Maandag 14/10/2019

Lucky Luke

70 jaar Lucky Luke: alles wat u nog niet wist, maar altijd wilde weten

Lucky Luke zoals hij er in de beginjaren uitzag. Beeld 2016 Dargaud

De best verkopende Vlaamse stripauteur ooit? Dat was Morris. Zijn geesteskind Lucky Luke bestaat zeventig jaar. Zijn geschiedenis kent soms wat vreemde trekjes. Hierbij: alles wat u nog niet wist over Lucky Luke, maar altijd al wilde weten.

1. De Daltons zijn dood

Zijn de Daltons uit Lucky Luke gebaseerd op de echte Daltons? Ja, maar niet helemaal. De echte Daltons maakten rond 1890 de streek rond Oklahoma en Nieuw Mexico onveilig. Bank en treinovervallen, dat was hun core business. In de geschiedenis zijn Bob, Bill, Emmet en Grat meermaals versleten voor tuig van de richel, maar dat viel nogal mee. Bob en Gratton stierven vrij snel, Emmet zweerde na veertien jaar cel de misdaad af om schrijver, scenarist en acteur te worden. Slechts drie van de vier waren broers.

Morris baseerde er zijn dommige, in gevangenisplunje uitgeruste Daltons op en gaf hen dezelfde namen mee, maar maakte – in zijn woorden – “een stommiteit”, toen hij ze in het zesde album (1954) al liet sterven. Pas toen de verontwaardigde lezersbrieven bleven aankomen op de Spirou-redactie, besefte hij hoe populair het viertal al die tijd was geweest. Zijn latere scenarist René Goscinny kwam met dé oplossing. Ze terugbrengen uit de dood was onmogelijk voor wat een semi-realistische reeks moest zijn, dus voerde Goscinny vier neven op van de strip-Daltons. Hun namen: Joe, Averell, Jack en William.

2. Lucky Luke = Popeye + Gary Cooper

Luke’s fysiek was gebaseerd op die van animatiefiguren. De allereerste Luke had zelfs – zoals dat in de animatie gangbaar was - vier vingers. Zijn hoofd leek op dat van Popeye, zijn bewegingen deden denken aan die van Mickey Mouse. Hoe dat kwam? Morris had jaren in een Brusselse animatiestudio gesleten en wilde een eenvoudig figuurtje “dat tot een tekenfilm bewerkt zou kunnen worden”.

Pas toen hij als karikaturist en illustrator op de loonlijst kwam te staan van Het Laatste Nieuws en Télémoustique, zou hij die aangeleerde stijl veranderen en werd de cowboy steeds vaker in de richting geduwd van hoe we hem nu kennen. Maar de animatiebeweging bleef wel. Eind 1946 was Morris de enige striptekenaar die één beweging uitsmeerde over een reeks van vakjes met dezelfde as, zoals het een echte tekenfilmanimator beaamde.

Luke’ persoonlijkheid is dan weer in Hollywood te zoeken, in de figuur van acteur Gary Cooper. “Ik vind dat hij het beeld van de held uit die bepaalde periode -de tijd dat ik veel westerns zag- perfect belichaamt”, zei Morris. “Hij is groot, sterk en soepel.” Later zou hij er aan toevoegen dat Luke ook kenmerken bezat van twee andere acteurs: John Wayne en William Hart.

Het beroemde refrein ‘I’m a Poor Lonesome Cowboy…’ waarmee Lucky Luke een album eindigde, heeft ook met Gary Cooper te maken. Die zong de folk ballad namelijk aan het eind van ‘Along Came Jones’, een komische western van Stuart Heisler. Morris zag die film in 1947.

3. Morris’ research-trucs: van diefstal tot trips naar de Far West

Hoe verzamel je in godsnaam grondige documentatie over het westerngenre als er amper naslagwerken over bestaan. Simpel: je pikt alles wat je maar kan pikken. “Toen ik begon, bestond mijn documentatie uit filmfoto’s,” biechtte Morris ooit op. “Ik herinner me dat Franquin en ik foto’s gingen pikken die bij de ingang van bioscopen hingen. Je had toen nog niet van die geïllustreerde boeken over de geschiedenis van het Wilde Westen. Dus als we een mooie foto van een postkoets of een saloon (voor het meubilair) zagen, ging Franquin op wacht staan terwijl ik me meester maakte van de foto. Ik heb een hele verzameling foto’s met afgescheurde hoekjes!”

Later veranderde alles. Als 24-jarige trok hij naar de VS. Eerst samen met Franquin en Jijé. Opmerkelijk was hun reis naar Mexico tussen 1948 en 1949. Morris had één doel: documentatie verzamelen in de Far West en de desolate landschapen met eigen ogen aanschouwen. Vanaf 1949 bleef hij nog eens zes jaar alleen in New York, waar hij René Goscinny ontmoette.

4. Lucky Luke wordt een parodie van het Wide Westen

Goscinny nam Morris mee naar de redactie van het bekende Amerikaanse satirische blad MAD. Pas daar gingen Morris’ ogen open en wist hij precies welke richting hij zijn cowboy wilde uitsturen. “In het begin was Lucky Luke gewoon een cowboy die ik grappig probeerde te maken, maar die tegelijk een vechtersbaas was. Pas onder invloed van de eerste nummers van Mad Magazine, waarvan ik de oprichting heb meegemaakt, is hij voor de volle honderd procent een filmparodie geworden,” aldus Morris. De cowboyreeks evolueerde. Compromissen werden gesloten. Vanaf begin jaren vijftig ging het vaker om karikatuur en spot, gegoten in een semi-realistische, aan de animatie ontleende tekenstijl.

Beeld 2016 Dargaud

Nog steeds worden officiële gebeurtenissen en personages uit de Amerikaanse geschiedenis in de verhalen verwerkt. De wereldwijd bekende Buffalo Bill, Martha Jane Cannary (Calamity Jane), Billy the Kid of Jesse James doken meerdere keren op. Maar ook een resem andere bestaande figuren stonden vaak centraal in Lucky Luke, zoals de uitvinders Adolphe en Arthur Caille, ingenieur James B. Eads, rechter Isaac C. Parker of schilder Frederic Remington. Vaak werden de verhalen zelfs rond hun persoontje opgebouwd. Of in de woorden van Morris: “Ik gebruik de geschiedenis waar ze me interesseert en wijk er van af als ze me verveelt.”

5. Cameo’s uit de Amerikaanse en Franse filmscène

Morris was in de ban van de (western)film. In 1944 had hij nog een schriftelijke filmcursus gevolgd. Het was met dat diploma dat hij een hoge functie binnen de Brusselse animatiestudio verwierf.

Het mag dus niet verwonderen dat Morris Hollywood en de Franse filmscène liet passeren in zijn verhalen. De ene keer als figurant, de andere keer als een van de hoofdrolspelers. We doen even aan namedropping: David Niven, Lee Van Cleef, Groucho Marx, Boris Karloff, Mae West, Louis de Funès, Serge Gainsbourg, Alfred Hitchcock,… Een speciale rol kreeg westernveteraan Jack Palance. De acteur stond model voor één van Lukes meest bekende vijanden: Phil Ijzerdraad.

6. Waarom hij enkel op speelkaarten schiet

In een poging de populaire Belgische strip te elimineren, riepen de Fransen vanaf 1949 een protectionistische censuurcommissie in het leven. In de zowat twintig jaar dat die bestond, moesten enkel Belgische auteurs en uitgevers er verantwoording afleggen. Met absurde maatregelen werd zo gepoogd de import van populaire albums en bladen als Spirou/Robbedoes en Tintin/Kuifje te kelderen.

Morris moest meer dan eens op zijn tanden bijten. Cancandanseressen werden beschouwd als pornografisch. Een whiskyfles op de cover was geen voorbeeld voor de jeugd. Cowboys die naar elkaar schieten waren té agressief. Vijanden dodelijk verwonden, zoals de manier waarop Bob Daltin in 1951 om het leven kwam, vonden ze walgelijk. En zo mocht Luke nog enkel kogels door speelkaarten, muntstukken of hoeden jagen. Sterker: twee vijandige kampen mochten niet eens met elkaar vechten. Morris: “De Fransen hadden niet alleen een vetorecht op dingen die volgens de regels niet konden, ze konden ook iets weigeren omdat het naar hun mening niet van goede smaak getuigde. En dat was een rekbaar begrip.”

Dus werd Luke milder en overwon hij zonder te doden. Pas in 1967, toen Morris zijn Belgische uitgever Dupuis verruilde voor de Franse uitgever Dargaud, had hij niet de minste last meer van censuur.

7. Van sigaret naar grasspriet

Dat Lucky Luke in 1983 zijn sigaret verruilde voor een grassprietje, heeft dan weer niets met Franse censuur te maken. Dat was onder druk van de uitgever, de ouders van zijn jonge striplezers en het gevaar dat hij anders niet op de Amerikaanse markt kon publiceren. In 1983 verving Morris de sigaret door een strootje. Dit leverde hem waardering op van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Dat Luke überhaupt rookte? Daar had Morris dit op te zeggen: “Het is niet alleen de schuld van Gary Cooper dat Lucky Luke zo’n kettingroker is geworden. Onze directeur, Charles Dupuis, had me op het hart gedrukt een held te bedenken die geen fouten had, omdat kinderen zich met hem zouden identificeren. Maar ik kreeg al snel door dat zo’n personage stomvervelend zou worden en daarom heb ik Lucky Luke laten roken. Ik vond het ook leuk om te tekenen hoe hij zijn sigaretten rolde met één hand.” Hij vond dat die sigaret bij zijn cowboy toebehoorde zoals de pijp van Maigret of Popeye. De keuze van de grasspriet beklaagde hij zich achteraf echter nooit.

8. Schurken zonder Robin Hood-complex

De schurken uit Lucky Luke kregen bewust geen Robin Hood-complex mee. Hij verwees daarbij naar zowel de Hollywoodfilms als de Italiaanse spaghettiwesters. “In de film worden bandieten vaak neergezet als vrijbuiters. Ze werden misdadigers omdat ze een Robin Hood-complex hadden. Ze gingen stelen bij de rijken omdat hun mama iets werd aangedaan, of omdat het Zuiden had verloren. In werkelijkheid waren het meestal echte gangsters, schizofrenen en dergelijke.” Morris kon niet anders dan besluiten dat de schurken in Lucky Luke van een ander kaliber waren: “Wij benaderen met onze karikaturen soms veel dichter de werkelijkheid dan wat er al is gezegd en geschreven.”

9. Morris: een Vlaming

In Vlaanderen wordt sinds jaar en dag gesproken over de Grote Vier: Willy Vandersteen, Marc Sleen, Jef Nys en Bob de Moor. Dat moet eigenlijk de Grote Vijf zijn, maar Morris – een Kortrijkzaan - werd door zijn Vlaamse collega’s en stripjournalisten weggeduwd in de hoek van de Franstaligen, omdat zijn werk er dichter bij aansloot. Pijnlijk was daarom de eerste tentoonstelling rond de Vlaamse strip in 2010 op het befaamde stripfestival van Angoulême. Op die expo stond de nieuwe generatie Vlaams stripauteurs centraal, maar in een voorluik werden de voorgangers aangekaart met een ereplaats voor de Grote Vier. Het organiserende Fonds voor de Letteren weigerde in te gaan op de kritiek dat Morris een Vlaming was en wou hem niet opnemen. Gevraagd naar de reden daarvan reageerde het Fonds in deze krant dat Morris’ affiniteit met Vlaanderen ver zoek was. In 2014 klonk het dat het “een keuze” was.

10. De 9e Kunst

Morris wordt gezien als de geestelijke vader van de term ‘Negende Kunst’. Naast Lucky Luke schreef hij samen met de Belgische journalist Pierre Vankeer de rubriek ‘9e Kunst’ over stripklassiekers. Zo stond het er bij de start in 1964: “Strips bestonden er al voor de cinematograaf van de heren Lumière. Maar in de eerste decennia van hun bestaan werden ze niet erg serieus genomen, en dat is waarom de reeks artikelen die vandaag begint ‘9e Kunst’ zal heten.”

Stripspecialisten rollen over elkaar heen om die bewering te ontkrachten, door anderen aan te halen die de term eerder gebruikten. Niettemin ontkent niemand dat Morris de term zichtbaar en populair maakte.

De kunst van Morris, Stéphane Beaujean en Jean-Pierre Mercier, Dargaud, 312 p., € 45,00

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234