Zondag 25/08/2019

Recensie

A Bowie Celebration in de AB: puike coverband maar nothing beats the real thing

Beeld Alex Vanhee

Het is alweer drie jaar geleden dat David Bowie zijn grote verdwijntruc toepaste en op artistiek verantwoorde wijze in een ‘Blackstar’ transformeerde. Maar de vele muzikale sporen die de man heeft achtergelaten, vallen niet zomaar uit te wissen. Dus trekken enkele Bowie-veteranen nu de wereld rond met een show waarin ze de classics van hun vroegere werkgever weer tot leven brengen. Hommage of opportunistische lijkenpikkerij? Van allebei een beetje, stelden we vast in de AB.

Dat er in Brussel enkel topmuzikanten op het podium stonden, hoort u ons niet tegenspreken. Voor knoeiers was in het Bowie-kamp nu eenmaal geen plaats. Maar zou u ook een kaartje hebben gekocht, mochten deze beslagen lieden de merknaam Bowie niet zo nadrukkelijk hebben uitgespeeld? Nu ja, we mochten al van geluk spreken dat de Thin White Duke niet postuum als hologram de hort op was gestuurd. Dienen goede songs niet om gespeeld te worden, ook als de schepper niet langer onder de levenden vertoeft? Als dat dan ook nog eens gebeurt door muzikanten die destijds op de originals te horen waren, raakt je nieuwsgierigheid vanzelf geprikkeld. De zaal waar David Bowie ooit nog met Tin Machine op het podium had gestaan, liep dus moeiteloos vol, want als fan wist je dat op het repertoire volstrekt niets af te dingen zou vallen.

Ceremoniemeester van dienst was de inmiddels 73-jarige Mike Garson, de toetsenspeler met wie Bowie 35 jaar en zestien langspelers lang had samengewerkt. Hij introduceerde meteen Bernard Fowler, de eerste van drie gastzangers en een meneer die al drie decennia de podia afschuimt met The Rolling Stones. In het esoterische ‘Bring me The Disco King’ bewees Fowler dat zijn gegroefde stembanden ook bij onverwachte weertypes hun grip op de weg behouden.

Beeld Alex Vanhee

Vervolgens kregen beide heren het gezelschap van nog enkele andere Bowie-alumni. Gitarist Earl Slick, die ooit nog John Lennon in de studio had bijgestaan en tussen platen als ‘Diamond Dogs’ en ‘The Next Day’ zijn expressieve snarenwerk regelmatig ten dienste stelde van The Dame, bleek niet verstoken te zijn van sterallures en trok regelmatig de aandacht naar zich toe. Zijn flamboyante rock-n-rollattitude contrasteerde fel met die van Mark Plati, een even behendige gitarist, maar iemand die zich veel minder uitsloofde om in de gratie van het publiek te vallen. Bassist Carmine Rosas was destijds te horen op ‘Let’s Dance’ en ‘Never Let Me Down’, maar de overige bandleden – drummer Lee John Medeloni (Slicks zoon) en de Nederlandse percussionist Jeroen de Rijk – hadden nooit rechtstreeks met David Bowie te maken gehad.

Geloofwaardig

‘Rebel Rebel’ luidde een feest van herkenning in, al werden de nummers zeker niet altijd slaafs nagespeeld. Fowler beet zich met evenveel appetijt vast in ‘Moonage Daydream’ als in het funky ‘Fame’ en gaf dan de microfoon door aan Corey Gover van Living Color. De laatstgenoemde bleek zingen als een vorm van gymnastiek te beschouwen, maar hij slaagde er wél in stilistisch sterk verschillende songs als ‘Young Americans’, ‘The Man Who Sold the World’ en ‘Ashes to Ashes’ op een geloofwaardige manier uit zijn keel te persen. Verrassend genoeg mocht ook Joe Sumner, de voorman van Fiction Plane én zoon van Sting, een deel van de songs voor zijn rekening nemen. Tijdens ‘Space Oddity’ en ‘Starman’ kreeg hij zelfs de hele AB aan het zingen.

De klassiekers volgden elkaar in hoog tempo op: het leek wel alsof iemand een handvol muntjes in de jukebox had laten glijden. Toch werd af en toe ook teruggegrepen op wat Engelstaligen ‘the deep catalogue’ noemen. Uit ‘Diamond Dogs’ kregen we bijvoorbeeld de suite ‘Sweet Thing’/Candidate’ voorgeschoteld, nummers die David Bowie zelf na 1974 live nooit meer uitliet. Mike Garson maakte van de gelegenheid gebruik om op zijn klavieren te demonstreren waarom hij door zijn collega’s de ‘maestro’ wordt genoemd. Zijn veelzijdige spel, bevrucht door jazz, klassiek, avant-garde, salsa, ragtime en alles daartussen, was een lust voor het oor. Dat gold ook voor zijn deraillerende uitweidingen in het door Corey Glover gezongen ‘Aladdin Sane’, al deed zijn ‘kijk-mama-zonder-handen’-virtuositeit soms een beetje opdringerig aan.

Beeld Alex Vanhee

Loos gaan

Het vingerknippende ‘Under Pressure’ was een duet tussen Fowler en Glover en ook ‘Sufragette City’ raasde met de kracht van een orkaan door de AB. Toen een armzwaaiende Sumner tegen het einde van de set nog eens loos mocht gaan in ‘Ziggy Stardust’ en ‘All the Young Dudes’, gaf de man zich helaas iets te vaak over aan goedkope volksmennerij. Ook zijn bombastische uitvoering van ‘Life On Mars’, tijdens de bissen, stelde onze vergevingsgezindheid zwaar op de proef. Maar zie, tijdens uitsmijter ‘Heroes’ viel zelfs Bernard Fowler vocaal door de mand. Zijn vertolking klonk alles behalve heldhaftig, wat maar weer eens bewijst dat David Bowie een performer was waar weinigen zich mee kunnen meten.

Mike Garson had weliswaar een puike coverband bij elkaar gefloten, maar voor wie de échte Bowie ooit aan het werk had gezien was zijn afwezigheid na afloop des te prangender. Al bij al vielen er weinig echte verrassingen te rapen. Ook was het ons een raadsel waarom de Brusselse show zoveel korter was dan, pakweg, de Nederlandse optredens. In de AB dus helaas géén ‘Station to Station’, ‘Lazarus’, ‘Quicksand’, ‘Win’ of ‘Five Years’. Oneerbaar was de Bowie Alumni Tour zeker niet. Het was fijn al die songs nog eens terug te horen. Alleen: nothing beats the real thing.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden