Donderdag 23/05/2019

Interview

Actrice Abke Haring zegt Toneelhuis en Antwerpen verplicht vaarwel: "Ik worstel nog erg met wat gebeurd is"

Abke Haring voor het Amsterdamse IJmeer. Beeld Diego Franssens

Na twintig jaar Antwerpen is actrice Abke Haring (39) weer in Amsterdam gaan wonen. Straks neemt ze afscheid van vijftien roemrijke jaren Toneelhuis. Maar dat was niet haar beslissing. "Ik worstel nog heel erg met wat gebeurd is."

"Is dit wel Amsterdam genoeg voor jullie?”, vraagt Abke Haring als ze, zich tussen het riet beschermend tegen de snijdende wind, poseert voor het IJmeer. “Misschien moeten we toch de tram nemen, naar het centrum? Dan kan ik poseren voor een van de grachten”, lacht de 39-jarige actrice. “Of voor een haringkar.”

Maar we blijven in IJburg, de rustige, zelfs ­landelijke woonwijk in het oosten van de Nederlandse hoofdstad, waar de huisjes allemaal dezelfde gevels hebben, en waar een café aan het einde van de straat eenzaam de hele buurt bedient. Dit is even Amsterdams als De 9 Straatjes, de grachten­gordel en de Wallen. Dit is het Amsterdam van Abke Haring, actrice en ­theatermaker: het Amsterdam waarnaar ze afgelopen zomer verhuisde, met haar man Jason en hun 2,5 jaar oude zoontje. Het Amsterdam dat ze twintig jaar geleden verliet om te gaan studeren in Antwerpen, maar waar ze nu terug thuis­komt. Het Amsterdam dat ze opnieuw opzocht, nadat ze na dik vijftien jaar te horen kreeg dat haar contract bij Toneelhuis niet verlengd werd.

Abke Haring en Toneelhuis waren de afgelopen jaren synoniemen geworden. In voorstellingen als Atropa: de wraak van de vrede, Bloed & rozen en Hamlet vs. Hamlet – drie keer een vruchtbare samenwerking tussen regisseur Guy Cassiers en auteur Tom Lanoye – bewees de kleine actrice dat ze moeiteloos het grote podium kan vullen. “Zij moet mijn Hamlet spelen”, zei Lanoye voor hij aan zijn Shakespeare-bewerking begon, en Haring werd prompt bekroond met de Theo d’Or, de meest prestigieuze acteerprijs in het Nederlandse taalgebied. Meer dan een bekroning was het een bevestiging van haar onwaar­schijn­lijke talent om het publiek te laten meevoelen met personages die honderden jaren oud zijn.

Maar terwijl ze, aangemoedigd door regisseurs als Cassiers (zie ook: De welwillenden) en Ivo van Hove (De dingen die voorbijgaan), de grote sier maakte in de grote zalen, zocht ze zelf de kwetsbaarheid van de kleine ruimte op. Haar eigen voorstellingen, zoals Hout, Flou en Unisono, waren meer performance dan theater, stukken waarin tekst een bijrol krijgt, omdat de stiltes voor zich spreken. Kleine zalen trekken echter een klein publiek, en in tijden waarin de cultuur­financiering onder druk staat, heeft dat gevolgen. Vorig jaar kreeg ze te horen dat Toneelhuis nog meer wil inzetten op de grote zaal. Harings contract werd niet verlengd: het einde van haar Antwerpse verhaal.

Platina wordt zo haar laatste voorstelling bij Toneelhuis. We spreken de actrice, wier Hollandse klanken worden bijgekleurd door Antwerpse uitdrukkingen, in Theater Vrijburcht, een kleine toneelzaal die werd opgericht en gefinancierd door de theater­minnende buurtbewoners van IJburg. “Een afscheid”, zo omschrijft ze het stuk. Maar door haar verhuis naar Amsterdam markeert haar afscheid van Toneelhuis ook een nieuw begin.

“Het deed pijn om daar te moeten vertrekken. Als er straks een afscheids­feestje wordt gehouden, ga ik moeten huilen, dat weet ik nu al. Maar als ik hier in IJburg aankom met de laatste tram, moet ik uitstappen in the middle of nowhere. Dan moet ik acht minuten naar huis stappen, langs een groot veld, want er is daar niks, geen café, zoals er in Antwerpen overal zijn. Hier is enkel stilte. En dan vraag ik me af: voel ik me hier nu thuis? Is dit waar ik wil zijn? En dan denk ik: ja. Hier kan ik gewoon normaal doen.”

Beeld Diego Franssens

Als ze binnen haar handen warmt rond de kop koffie die ze net heeft gezet, gaat ze verder. “Ik heb Antwerpen verlaten, met pijn in het hart ook wel. Ik besef nu: dit is best een heftige stap, die ik gezet heb. Ik ben er heel blij mee, maar ik heb wel een paar maanden gedacht: heb ik nu gefaald? Ik wilde zo graag wortels in Antwerpen, maar het is me nooit gelukt om die te laten groeien. Ik ben er nooit thuis­gekomen, never. Tot het eind ben ik er de vreemde eend in de bijt gebleven. Ik had het graag anders gewild.”

Wat vind je in Amsterdam dat je niet in Antwerpen vindt? Behalve Nederlanders, dan.

Abke Haring: “Wel, die heb je in Antwerpen ook steeds meer. (lacht) Maar ik merk wel dat ik blij ben dat ik mezelf niet altijd hoef uit te leggen, hier in Nederland. Dat gevoel had ik wel in Antwer­pen. Daar moest ik me de hele tijd excuseren, leek het wel, want ik was al een Hollander en ik had dan ook nog eens een grote mond, die ik maar beter een beetje dicht hield. Hier kan dat ­allemaal.

“Ik ben geen Antwerpenaar: dat voel je, en daar ben je de hele tijd mee bezig, als je er woont. Dat trok ik niet meer. Ik miste iets: een soort van openheid, een manier om met elkaar om te gaan. Het is een beetje een... Het is een stad met een bepaalde geslotenheid. Ik denk niet dat dat in heel België zo is. Brussel is helemaal anders. Naar Brussel verhuizen leek ook even een optie, maar daar ken ik nauwelijks mensen. En we hebben mensen nodig, om ons heen. Voor ons boeleke. Want daarvoor heb je hulp nodig.

Abke Haring: "Ik heb ook heel fijne momenten in Antwerpen beleefd, zeker tijdens mijn studie – dat was echt een toptijd." Beeld Diego Franssens

“Dat is trouwens ook erg confronterend: dat je afhankelijk bent van de hulp van andere mensen. Ik heb moeten leren om hulp te vragen. Daarom wilde ik ook terug naar mijn familie, denk ik.”

Miste je dat dan zo hard in Antwerpen? Je hebt familie­thema’s dan wel vaak behandeld in je stukken, maar niet echt op een positieve manier.

“Dat snap ik. En nu ik er zo dichtbij zit, denk ik soms: het is ook lastig. Want ineens heb je elkaars mening, ook al wil je die niet altijd. Daar moet ik nog wat aan wennen, ermee leren omgaan. Maar mijn vader is wél een opa voor mijn kind, en dat is goud waard. Hij bakt ­pannenkoeken voor hem, dat vind ik geweldig, nu het nog kan. Mijn vader is oud, bijna 80 – hij zou niet meer vaak naar Antwerpen komen, als we daar nog woonden. Dat is voor mij een van de belangrijkste redenen om voor Amsterdam te kiezen. Als je een kind krijgt, wordt familie heel belangrijk.”

De eerste keer dat je naar Amsterdam trok, was het net om los te komen van je familie in Utrecht.

“Tijdens mijn middelbare school had ik het erg lastig, thuis. Ik ben gestopt met school, en heb mezelf de vraag gesteld: waarvan word ik nu gelukkig? En ik kon maar één ding bedenken: Amsterdam. De grootstad. Dus ben ik naar daar verhuisd. Ik heb er dag en nacht gewerkt, in een of ander restaurant. Werken in de keuken, ­opdienen, noem het maar op. Dus zodra ik auditie deed en werd aangenomen bij Studio Herman Teirlinck, was ik weer weg.”

Waarom Antwerpen?

“De audities waren daar pas in september. Voor de zomer had ik al auditie gedaan in Amsterdam en Arnhem. Maar enkel in Antwerpen mocht ik binnen. Nog geen week later was ik verhuisd. Ik vond een kot in de Hertsdein­straat, maar ik mocht het niet huren, want ik was een Hollander en dat vertrouwden ze niet. Een Belg moest voor me instaan. Een nieuw gemaakte vriend op de Studio was zo vriendelijk om dat te doen.

“Dat was echt Hollander­haat, toen. Heel openlijk. ‘Ga terug naar je eigen land’, dat soort dingen kreeg ik te horen. Dat is nu wel veranderd, natuurlijk. En ik ben zelf misschien ook wat Antwerpser geworden.”

Had je gedacht dat je er twintig jaar zou ­blijven?

Never. Toen ik met school klaar was, had ik een Amsterdams vriendje. Mijn plan was om meteen bij hem te gaan wonen. In Amsterdam. Maar na een paar maanden stond ik terug in Antwerpen. Ik kon er werken, wat heel fijn was. En dan gaan er twintig jaar voorbij. Ook al heb ik altijd gedacht: ik blijf hier niet, dat kan ik niet. Ik moest me daar te veel inhouden. Op elk vlak. Je mag er niet te hard roepen, je mag er op straat geen gekke bewegingen maken, je mag geen te slimme opmerking maken, en al zeker geen te domme.

“Maar ik heb er ook vrienden, hoor. Ik heb er heel fijne momenten beleefd, zeker tijdens mijn studie – dat was echt een toptijd, daar ben ik heel blij om. Ik ben in de kunsten opgegroeid in Antwerpen, en zeker niet in Nederland. Als ­kunstenaar voel ik me een Belg. Dat voel ik nu nog veel meer. Het kunstenaar­schap heb ik op de Studio geleerd.”

Beeld Diego Franssens

Werd Toneelhuis dan wel een thuis voor je? Je hebt er dik vijftien jaar gewerkt.

“Ja, inderdaad. Al was het bij het begin eerder een los-vast iets. Toen had ik nog geen contract. Dan kreeg ik 40 euro of zo om mijn afstudeer­voorstelling op te voeren. Alhoewel, nee, dat klopt niet: het was nog in Belgische frank toen, denk ik. (lacht) Hoe dan ook: het was een heel grappig bedrag. Nu en dan heb ik wel ergens anders ­gezeten, maar ik kwam uiteindelijk altijd weer bij Toneelhuis terug. Misschien is dat inderdaad wel wat ik het meest mis aan Antwerpen, dat ik die mensen niet meer zo vaak zie. Het is een heel hechte ploeg. Nu ik een beetje afstand heb ­genomen, weet ik: dat was toch heel fijn, om daar te werken.”

De laatste keer dat we Abke Haring ontmoetten, was een klein jaar geleden, voor de première van Grensgeval – een voorstelling van Guy Cassiers, artistiek directeur van Toneelhuis. Hij had haar eerder verteld dat haar contract niet werd verlengd, maar dat ze als actrice nog bij Toneelhuis aan de slag kon.

“Ik heb onlangs met Guy gebeld, voor het eerst sinds lange tijd. Toen heb ik het hem op de man af gevraagd. ‘Jij hebt gezegd dat ik nog zou kunnen spelen bij Toneelhuis.’ Dat is niet helemaal zo, heeft hij verteld. Hij werkt nog heel graag met mij, maar weet niet wanneer of hoe dat zal kunnen. Hij wil me nog vragen, zegt hij wel, maar ik ben niet meer verbonden aan Toneelhuis. Ik zit nu helemaal los. Dat was even een moeilijk moment, in een heel liefde­vol gesprek.”

Zou je bij Toneelhuis zijn gebleven tot het einde van je carrière, als dat kon? Of had je je vroeg of laat sowieso losgemaakt?

“Ik weet niet of ik daarvoor de guts had gehad. Ik was de kostwinner in huis. Mijn man is naar België gekomen, net omdat ik een vast contract had. We hadden ons voordien afgevraagd: wat gaan we doen, nu er een kind aankomt? Ga ik naar New York, of kom jij naar Antwerpen? Dat laatste leek logisch, vanwege dat contract. En dan hoor je tijdens je zwangerschap dat dat verdwijnt. Dat was even heel pittig. Dat is het nog steeds. Ik worstel nog heel erg met wat er gebeurd is. Het is goed dat ik nu hier zit, maar ik had er liever zelf voor gekozen. Op het juiste moment. Nu is het niet mijn beslissing. Guy wilde een andere ­richting uit, en ik paste niet meer in de plannen van Toneelhuis. Dat is gewoon kut, natuurlijk.

“Maar toen ik aan mensen in Nederland ­vertelde dat ik weer hier kwam wonen, waren er meteen een paar die me bij hun productie wilden. Dat vleit me enorm. Ik heb werk, en dat is prettig. Heel prettig. Want daarvoor dacht ik: dat wordt werken bij Albert Heijn, of bij de McDonald’s. Mijn man gaat daar wel eens naartoe, en dan zag ik mezelf al met zo’n kapje op, ’s nachts in de ­keuken werken.”

Beeld Diego Franssens

Had je dat ontslag zien aankomen?

“Ik had er nooit echt over nagedacht. Toen Guy me het vertelde, wilde ik er niet op ingaan: ik was zwanger, ik was met andere dingen bezig. Maar ik maakte al vijftien jaar voorstellingen in Toneelhuis, nog langer dan Guy. Ik ken alle ­hoeken en gaten van de schouwburg, alle mensen in het kantoor, en alle techniekers die urenlang doorwerken. Dat zijn mensen die er al zo lang ­zitten als ik, mensen die weten dat, als ik een tekst indien, ik het belangrijk vind waar de punten en de komma’s staan, dat ik in kleine letters schrijf, dat de interlinie belangrijk is.

“Dat doet pijn, dat ik die mensen nu ga moeten missen. Maar ik snap ook dat Guy een andere kant op wil, dat hij meer wil inzetten op die grote zaal.”

Maar eerst maak jij nog Platina. Een ‘kleine’ voorstelling, net als Hout, Flou en Unisono.

“Met Platina wil ik heel graag ‘een laatste gesprek’ voeren. Platina gaat over het laatste gesprek van iemand die sterft, of weggaat, en over de onmogelijkheid van zo’n gesprek. De onmogelijkheid om te begrijpen wat ‘thuis’ is, wat ‘Antwerpen’ voor mij betekent: alles waarmee ik bezig ben, komt erin samen. Het is het tweede deel van Unisono. Dat stuk ging over alleen zijn, over willen ­communiceren, zonder dat dat lukt. Daarom wilde ik er nu een tweede speler bij.”

Koen van Kaam. Ook een naar Antwerpen ­uitgeweken Nederlander.

“Koen was mijn eerste liefje in Antwerpen. Hij is ook een Neder­lander, maar hij komt van Noord-Brabant, net over de grens. Niet zo Nederlands dus. (lacht) Hij is ook met een Vlaamse vrouw getrouwd. Hij is eigenlijk gewoon een Belg.

“Het is eigenlijk wel gek dat ik dit met Koen speel. Toen hij en ik, lang geleden, een stelletje waren, gingen we op vakantie naar Italië. We waren een jaar of twintig. We gingen daar naar een winkeltje, dat sloot tijdens de middag. Maar de uitbater had ons niet gezien, en deed zijn ­winkel dicht. Deur op slot, rolluik naar beneden, en wij zitten opgesloten in een winkeltje dat allemaal prullen verkoopt – leuke dingen, maar niet wat je zoekt. Zo’n gevoel, dat had ik in Antwerpen. Het gevoel dat ik weg wilde, maar het niet kon. Daarom verheugde ik me zo op Amsterdam.”

Als ze vertelt over het gemeen­schaps­gevoel in IJburg – de bewoners duiken hier elke zomer­avond samen in het meer – en over haar herinneringen aan haar tienerjaren in Amsterdam, begrijp je: de deur is weer open, de rolluiken zijn weer naar boven.

Abke Haring: "Voor het eerst in mijn leven ben ik echt een huis gaan inrichten." Beeld Diego Franssens

“Ik heb hier ook een paar goeie vrienden, die hier altijd gebleven zijn. Toen ik hier een maand woonde, ben ik met mijn boeleke naar een hele oude vriendin gefietst, en toevallig was daar een andere oude schoolvriendin ook op bezoek. Na meer dan twintig jaar leek het of ons gesprek gewoon verder ging. Ik stond daar met tranen in mijn ogen.”

De laatste keer dat we elkaar spraken, vertelde je nog dat je helemaal niks hebt. ‘Geen huis, geen auto. Zelfs geen bed. Ik kan doen wat ik wil.’

“Ik heb nu een bed gekocht. Serieus. Anderhalve week geleden. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik echt een huis ben gaan inrichten. Dat ik ook een kast heb gekocht. Ik besefte het pas toen ik er mee bezig was. Ik dacht: fuck! Dan toch! Maar het voelde super.

“Ik heb geleerd dat waar je woont niet per se ‘thuis’ is. Ik ben nu enorm verliefd op m’n man, en op m’n kind. Dat is ‘thuis’. Waar dat ook is. Als ik mijn man niet had ontmoet, en mijn kind niet had gekregen, dan was ik nooit thuis geweest, denk ik.

“Dat ‘thuis’ zijn is een nieuw gevoel voor mij. Als kind, en lang daarna, heb ik ernaar gezocht. En nu koop ik een bed, op marktplaats.nl, en een of andere man die Ronny heet komt het brengen, en ik sta het in het elkaar te vijzen, en dan voel ik: dit is ‘thuis’. Ik sta een bed in elkaar te vijzen in een kamer in een appartement dat ik zelf huur, en ik voel me thuis. Dat is best bijzonder. En ook een beetje saai, misschien. Al vind ik het zelf niet zo saai.”

Ik had de indruk dat je het net heel erg ­waardeerde dat je nergens aan vasthing. Dat dat voor jou een vorm van vrijheid was.

“Zeker. Daarom hebben we nog altijd het plan om naar New York te gaan. Ooit zijn we hier weer weg. Dat gevoel heb ik wel nodig. Al is het ook een beetje dubbel. Als je een kind hebt, wordt er in jou een besef wakker dat je dat kind ook een steady jeugd wilt geven. Dat heb ik zelf nooit gehad, en dat wil ik hem wel geven. Hij gaat hier nu naar school, dus moeten we nu hier blijven.”

Heb jij het gevoel dat je hem zo’n jeugd kunt geven?

“Ik wil dat zeker wel, maar hoe dat moet? I don’t know. Soms denk ik dat ik een cursus moederschap zou moeten krijgen. Maar ik vind het leuk, moeder zijn, en het gaat goed. Denk ik. Hoop ik. Maar het is best veel verantwoordelijkheid. Je moet alles overboord gooien wat je weet, anders red je ’t niet. Je hele zijn wordt anders, zodra je een kind krijgt. Want wie ben ik om een kind te krijgen? Hoe vaak gaat er niet door mijn hoofd: als ik iets te hard schud, dan is hij dood. Zulke dingen.

“Eigenlijk wilde ik nooit per se kinderen. Tot ik mijn man ontmoette. En dan dacht ik plots: natuurlijk wil ik kinderen. Met hem. Dat is heel belangrijk uiteraard: op m’n eentje had ik het nooit gedaan. Ik kan nu ook beter de vinger ­leggen op wat er is misgelopen toen ik jong was. Ik weet hoe moeilijk het is om één kind te hebben, en mijn ouders hadden er vijf. Ik begrijp nu wat er niet gelukt is, en ik snap nu ook veel beter wat er wél gelukt is. Dat ben ik veel meer gaan ­waarderen: ik heb nu ook veel meer respect voor mijn moeder. Dat wil niet zeggen dat ik de pijn niet meer voel, maar ik weet nu waar die pijn ­vandaan komt.”

Platina, een coproductie van Toneelhuis en Zuidpool, speelt vanaf 19 april in Toneelhuis, Antwerpen. Daarna op tournee. toneelhuis.be

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.