Dinsdag 27/09/2022

InterviewWouter Hendrickx

Acteur Wouter Hendrickx: ‘Ik ben blij dat ik van de medicatie af ben, maar het is moeilijker dan ik dacht’

null Beeld Rebecca Fertinel
Beeld Rebecca Fertinel

In de Iers-Canadees-Vlaamse misdaadserie Hidden Assets, nu te zien op Streamz, speelt Wouter Hendrickx (46) de achtste flikkenrol in zijn carrière. Ook in het nieuwe seizoen van De twaalf tekent hij present. Professioneel gaat het hem voor de wind, maar ’s nachts komen de vossen. ‘Mijn slaapkamer zit vol demonen.’

Sue Somers

Met een hippe bril op zijn neus en een brede glimlach op zijn lippen stapt Wouter Hendrickx in zijn thuisstad Antwerpen de brasserie binnen waar we hebben afgesproken. Het is de dag na de Oscaruitreiking en de veelbesproken klap die Will Smith aan Chris Rock uitdeelde zindert nog na, ook bij Hendrickx. “Ik vind het erg voor Will Smith”, bekent hij. “Naar mijn gevoel is dat iemand die vanwege zijn job de hele tijd over zijn grenzen is gegaan. En dan is er plots kortsluiting in de kop, een totale meltdown, terwijl de hele wereld erop staat te kijken.”

Niet dat Hendrickx het wil goedpraten. “Het blijft natuurlijk misplaatst. Bovendien had Will Smith op zoveel momenten kunnen stoppen: toen hij opstond, toen hij de trap opliep, toen hij pal voor Chris Rock stond. Maar hij had zichzelf niet onder controle.” Hendrickx denkt te weten waarom. “Onlangs zag ik Smith in een YouTube-reeks, een soort ‘auto-reality’. Na de opnames van King Richard was hij in een depressie gezakt en leed hij aan overgewicht. Iedereen kent hem als de fitte, grappige, slimme komiek – een soort supermens, het bordkartonnen figuur dat je in de cinema ziet. Wel, in die minireeks – acht afleveringen van twintig minuten – laat hij zien dat hij een gewone mens is met onzekerheden, angsten en demonen. Hij laat ongegeneerd in zijn gezin kijken en legt zijn hart op tafel. En zoveel maanden later gebeurt dit. Dan denk je: die ket zit daar nog altijd in. Niets menselijks is hem vreemd.”

BIO

geboren in Halle, in 1975 / studeerde in 1997 af aan Studio Herman Teirlinck in Antwerpen / acteerde in de theaterproducties Titus Andronicus, Van de brug af gezien en Het litteken lip / werd bekend als Dimitri Tersago, de sidekick van de commissaris in Witse / speelde mee in de films Adem, Het vonnis, Verlengd weekend en Niet schieten / was o.a. te zien in tv-reeksen ­Cordon, Code 37, Storm Lara en ­Undercover / ontving in 2010 een Vlaamse Filmprijs (nu: Ensor) voor beste bijrol als nonkel Petrol in De helaasheid der dingen

Het is bijna akelig hoe deze bespiegeling ook van toepassing zal blijken op Hendrickx zelf, maar daarover later meer. Ik vraag hem of hij intussen hersteld is van zijn coronabesmetting. Hij kijkt niet-begrijpend op. “O, je bedoelt vorige week? Nee nee, dat was een vals positieve test. Gelukkig! Ik ben aan het filmen voor De twaalf en voor intieme scènes moet je nog altijd getest worden. Toen ik een vechtscène moest spelen, legde ik een positieve zelftest af, maar de pcr-test nadien bleek negatief.”

“Je kan niet geloven hoe vaak ik de afgelopen maanden een stok in mijn neus heb gehad. Als acteur is het dikke miserie als je positief bent, want een productie kan niet zomaar stilgelegd worden. Bij De twaalf waren ze het draaischema al overhoop aan het gooien, wat uiteindelijk niet nodig was. Tijdens de opnames van het derde seizoen van Undercover heb ik wel covid gehad. Mijn scènes konden niet meer verplaatst worden, dus er zijn er een paar geschrapt of door een andere speler ingevuld.”

Laten we het even hebben over Hidden Assets. Ben je tevreden over de reeks?

“Het is een heftig project geweest. Ik zat in het speerpunt van het verhaal en moest er elke draaidag zijn, van ’s morgens tot ’s avonds. Er waren dagen bij van twaalf uur op de set. Om eerlijk te zijn, ik ben daarop leeggelopen. Ik heb drie maanden vollen tuub gegeven en daarna moest ik nog naar Ierland om scènes te draaien. Het resultaat mag er zijn, maar het is wat het is: een klassieke politieserie.”

Hoe is het om in het Engels te spelen?

“Vermoeiender dan in je eigen taal. Behalve al mijn tegenspelers was ook een van de twee regisseurs Engelstalig. Je speelt dus niet alleen in het Engels, maar je moet ook in het Engels communiceren. Gelukkig mocht ik met een accent spreken. De Ieren zijn wel strenger op het scenario. Een schrijver wordt er met de nodige egards behandeld. Als je een zin verandert, komt iemand van script op je vingers tikken: ‘Oei, daar zal Peter niet mee akkoord gaan.’ Waarop ik zei: ‘But Peter is not here, and I’m saying the lines.’ Sommige dialogen waren geschreven alsof het Engelse literatuur was. Sorry, maar zo spreekt een Vlaamse flik niet. De regisseur had daar wel oren naar, maar beperkt. In Vlaanderen kan je meer doen met een rol.”

Het was voor jou weer een flikkenrol. Aan de hoeveelste zit je intussen?

“Even zien... (neemt zijn gsm, scrolt door zijn IMDb-pagina en telt de producties waarin hij een agent vertolkt) Dit was de achtste.”

Je bent er duidelijk nog niet op uitgekeken.

“Tja, er worden nu eenmaal veel misdaadseries gemaakt, ook in het buitenland. Het is een genre dat extreem wordt uitgemolken en waar een publiek voor blijft bestaan. Misschien omdat mensen graag ellende zien bij anderen, of omdat ze dan kunnen binnengluren? Ik sluit niet uit dat ik het in de toekomst nog ga doen, maar ik ga niet zomaar eender welke flik spelen. Als er niet genoeg vlees aan zit, zeg ik neen, een overweging die ik bij elke rol maak.”

Er zijn niet alleen veel Vlaamse krimi’s, ze zijn ook bijna allemaal plotgedreven: het draait vaak om wie het heeft gedaan en hoe. Buitenlandse series zetten meer in op karaktergedreven scenario’s, ook als het over misdaad gaat. Ik denk aan Saga Noren in The Bridge of V.M. Varga, de ultieme slechterik in de Fargo-reeks. Dat soort uitvergrotingen kennen wij toch minder. Stoort jou dat?

“En toch worden er bij ons interessante en alsmaar betere producties gemaakt. Op sets en in productiehuizen verwijst men graag naar uitzonderlijke buitenlandse series, zoals Big Little Lies. Daar wordt dan mee gedweept, maar no way dat de sector hier zulke risico’s neemt. Ze zijn allemaal bang om hun nek uit te steken. Een personage dat rookt? Mag niet. ‘Het is voor een reeks op een zender met een voorbeeldfunctie.’ Laatst moest ik iemand achtervolgen en sprong ik in een auto. ‘Wel je gordel aandoen, hè!’ Hoezo? Dat klopt noch in de scène, noch voor het personage. Hoe zegt Bart Peeters dat ook alweer, wanneer hij Cas Goossens imiteert in Het Leugenpaleis? Dames en heren, na zakt men gat oepe van verboazing!”

‘Ik heb het moeilijk met dit tijdperk van hypercorrectie. Ben ik zonder het te beseffen een grumpy old man geworden, zoals die twee in The Muppet Show?’ Beeld Rebecca Fertinel
‘Ik heb het moeilijk met dit tijdperk van hypercorrectie. Ben ik zonder het te beseffen een grumpy old man geworden, zoals die twee in The Muppet Show?’Beeld Rebecca Fertinel

Welkom in het tijdperk van de hypercorrectie.

“Ik heb het daar moeilijk mee. Tot op zekere hoogte begrijp ik dat en vind ik dat ook belangrijk, maar ik kan niet zeggen dat ik het er volledig mee eens ben. Voor mij druist het in tegen de basisgedachte waar het om draait, namelijk het spel en de fantasie. (Met nadruk) Je bent aan het spé-len! Als ik een podium opstap en zeg dat ik een zwarte vrouw van 97 jaar ben, dan bén ik dat ook, want ik zeg het en ik speel het.”

Voel je je op zo’n moment oud?

“De leeftijd speelt mee, ja. Maar je vraagt je vooral af: ben ik zonder het te beseffen een grumpy old man geworden, zoals die twee in The Muppet Show?

Face it: je bent een witte heteroseksuele man van bijna vijftig jaar.

(zucht) “Onlangs hernam ik met Stijn Van Opstal en Geert Van Rampelberg Het litteken lip van Pieter De Buysser, een stuk dat we achttien jaar geleden al eens speelden. Dat was uitzonderlijk, omdat het alles was wat het niet meer mag zijn: drie blanke mannen van middelbare leeftijd op de scène. Daarvan zegt een programmator of theaterdirecteur: dat interesseert mij niet meer.

“Tien jaar geleden speelde ik Titus Andronicus in de KVS. Ik was de Moor, met zwarte strepen op mijn gezicht. Voor mij was dat geen blackface, maar waren dat krijgersstrepen, zoals bij een indiaan, die nodig waren voor mijn rol. Dat zou vandaag niet meer kunnen.”

Het niveau van de Vlaamse fictie is erop vooruitgegaan, zei je daarnet. Waaraan merk je dat?

“De grootste stap is volgens mij gezet bij de regie. Er zijn regisseurs opgestaan die een duidelijke visie hebben en keuzes durven maken. Ik heb met bewondering gekeken naar Twee zomers. Hoe dat eruitziet, de manier waarop het gefilmd is, de muziek, de locatie… Dat is internationale kwaliteit die je niet elke week op zondagavond ziet. Het eerste seizoen van De twaalf had dat ook, net als Tabula rasa en De Patrick, de film van Tim Mielants.

“Maar ik merk ook dat scenario’s vaak nog het zwakke punt blijven. Het is zeker verbeterd, maar het blijft kwetsbaar.”

Kijken je gezinsleden naar alles wat je maakt?

“Nee. Toen ik haar leerde kennen, had mijn vrouw zelfs een uitgesproken mening over Vlaamse fictie: ze vond het maar niks. Toen ben ik toch even op de rem moeten gaan staan. (lacht) Ook Lenny, mijn zoon van 16, heeft amper iets van mij gezien. Maar ik vind dat oké. Ik ben blij met mijn job, ik doe het graag, maar ik heb er een haat-liefdeverhouding mee. Het komt weinig ter sprake thuis. Toen het er onlangs toch over ging, heb ik Lotte en Lenny De helaasheid der dingen en het eerste seizoen van Cordon aangeraden. Daar ben ik fier op.”

Je vrouw mag dan niet alles van je werk hebben gezien, ze helpt je wel om je personages te doorgronden. Jullie lezen samen jouw scenario’s, vertelde ze in een Humo-interview.

“Klopt, zij heeft daar een gave voor. Lotte is een lerares, ze komt niet uit de toneelwereld – al heeft ze wel even op het RITCS gezeten en in de KVS gewerkt. Ze kent haar weg in die wereld. Als ze iets leest, haalt ze er zó de menselijke verhoudingen en emotionele gelaagdheden uit – sneller dan ik, terwijl ik al van mezelf vind dat ik dat goed kan. (lachje) Die gesprekken helpen mij: ik krijg dramaturgisch een duidelijker zicht op de scènes en het personage dat ik moet spelen.”

In datzelfde interview noemde ze je ook hoogsensitief. Hoe ervaar jij dat?

“Als een grote last en een constant gevecht. Ik kan weinig filteren. Alles pik ik op, ook dingen waar ik niets mee te maken heb. In een winkelstraat of op een plek waar veel volk bijeen is, raak ik makkelijk overprikkeld. Als ik nu een kind was, zouden er allang een paar etiketten op mijn hoofd plakken.”

Hoogsensitieve mensen zijn erg empathisch. Is dat een troef in je werk? Ben je gevoeliger voor tegenspel, opmerkingen van een regisseur, de sfeer op de set?

“Zeker. Maar in het gewone leven vind ik het moeilijk. Ik ga vaak over mijn grenzen. En ik hoor altijd het slechte. Als ik 99 complimenten krijg en één negatieve commentaar, onthoud ik dat laatste. Minder dan vroeger, maar toch. Ik probeer daarop te focussen, op de goeie dingen.

“Maar als ik onderuitga, zal dat niet aan iemand anders liggen. Ik ben mijn eigen vijand: ik haal mezelf constant onderuit. Ik neig nogal snel naar het donkere. Elke nacht heb ik last van angstaanvallen. Meer dan tien jaar lang heb ik zware antidepressiva genomen. Op eigen initiatief en op eigen kracht heb ik me laten begeleiden om daarvan af te raken. Dat is gelukt – ik leef nu acht maanden zonder – maar ik voel nog altijd de naweeën ervan.”

‘Op een plek waar veel volk bijeen is raak ik makkelijk overprikkeld. Als ik nu een kind was, zouden er allang een paar etiketten op mijn hoofd plakken’ Beeld Rebecca Fertinel
‘Op een plek waar veel volk bijeen is raak ik makkelijk overprikkeld. Als ik nu een kind was, zouden er allang een paar etiketten op mijn hoofd plakken’Beeld Rebecca Fertinel

Welk verschil merk je?

“Dat mijn slaapkamer nu ’s nachts vol demonen zit. De nacht jaagt mij schrik aan, ik ben bang om te gaan slapen omdat ik niet kán slapen. Alles wordt groot en onoverkomelijk en ik krijg mijn hoofd niet stil. Ik probeer van alles om het beest te temmen: van meditatie tot ’s nachts met de hond gaan wandelen, die daar dan geen behoefte aan heeft omdat hij rustig ligt te slapen.

“Op mijn 46ste kom ik erachter dat ik een angstige mens ben. Ik beschouw het als een periode waar ik door moet. Ik ben blij dat ik van de medicatie af ben, maar het is moeilijker dan ik dacht. Zelfzorg is nu het belangrijkste voor mij: ik moet op tijd de rempedaal indrukken en mij afzonderen om tot rust te komen. Sporten helpt. Aan het einde van mijn straat in Deurne ligt het Boekenbergpark, waar ik vaak ga fitnessen. Soms duik ik er de ecologische zwemvijver in. Ik ga naar een therapeut en osteopaat, ik let op mijn voeding en sta open voor alternatieve invalshoeken.

“Ik ben eens op stap gegaan met een sjamaan om de demonen uit mijn lichaam te verdrijven. Iets met veel rook, ritselende bladeren, getrommel en medicinale paddenstoelen. Ik ben bewust op zoek gegaan naar alternatieven voor die medicatie. Ik was er afhankelijk van geworden, had het gevoel dat ik constant onder een deken zat. Als je dat deken weghaalt, komen er dingen naar boven waarvan je dacht dat ze allang weg waren. En ineens is daar dat monster dat me onzeker maakt en zegt dat het allemaal niet goed genoeg is. Ik weet dat dat monster liegt, maar het is er wel.

“Ik ga ook op zoek naar zaken om me over op te jagen, tot ik uitkom bij een soort doodsangst. Tijd vind ik bijvoorbeeld een moeilijk gegeven. Het is absurd en zo ongrijpbaar, het is voortdurend in beweging. Alles gaat de hele tijd voorbij, een gedachte waar ik het als kind al moeilijk mee had. Terwijl je dat ook als een kracht kan zien: het goede gaat voorbij, maar het slechte ook.” (lacht)

Wat wilde je worden toen je jong was?

“Acteur. Dat wist ik al van mijn elfde. Ik speelde voetbal, maar dat was het niet. Toen ik op woensdagmiddag ging toneelspelen, voelde ik me thuiskomen. Mijn vader nam me in het weekend mee naar de Grand Eldorado in Brussel (art-decofilmzaal, nu UGC De Brouckère, red.) en met mijn moeder ging ik naar het jeugdtheater in de Beursschouwburg. Dat heeft een blijvende indruk nagelaten die ik op mijn beurt doorgeef aan mijn zoon en de kinderen van mijn vrouw. We kijken samen naar films en gaan vaak naar de cinema. Ik vertel daar ook graag over: als ik met mijn zoon naar de film ga, speel ik de filmdocent en vertel ik over de makers of de betekenis van de film. Onlangs ben ik met hem naar de The Batman gaan kijken in Koninklijk Theater Tuschinski in Amsterdam. Zodra je daar binnenwandelt, betreed je een waar filmparadijs (Tuschinski is ooit uitgeroepen tot de mooiste cinema ter wereld, red.). Alleen al ernaartoe gaan, is een ervaring.”

Met welke films ben je zelf opgegroeid?

“Vroeger was er geen VTM, dus keken we naar de BRT en naar Franse en Nederlandse zenders. Ik heb veel Franse politiefilms en comedy’s gezien die mijn oudere broer en ik naspeelden, hij als Alain Delon, ik als Jean-Paul Belmondo. Ook als we de koers naspeelden, was er een vaste rolverdeling: mijn broer was Eddy Merckx, ik Bernard Hinault.

“The Indian Runner, het regiedebuut van Sean Penn, is de film die ik het vaakst gezien heb. Als tiener was het mijn lijffilm, en Viggo Mortensen, de hoofdrolspeler, is altijd mijn favoriete acteur gebleven.”

‘Toen ik mijn vrouw leerde kennen had ze een uitgesproken mening over Vlaamse fictie: ze vond het maar niks. Ook mijn zoon heeft amper iets van mij gezien. Maar dat is oké’ Beeld Rebecca Fertinel
‘Toen ik mijn vrouw leerde kennen had ze een uitgesproken mening over Vlaamse fictie: ze vond het maar niks. Ook mijn zoon heeft amper iets van mij gezien. Maar dat is oké’Beeld Rebecca Fertinel

Je bent afkomstig van Halle en een kind van de jaren tachtig: de Bende van Nijvel heeft vast je jeugd gekleurd.

“Op de speelplaats van de lagere school leefde dat hard, ja. Willem Wallyn heeft er met 1985 een fictieserie over geschreven die binnenkort op tv komt. Ik heb mezelf aangeboden voor een rol: ‘Ik heb dat van dichtbij meegemaakt!’ Maar ze zijn me vergeten terug te bellen.” (lacht)

Na al die jaren is de ultieme film over de Bende nog altijd niet gemaakt. Met Niet schieten, waarin je een bijrol had, heeft Stijn Coninx de gebeurtenissen verfilmd vanuit het standpunt van de slachtoffers, maar het verhaal van binnenuit is nog nooit verteld.

“Omdat de ware toedracht nog altijd onduidelijk is, hè. Al is het ook een kwestie van lef: ik denk dat veel scenarioschrijvers niet durven.”

Het is een rode draad in de Belgische filmgeschiedenis: de zwaarste periodes in ons land zijn nooit verfilmd. Over Marc Dutroux, Leopold II en de Bende van Nijvel bestaan alleen docu’s. Scenaristen blijken maar niet te kunnen raken aan onze grote collectieve trauma’s.

“Ja, opmerkelijk. Ik ben lang gefascineerd geweest door de moord op André Cools. De namen van de daders alleen al lazen als de namen van personages in een maffiafilm. Tunesische huurmoordenaars die door de Siciliaanse maffia waren gerekruteerd: waanzin! Ook over de bende van Patrick Haemers heb ik artikels bijgehouden. Haemers was voor mij een soort Alain Delon, een Franse filmster. Dat is ook zijn ondergang geweest. Toen hij in Brazilië werd opgepakt in zijn blauw-wit gestreepte T-shirt en met dat blonde haar, zag hij eruit alsof ze hem van de rode loper in Cannes hadden geplukt.

“Je zou daar geweldige films over kunnen maken. Geen actiefilms – de arena zou voor mij bijkomstig zijn – maar verhalen over het menselijke, het waarom, de pijn. Maar ik ben geen scenarist. Ik ben in de eerste plaats een speler, al zou regisseren me niet slecht afgaan. Ik geef graag speeltips.”

In 1997 ben je afgestudeerd aan Studio Herman Teirlinck, waardoor je nu 25 jaar aan de slag bent als acteur. Heb je bijgedachten over een kwarteeuw spelen?

(knikt) “Ik heb me voorgenomen om geen toneel meer te spelen. Ik raak ontregeld als ik mij overdag moet inhouden om ’s avonds te kunnen pieken – ik voel me dan als een piloot die door verschillende tijdzones vliegt. Na een voorstelling zit je boordevol adrenaline. Vroeger ging je dan op stap, nu ga je naar huis en zit je klaarwakker in de zetel terwijl iedereen is gaan slapen. Op den duur werd dat een soort vampierenbestaan: ik ging slapen wanneer mijn gezin opstond.

“De tol van de podiumkunsten wordt zwaar onderschat. Eens je naar de vijftig gaat, begin je roofbouw te plegen op je lichaam. Ik zeg niet dat ik nooit nog op het toneel ga staan, maar de komende tien jaar wil ik graag vullen met tv, film en stemmenwerk. Het is vooral het gebrek aan structuur dat mij heeft genekt. Toen ik afstudeerde aan de toneelschool werd er nogal fier gezegd: wij zijn hier omdat we ervoor gekozen hebben niet mee te doen met het systeem. Maar de keerzijde is dat elke vorm van structuur uit jezelf moet komen. Begin er maar aan, hè. Als je nergens moet zijn, loop je verloren in je eigen vrijheid.”

Neem je soms een rol mee naar huis?

“Dat overkomt me niet vaak. De eerste keer dat ik het meemaakte, was tijdens het filmen van De helaasheid der dingen. Toen ben ik in het treinstation uitgevallen tegen een vrouw achter het loket. Op z’n nonkel Petrols, dus die vrouw moet gedacht hebben dat ik een of andere marginaal was. (lacht) Maar ik besefte snel wat er gebeurd was: ik had mijn kostuum niet uitgedaan.

“Op een bepaald moment ben ik filmen gaan beschouwen als diepzeeduiken. Een duiker kan niet zomaar uit het diepe naar boven komen: je moet in stadia acclimatiseren aan de druk. Vroeger vond ik dat allemaal zever, ik dacht dat ik zonder verpinken uit mijn rol kon stappen. Maar het is noodzakelijk om in de decompressiekamer te gaan zitten en de druk te laten zakken voor je terugkeert naar het normale leven.”

In 2019 speelde je mee in Bergman Island, een film over een Amerikaans koppel dat zich terugtrekt op een Zweeds eiland om aan hun filmscripts te werken. Wil je nog vaker in het buitenland gaan spelen?

“Ja, maar ik ga er niet actief naar op zoek. Vroeger heb ik vaak nee gezegd tegen buitenlandse voorstellen, omdat ik thuis wilde zijn als vader en als partner. Misschien heb ik daarin overdreven. Ver hoeft het niet te gaan: Nederland en Frankrijk zijn voor mij ook al goed. Vorig jaar was ik gecast voor een reeks in Zwitserland, maar ik moest afzeggen omdat ik het niet kon combineren met Hidden Assets. (trots) Ik spreek geen letter Duits en toch wilden ze mij voor een Zwitserse serie!”

‘Ik dacht lang dat ik zonder verpinken uit een rol kon stappen. Maar filmen is als diepzeeduiken: je moet de tijd nemen om de druk te laten zakken voor je terugkeert naar het normale leven’ Beeld Rebecca Fertinel
‘Ik dacht lang dat ik zonder verpinken uit een rol kon stappen. Maar filmen is als diepzeeduiken: je moet de tijd nemen om de druk te laten zakken voor je terugkeert naar het normale leven’Beeld Rebecca Fertinel

Die Zwitsers spreken sowieso een raar soort Duits.

“Haha! Ik dacht: fuck it, ik neem een taalcoach. Maar we gaan het niet auf Deutsch doen, we gaan het doen auf mein Deutsch. Dus zei ik tegen de coach: zó wil ik het zeggen, ik wil dat je het letterlijk voor mij vertaalt, in mijn rare Duits. En ik had de rol! Verder kun je me niet uit mijn comfortzone trekken. Zulke dingen lijken me leuk. Maar ambities om de oceaan over te steken heb ik niet. Ik heb daar niets te zoeken.”

Wat mag ik je dan wensen voor de volgende 25 jaar?

(denkt na) “Een goede nachtrust. En inner peace, zoals de schildpad zegt.”

De schildpad?

“Ken je die niet? Master Oogway, de kungfumeester in de tekenfilm Kung Fu Panda. Zit boordevol levenswijsheid en heeft het altijd over inner peace. Dat lijkt me wel iets. Zodat ik altijd de goeie dingen zal blijven zien.”

Met dank aan Stormkop (Antwerpen) voor de locatie.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234