar ik van stond te kijken, is hoezeer mijn haarkleur een onderwerp van discussie is geweest. Kijk, ik krijg grijze haren, wat niet zo raar is voor iemand die vijftig wordt. Je wil niet weten wat voor cameratests eraan te pas kwamen… ‘Wordt het niet te flets?’ Ik wilde het niet laten kleuren omdat ik niet inzie waarom mannen die grijs worden, à la George Clooney en Geert Van Rampelberg, sexy zijn, en vrouwen niet. Daar wens ik me niet bij neer te leggen.

“Je speelt dan wel de eerste vrouwelijke premier van België, de machtigste vrouw van het land, maar je moet er wel uitzien zoals mannen dat willen. Uiteindelijk hebben ze bij de productie schoorvoetend toegegeven: oké, ’t is goed.

“De enige remedie tegen die male gaze in ons werk, en dat is ook het verhaal van Black-out, is dat vrouwen verhalen vertellen, dat mensen van kleur verhalen vertellen en dat queers verhalen vertellen. Er moeten nieuwe stukken geschreven worden. En andere scenario’s.”

Daar zijn jullie op school mee bezig?

“We doen ons best. Het kan altijd beter. Zelfkennis is het begin van alle wijsheid en de weg is lang.

“Lang geleden merkte ik eens tegen een man op dat er een foutje in een scenario zat, iets wat niet helemaal klopte in het plot. Hij viel net niet achterover van verbazing en ging het bij iedereen rondbazuinen. Weliswaar bedoeld als een compliment, maar het was tekenend voor hoe onwaarschijnlijk iemand als hij het vond dat een vrouw hem op een incoherentie kon wijzen.”

Schrok je van het #MeToo-onderzoek in de cultuursector in 2018? Daaruit bleek dat een op de vier vrouwen dat jaar ongewenste fysieke of seksuele toenaderingen had ervaren.

“Ik draai al een paar decennia mee. Ik ben blij dat het onderwerp bespreekbaar wordt. Mensen moeten beschermd worden en daar zijn we op school mee bezig. Je hebt een safe space nodig. Alleen is toneelspelen allesbehalve safe. Als je safe wil spelen op het toneel, blijf je beter thuis. Je moet een evenwicht vinden tussen het koesteren van de studenten en hen ook in staat stellen om hun ­grenzen af te tasten. Die grenzen moeten niet overschreden worden, maar wel aan bod komen.

“Als je alles waarbij je je niet comfortabel voelt afwijst, dan ga je een ander soort toneel krijgen. (denkt luidop) Misschien moet dat even, is dat de toekomst van het theater. Maar voor mij gaat toneel ook over risico’s nemen. Natuurlijk wordt dat vertrouwen soms beschaamd. Ik heb vroeger dingen meegemaakt waarvan ik achteraf dacht: ­miljaar, dat zou me nu niet meer overkomen. Momenten waarop ik niet de tools had om voor mezelf op te komen en waarbij mensen je aanraken op een manier waarvan je denkt: huh, wanneer houdt dit op?”

Bedoel je op het podium of tijdens de repetities?

“Niet op het podium – hoewel – ja, soms ook op het podium. (lacht) Ik moet graven in mijn herinnering. Maar ik heb het nooit als bedreigend ervaren. Omdat ik me altijd gerespecteerd voelde in wat ik deed en in mijn werk op het toneel. Ik heb vervelende, maar ook zeer mooie ervaringen gehad wat naakt- en vrijscènes betreft. Het punt is: de basis van spelen is je kwetsbaar durven op te stellen en elkaar de ruimte geven. Als dat lukt, dan is dat het meest vervullende wat er bestaat.

“Tijdens die onlinemeeting gisteren hoorde ik over intimiteitscoaches die ze inschakelen op buitenlandse filmsets, als go-between tussen de regisseur en de acteurs voor moeilijke scènes. Beschermingsmechanismen moeten er zijn. Maar als alles een contract wordt, ben ik bang dat we iets gaan ­verliezen. Dora van der Groen hamerde altijd op de vijf p’s.”

Persoonlijkheid, poëzie, pijn, passie en perversiteit.

“Die perversiteit op het toneel tonen, is helend voor de gemeenschap. Het gaat over het erkennen van het slechte in onszelf. Het privilege van de toneelspelers is dat we met dat amorele aan de slag kunnen. Het is onderdeel van ons takenpakket in de maatschappij. Als we doen alsof het er niet is, is dat vragen om etterbuilen en uitbarstingen. Het vuile is een onderdeel van ons vak – mits wederzijdsheid.

“Misschien is het zoals met alle verandering en moet er gewoon een generatie verdwijnen voor er echt iets verandert. Ik steun die evolutie met heel mijn hart, maar ik ben ook bang dat er iets verloren zal gaan. We hebben het punt bereikt dat minderheden het recht op representatie opeisen. Iemand zegt: jij kan mij niet spelen, want jij zal nooit weten hoe het voelt om mij te zijn. Maar spelen an sich ís verbeelding. Opkomen en zeggen: ik ben de koning. Zo ­simpel is het. Als er dan iemand zegt: ja maar, alleen ík weet hoe het voelt om een koning te zijn, dan begin je een gesprek met verstrekkende gevolgen. Dat grijpt in op de kern van ons metier.”

Zou je je kinderen een carrière aanraden in het theater?

“Ze zijn dertien en achttien en weten er genoeg van om zelf te kiezen. Kinderen in een bepaalde richting sturen lijkt me geen garantie op goede resultaten. Ik hoop dat ze een passie vinden om hun dagen zinvol mee door te brengen. Thuis hebben we het nu wel vaak over hoeveel we gereisd hebben vroeger, hoeveel we konden zien. Mijn man heeft ooit met Rosas (dansgroep opgericht door Anne Teresa De Keersmaeker, red.) de wereld rondgetrokken. Heftig dat het voor al die jonge mensen nu allemaal niet meer kan. My god! Ik hoop dat die tijd van verbinding en toevallige ontmoetingen terugkomt. Tegenwoordig is de ander te mijden, dat is heel verontrustend. De jongeren op de toneelschool hebben het moeilijk, sommigen heel moeilijk. Alles valt weg. Structuur. Plezier. Je verliezen in elkaar. Alle leuke, belangrijke dingen die een toneelspeler voeden… Het is een droge grond.”

Springen

In deze tijden van besparingen die al van voor corona dateren, gaf de actrice twee jaar geleden haar vaste job bij STAN op om freelancer te worden. “Ik voel nog veel liefde voor Jolente, Frank (Vercruyssen, red.), Damiaan (De Schrijver, red.) en de anderen bij STAN. Maar op een gegeven moment had ik nood aan anderen. Meer was het niet. Een contract van onbepaalde duur aan een cao-loon is inderdaad een zeldzaamheid. Overigens is het een scheefgegroeide situatie. Wie in de periferie van de kunstensector werkt, heeft dat wel en daar kan ik kwaad van worden. Alleen om wie het draait, de kunstenaars, niet.”

Bij het Conservatorium heeft De Roo een halftijdse aanstelling. Ze volgt er zelf enkele academische vakken. Voor de input, omdat ander werk wegvalt, en ook omdat ze dan een hoger loon zal krijgen. “Het is niet omdat je de veertig voorbij bent, dat je moet blijven doen wat je altijd hebt gedaan. Je kan een succesvol pad verlaten. Dat is het gevoel dat ik een beetje heb, als ik terugkijk op STAN. Je kan op elk moment luisteren als je gevoel je zegt dat je iets anders moet gaan doen. Ik heb tijd nodig gehad om die stap te durven zetten. Ik zwem graag en op een gegeven moment zei een dierbaar iemand me: ‘Je kan toch zwemmen? Spring dan!’ Soms kom je iets of iemand tegen, je ziet een voorstelling, voert een gesprek, waardoor je de kracht krijgt om ingrijpende levensbeslissingen te nemen. Ik wil iedereen die me een duwtje in de rug heeft gegeven, bedanken. Want het kan. Je kan je leven altijd bijsturen. (pauzeert even) Bij nader inzien kan dit een erg neoliberale gedachte zijn. Niet voor iedereen is het leven maakbaar. Niet iedereen begint gelijk aan de start. Ik heb ook veel steun en geluk gehad. Noem me gerust geprivilegieerd.”

‘Black-out’, nu te zien op Streamz en vanaf zondag 22 november op Eén, om 20.50 uur

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234