Maandag 27/01/2020
Peter De Graef (57).

Interview Peter De Graef

Acteur Peter De Graef: ‘We poetsen wel onze tanden, maar nooit ons binnenste’

Peter De Graef (57). Beeld Johan Jacobs

De eindejaarsverlichting hangt nog op, de goede voornemens zijn vers. Theatermaker, acteur en auteur Peter De Graef (61) wordt steeds vaker gevraagd om zijn licht te laten schijnen op het leven en hoe ermee om te gaan. Zijn vertellingen op YouTube zijn een merkwaardige hit. Dat het leven hem zelf niet vaak verwend heeft, blijkt plots een schat aan gidsende ervaring op te leveren.

“Wij zijn een proper volk, en poetsen onze huizen en tanden goed. Maar hoe we er vanbinnen uitzien, daar houden we ons niet mee bezig. Ons binnenste poetsen we nooit. Geen wonder dat we last krijgen van spanningen en zo.” Peter De Graef zit nooit om een beeld verlegen.

Hij is bekend van onder meer de tv-reeksen Den elfde van den elfde en Zie mij graag, en theaterproducties met Malpertuis, De Kolonie MT en Paardenkathedraal. Maar bij tijd en wijle vindt hij tegenwoordig ook een ander, breder publiek via monologen die hij op YouTube verspreidt.

Peter De Graef praat met ogen en handen, en staat geregeld op om koffie of thee bij te vullen in zijn rommelige leefruimte in de buurt van Damstation in Antwerpen. Als vanzelf kwam de expressieve tiener in het theater terecht. Zijn teksten gaan vaak over de ‘poppenkast’ van het leven zelf.

Peter De Graef: ‘Ik heb zo’n kindertijd gehad dat, als ik een moord zou plegen, een beetje advocaat me vrij zou weten te lullen.’ Beeld Humo / Johan Jacobs

“Acteren kwam natuurlijk voor mij, ik moest daar geen moeite voor doen. Toen mijn jeugdvriend Luk Perceval auditie ging doen voor een theateropleiding bij het Koninklijk Conservatorium in Antwerpen vroeg hij me om mee te gaan. Ineens stond ik zelf auditie te doen en werd ik aangenomen. Zelf had ik lange tijd geen hoge dunk over acteur zijn, ik vond het iets voor aanstellers. Pas rond mijn veertigste heb ik het vak echt leren appreciëren. Het is een heel fijne manier om je brood te verdienen, en je werkt in een sector waarin je kwetsbaar mag en moet zijn.”

De strijd van de mens met zijn ego is een weerkerend thema in je werk. Hoe zie je dat?

“We denken dat we onze ‘ik’ zijn, maar wat is dat ‘ik’? Als ik jou vraag wie je bent, wat zeg je dan? Je naam, misschien ook je beroep of achtergrond, en als ik zou doorvragen misschien iets over je overtuigingen, of God wel of niet bestaat bijvoorbeeld, en over je voor- en afkeuren. Zoals: ik hou van dansen. Dat is niet wie we zijn, dat is alleen maar het kostuum dat we aantrekken: onze buitenkant, onze identificaties, onze overtuigingen. En daar beginnen de problemen: ik wil bewijzen dat ik besta door carrière te maken, door succes te hebben, veel geld te verdienen, macht te vergaren, goede seks te hebben met een mooie partner, enzovoort. Op zich niks mis mee. Als we dat krijgen, denken we: Wow, heerlijk, meer van dat! Meer, meer! En als dat lukt, voelen we ons fantastisch. En als we dat niet krijgen, gaan we aan onszelf twijfelen. Als we bijvoorbeeld ontslagen worden, of ons project of een relatie gaat totaal de mist in, is het diepe ellende. Oei, het lijkt of ik er niet toe doe! Besta ik nog wel? Ziet iemand mij wel? En hup, het ego gaat opnieuw op zoek naar bevestiging, naar liefde, naar applaus. En die carrousel gaat maar door, en die doet relaties draaien, heerlijk. En maakt er daarna vaak drama’s van, vreselijk.”

Relaties zijn ook een sterk onderwerp in je werk. We modderen maar wat aan, zo lijkt het in je stukken…

“Ik zie een relatie als een middel in onze ontwikkeling. In mijn theaterstuk Rudi zegt Marie: ‘Een relatie is een snelkookpan, en de partner is het vuur daaronder. De meeste mensen proberen dat vuur af te zetten. Maar het gaat nu net om het garen, om het zacht worden.’ Door de kracht van de liefde die binnen de relatie opbloeit, ga je zo ontspannen dat de dingen die je standaard onderdrukt vanzelf de kop opsteken. Dan kom je jezelf tegen, en op dat moment kom je ook vaak in relatieproblemen terecht.”

Kan je wat concreter zijn?

“Ik heb net tien jaar samengeleefd met iemand met wie ik haast nooit ruzie gemaakt heb. Weinigen zo vriendelijk als zij, dat hoorde ik ook vaak van vrienden. Na tien jaar besliste ze dat ze niet langer behoefte had aan onze relatie, ze had nood aan iets anders in haar leven. Dat wil je niet horen als partner. Het was een klap, verschrikkelijk moeilijk. Op een bepaald moment zaten we samen bij een therapeut en die zei: ‘Dat moet toch pijn doen, wat je vriendin hier nu zegt.’ Waarop ik: ‘Ja, maar ik ben het al gewend.’ En ineens besefte ik: ze lijkt in bepaalde opzichten op mijn vader, dáárom werd ik door haar aangetrokken. De liefde die ik bij hem niet kon vinden leek wel te lukken bij haar. Dat bedoel ik dus met van alles projecteren op elkaar. Je wilt oude zaken oplossen bij elkaar.”

“De ideale partner voor jou is diegene met wie je nu bent. Je mag ervan gaan lopen, maar je gaat iemand van hetzelfde type tegenkomen. Als je die les hebt geleerd, dan kan je samen stappen zetten. Denk niet: het ligt aan de ander, die moet veranderen. Je kunt alleen jezelf veranderen. En door dat te proberen kom je erachter hoe moeilijk het moet zijn voor de ander om zichzelf te veranderen. Als je in staat bent om allebei apart te gaan zitten en te zeggen ‘ik kan jou alleen maar nemen zoals je bent, maar wat kan ik aan mezelf veranderen?’, dan kan de liefde zich verdiepen naar hoogtes zoals je die niet voor mogelijk had gehouden. Het is iets prachtigs, ik ken niets beter dan de liefde tussen man en vrouw. En soms lukt het niet en moet je elkaar loslaten. It sucks. Het doet zeer maar dat is oké, want dan krijg je weer andere kansen om te leren.”

Uw eigen kindertijd was een moeilijke periode. 

“Mijn moeder stierf ongeveer zes weken na mijn geboorte aan een ziekte. De eerste jaren van mijn leven groeide ik vooral op bij mijn tante en bij mijn grootouders. Zij woonden in een eenvoudig huis zonder televisie of warm water, wel met elektriciteit. Ik heb fijne herinneringen aan die jaren, bijvoorbeeld aan hoe ik bij mij grootvader op de schoot zat met een groot prentenboek. Bij een afbeelding met de baron van Münchhausen verzon ik dat hij op twee kanonskogels door de wereld reisde en onderweg stoute kinderen meenam. Toen het wat later onweerde en de wind kletterde tegen het schuurtje, liep mijn grootvader roepend en tierend met een riek naar buiten: ‘Vervloekte baron van Münchhausen, jij komt er niet in!’ Mijn grootmoeder stopte mij in een kast om me te beschermen. Met onze verbeelding schiepen we een werkelijkheid. Mijn vader was fysiek beperkt door polio en emotioneel niet erg stabiel, maar bij mijn grootouders en het gezin van mijn tante heb ik liefde gevoeld, een kudde waarin ik geborgen was.”

Dat klinkt dan toch als een warme jeugd…

“Niet echt. Ik heb zo’n kindertijd gehad dat, als ik een moord zou plegen, een beetje advocaat me vrij zou weten te lullen. Mijn vader was een trotse man, die door zijn fysieke beperking geen handenarbeid kon doen, en werk vond als bediende. Hij wilde zijn familie niet opzadelen met zijn kinderen. De eerste negen maanden van mijn leven werd ik op drie verschillende adressen ondergebracht. Hij vond mij telkens huilend terug, en in vuile luiers. Mijn tante en grootouders hebben zich dan over mij ontfermd tot mijn vader besliste mij naar een kostschool te sturen. Ik was toen vijf.”

U was eigenlijk nog een kleuter toen. Hoe ging dat op die kostschool?

“Als kind ben je heel empathisch en loyaal. Ik voelde dat dit geen makkelijke beslissing was voor vader, en wilde het niet nog moeilijker maken door mijn verdriet en onzekerheid te tonen. Ik was doodsbang, daar achter in het 2 pk’tje van vader. Wat als ik naar de wc moest en niet wist waar ik moest zijn? Wat als ik het eten niet lustte? Ik durfde die vragen niet uit te spreken. ‘Na twee maanden mag je naar huis komen’, had mijn vader gezegd, maar een kind van vijf weet niet wat twee maanden zijn. Dus na een uur dacht ik: nu zullen ze wel om zijn, de twee maanden, nu zal hij komen. Er komt niemand. Ah nee, hoe dom, ik had een valiesje met een pyjama erin: het was dus om te blijven slapen.”

“ ’s Morgens dacht ik opnieuw: nu zal ie komen! Die komt niet, die komt alsmaar niet. Wat denk je dan? Ze zijn dood, heel mijn familie is dood. Ik moet hier blijven tot ik groot ben. Ik liep te huilen, en dan kreeg ik tikken van de opzichter: ‘Allee, joenk, stop eens met dat geblèt!’ Kinderen werden met hun neus in de vuile lakens gedrukt als ze geplast hadden in bed. Er werd veel geplast. Het eten was zo slecht dat we het soms stiekem in onze zakdoek duwden om het in de wc door te spoelen.”

Heeft u geen enkele warme herinnering aan die tijd?

“Niet echt. Ik herinner me nog de exacte plaats waar ik besloot: er is er maar één iemand die kan ophouden met huilen en dat ben ikzelf. Ik heb overleefd door me in twee te splitsen: een volwassen deel dat zich aanpaste en ophield met wenen en een verdrietig deel dat ik wegstak. Ik voelde nog wel, maar ik leerde toen om daar beton over te gieten in een poging om gehoorzaam te zijn en te worden zoals vader. Om dat pijnlijke stuk niet te voelen heb ik als tiener en volwassene mijn toevlucht gezocht in drank en drugs, jarenlang. Mijn werk als acteur, schrijver en regisseur liep intussen gewoon verder.”

“Veel later pas kwam het verdriet van die kindertijd eruit. Er zijn veel volwassenen en kinderen die blijven rondlopen met zo’n laag beton. Het doet zeer om die laag open te breken, maar wat een bevrijding!”

Je spendeert ook veel tijd aan meditatie. Wat haal je daaruit?

“Dat heeft een gigantisch verschil gemaakt in mijn leven. Over meditatie had ik al veel gelezen, maar dat was vooral theoretisch. Rond mijn veertigste, toen ik aan het regisseren was in Amsterdam en daar een pied-à-terre had, ben ik pas beginnen te mediteren. Eerst enkele minuten per dag, daarna steeds langer. In het begin gaat mijn wezen daar soms nog steeds tegen in het verzet, maar als ik doorzet wordt het heerlijk. Door je aandacht te trainen ga je veel preciezer zien hoe jezelf in elkaar zit, en je relaties, en het leven in het algemeen. De manier waarop we de wereld zien verandert onze werkelijkheid. Een misantroop ziet alleen een ellendige wereld en komt dat ook tegen, een optimist het omgekeerde. Eigenlijk leven we allemaal in een verhaal, en denken we dat dat echt is. We gedragen ons ernaar, en dan worden we dat verhaal. Dat inzien geeft een grote vrijheid. Een mens houdt nooit op te verlangen, never, we kunnen niet zonder. Dat is ook iets moois. Ga helemaal voor wat je wilt, honderd procent, en laat het resultaat dan los en kijk wat er gebeurt. Dat is vrijheid.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234